Brancheorganisatie Akkerbouw logo

Kennisakker.nl

Publicatie datum: 15-04-1991

Teelthandleiding triticale - bemesting

Dit deel van de teelthandleiding triticale gaat in op de bemesting van triticale.

Algemeen

Bij de teelt van triticale geldt stikstof als de belangrijkste voedingsstof. Stikstof is niet alleen een essentieel bestanddeel van de eiwitsynthese, maar bovenal wordt de ontwikkeling van het gewas door de stikstoftoediening beïnvloed. Indirect komt dit tot uiting in zijn effect op aardichtheid, legering en ziektegevoeligheid.

Een productief gewas heeft naast stikstof aanzienlijke hoeveelheden fosfaat en kali nodig. De overige (sporen)elementen zijn in beperkte mate nodig; vele spelen een belangrijke rol bij de fysiologische processen, die in de plant plaatshebben.

Mineraalbehoefte

Wat minerale samenstelling betreft komt triticale goed overeen met wintertarwe. Het eiwitgehalte in de korrel is vergelijkbaar (11-14%) wat 2 à 3% hoger is dan bij rogge. Voor opbrengstniveaus van 5, 7 en 9 ton korrel per ha zal respectievelijk 120, 160 en 195 kg N per ha voor het gewas beschikbaar moeten zijn. Daarvan wordt alleen door de korrel respectievelijk 100, 130 en 165 kg N per ha opgenomen.

De behoefte aan fosfaat kan voor het bovenvermelde opbrengsttraject worden gesteld op 55-100 kg P2O5 per ha, voor kali op 70-115 kg K2O per ha. Uitgaande van een goede bemestingstoestand is toediening van 70 kg P2O5 en 70 kg K2O per ha voldoende. In een hakvruchtenbouwplan behoeft vaak alleen een stikstofbemesting te worden verstrekt. Alleen in graanrijke bouwplannen zullen ook fosfaat en kali moeten worden verstrekt. Op zand- en dalgronden zal in bepaalde gevallen kali toegediend moeten worden, onder andere in de gebieden met fabrieksaardappelteelt.

De overige (sporen)elementen kunnen op basis van grondonderzoek worden gegeven. Bij een goede bemestingstoestand zijn deze elementen vaak in voldoende mate in de grond aanwezig.

Stikstofbemesting

In het onderzoek naar de optimale stikstofbemesting van triticale is zowel aan de hoogte als aan de wijze van de stikstofbemesting aandacht besteed. Triticale heeft op kleigrond door zijn hogere productieniveau meer stikstof nodig dan op zandgrond; dit zal in een verschillende bemestingswijze tot uiting komen.

De stikstofbemesting start met een eerste gift aan het eind van of kort na de winter. Om voldoende aren te krijgen mag deze gift niet te laag zijn. Alleen op stikstofleverende gronden, zoals lössgronden, kan een wat lage eerste N-gift worden aangehouden om daarmee het risico van legering te beperken.

Voor klei- en lössgronden kan voor triticale het bemestingsadvies van wintertarwe worden aangehouden. Ook voor triticale geldt dat in goede gewasbestanden een late, derde N-gift in het vlagbladstadium productieverhogend werkt. Kort samengevat kan als richtlijn voor de stikstofbemesting van triticale op klei- en lössgronden worden aangehouden:

  • eerste gift : 140 kg N per ha minus bodem-N voor kleigrond (max. 100 kg N)
  • tweede gift in GS 31/32: 60 kg N per ha
  • derde gift in GS 39/45 : 30 à 40 kg N per ha.

Om de gevaren van legering te minimaliseren lijkt op zandgrond een bemesting van 80 kg N per ha als eerste gift en 60 kg N per ha als tweede gift (in GS 31-32) voor de praktijk in aanmerking te komen. Op gronden met een sterke stikstofmineralisatie kan men de eerste gift verlagen, dan wel de tweede gift uitstellen tot GS 32-33.

Dierlijke mest

In het bouwplan op zand- en dalgronden wordt in meer of mindere mate dierlijke mest aangewend. Dit geldt met name voor het zuidoostelijk zandgebied. In de jaren na aanwending zal door mineralisatie van deze mest stikstof voor het gewas beschikbaar komen. De mate en het tijdstip van de mineralisatie is helaas niet duidelijk aan te geven en geeft problemen bij de stikstofbemesting. Als ervaring van de teler omtrent de nawerking van de dierlijke mest niet voorhanden is, zal men een 'voorzichtige' stikstofbemesting moeten geven. Naast een vermindering van de totale kunstmestgift kan ook een verlating van de tweede gift daartoe bijdragen. Het aanleggen van een N-bemestingsvenster kan daarbij een nuttig hulpmiddel zijn.

Op gronden, waaraan in het verleden één of meerdere keren dierlijke mest is toegediend, kan als richtlijn voor de stikstofbemesting dienen:

  • een lage eerste gift = adviesgift -30 (voor zandgronden circa 50 kg N per ha);
  • een late tweede gift = 40-60 kg N per ha in GS 32-33.