Brancheorganisatie Akkerbouw logo

Kennisakker.nl

Publicatie datum: 15-02-2001

Verbetering van de kwaliteit van TBM-pootgoed - groeikracht

Bij circa 10 zetmeelaardappelrassen zijn twee aspecten van de groeikracht van het pootgoed onderzocht: de gevoeligheid voor heel koude bewaring en de snelheid van versleten raken.
Er was nauwelijks verschil in opkomst en beginontwikkeling tussen pootgoed dat bij 1, 3 of 5ºC was bewaard. Alleen Karida, het ras dat het vroegst kiemt, was steeds trager in opkomst dan de res en het traagst bij één graad.
Verder bleek dat Kartel en Karida de langste incubatietijd hadden en Seresta, Kardent en Florijn de kortste. Dit betekent dat Kartel en Karida tot de vitalere rassen en Seresta, Kardent en Florijn tot de, wat “snel versleten raken” betreft, zwakkere rassen behoren.

Dit is een product van Agrobiokon

Inleiding

Bij zetmeelaardappelen doen zich in het voorjaar soms problemen voor bij de opkomst en beginnende gewasgroei. Deze problemen kunnen fysiologische oorzaken hebben zoals een te koude bewaring en te ver versleten zijn. Voor vooral de nieuwere rassen is onvoldoende bekend hoe ze reageren op zeer koude bewaring (<2ºC) en hoe ze reageren op een warmere bewaring gevolgd door afkiemen.
Het doel van dit onderzoek was het vaststellen van de sterktes en zwaktes van de fysiologie van het pootgoed van de belangrijkste nieuwe rassen.
Alleen de meestbelovende zetmeelaardappelrassen zijn in het onderzoek betrokken, met nadruk op fysiologisch vermoedelijk zwakkere rassen. Het aantal rassen is beperkt tot circa 10 per proef.
Het onderzoek spitste zich toe op twee aspecten: Gevoeligheid voor koude bewaring en de lengte van de incubatietijd.
Wat betreft de gevoeligheid voor koude bewaring was namelijk het idee dat bij 1-2ºC bewaren zeer nadelig kan zijn voor de vlotheid van opkomst en gewasontwikkeling.
De incubatietijd is een maat voor de snelheid van fysiologische veroudering. Rassen verschillen in de lengte van de incubatietijd. Een langere incubatietijd betekent dat het ras langer kan worden bewaard, warmer kan worden bewaard en vaker kan worden afgekiemd zonder dat zich opkomst- en groeiproblemen voordoen.

Proefopzet

Knollen van de belangrijkste zetmeelaardappelrassen van oogst 1997, 1998 en 1999, van zoveel mogelijk gelijke herkomst, zijn bij 1, 3 en 5ºC bewaard en vervolgens in het voorjaar op de proefboerderij Kooijenburg met de hand gepoot.
Ook is gedurende twee jaar, pootgoed van oogst 1997 en 1998, is bij 9 zetmeelaardappelrassen, Elles, Karnico, Karida, Seresta, Karakter, Florijn, Kartel, Kardent, en Mercator, de lengte van de incubatietijd bepaald.

Resultaten en conclusies

Uit de bewaartemperaturenproef bleek dat er nauwelijks verschil was in opkomst en beginontwikkeling tussen pootgoed dat bij 1, 3 of 5ºC was bewaard. Oorzaken voor de geringe verschillen zijn waarschijnlijk dat het pootgoed, voor zover dit mogelijk was, eind maart is afgekiemd en dat de groei-omstandigheden als gevolg van de hogere temperatuur in mei, extra gunstig waren. Alleen Karida, het ras dat het vroegst kiemt, was steeds trager in opkomst dan de rest: het traagst bij één graad.
Bij de bepalingen van de incubatietijd bleek dat Kartel en Karida de langste incubatietijd hadden en Seresta, Kardent en Florijn de kortste. Dit betekent dat Kartel en Karida tot de vitalere rassen en Seresta, Kardent en Florijn tot de, wat “snel versleten raken” betreft, zwakkere rassen behoren.

Figuur 1. Karida en Kartel behoren tot de vitalere rassen.