Brancheorganisatie Akkerbouw logo

Kennisakker.nl

Publicatie datum: 15-12-1998

Teelthandleiding luzerne - perceelskeuze

In dit deel van de teelthandleiding luzerne wordt ingegaan op de perceelskeuze voor de teelt van luzerne.

Naast de samenstelling van de grond, de profielopbouw en de grondwaterstand is ook de voorgeschiedenis van een perceel van belang. Vruchtwisseling, onkruidbezetting en bodemstructuur bepalen mede de kans van slagen van het gewas. Dit maakt dat lang niet elk perceel geschikt ...

Algemeen

Naast de samenstelling van de grond, de profielopbouw en de grondwaterstand is ook de voorgeschiedenis van een perceel van belang. Vruchtwisseling, onkruidbezetting en bodemstructuur bepalen mede de kans van slagen van het gewas. Dit maakt dat lang niet elk perceel geschikt is voor de teelt van luzerne.
Voor een geslaagde teelt van luzerne zijn van belang: de zuurgraad (pH), de ontwatering, de bewortelbare diepte van de grond en het voorkomen van probleemonkruiden.
De grootste risicofactoren zijn wateroverlast en een lage pH. De goede bewortelingseigenschappen komen op ondiep doorwortelbare gronden niet tot hun recht en veronkruiding met onkruiden die men niet kan bestrijden kan de productiviteit nadelig beïnvloeden.

Zuurgraad

Het traject van de zuurgraad waarbij luzerne optimaal groeit, ligt tussen pH 5,5 en 7,5 en is afhankelijk van de grondsoort. De kalkrijke kleigronden in het Noorden en het Zuidwesten van Nederland zijn van oudsher de belangrijkste teeltgebieden. De pH van deze gronden ligt rond de 7. Voor kleigronden is de optimale pH 6,5-7,0. Zand- en dalgronden hebben in het algemeen een lage pH, maar door bekalken is ook op deze gronden de teelt van luzerne mogelijk. Voor zandgronden is de optimale pH 5,3-6,0.

Ontwatering

Een goede ontwatering is van belang voor een goede opbrengst aangezien luzerne zeer gevoelig is voor wateroverlast. Luzerne kan beter tegen droge als tegen natte omstandigheden. Natte omstandigheden zijn ideaal voor de ontwikkeling van ziekteverwekkende bodemschimmels zoals Fusarium, Pythium, Phytophthora en Aphanomyces. Deze schimmels veroorzaken het wegvallen van kiemplanten, remmen de productie en kunnen zelfs volwassen planten zo zwaar aantasten dat ze afsterven. Onder natte omstandigheden ontstaat er in de grond eerder zuurstofgebrek en juist zuurstof is noodzakelijk voor een goede ontwikkeling van de Rhizobium-bacteriën, de wortelgroei en een goede opname van voedingsstoffen. Onder natte omstandigheden ontstaan er tevens sneller verdichtingen van de bodem bij uitvoering van werkzaamheden. Hierdoor worden met name de grotere poriën dichtgedrukt, zodat het aandeel lucht in de grond afneemt en de ontwatering kan stagneren. Voor een geslaagde teelt dient de ontwatering van een perceel zowel in de winter als in de zomer goed te zijn. De hoogste grondwaterstand moet daarom dieper dan 40 cm minus maaiveld zijn. Dit bevordert een vlotte opwarming van de grond in het voorjaar, een goede activiteit van het wortelstelsel en de Rhizobium-bacteriën en het voorkomt rijschade bij het uitrijden van mest en bij de oogst.

Bewortelbare diepte

Naast een voldoende hoge pH en een goede ontwatering is het van belang dat de grond goed doorwortelbaar is. Alleen dan kunnen de wortels tot op grote diepte vocht en voedingsstoffen opnemen, zodat ook onder droge omstandigheden de opbrengst goed is. In losse grond kunnen luzernewortels tot grote diepte doordringen. Er zijn voorbeelden van vierjarige luzerne op een leemhoudende grond in de Verenigde Staten waarbij wortels tot bijna vier meter diepte in de grond doordrongen. Op de meeste gronden in Nederland is dit onmogelijk, omdat er grondwater of voor beworteling storende lagen in het profiel voorkomen. Voor beworteling storende lagen zijn sterk verdichte lagen of lagen met een andere samenstelling, bijvoorbeeld een veel lagere pH (veenlagen) of een scherpe overgang van klei naar zand.
Op kleigronden komen in het algemeen weinig storende lagen voor. Alleen de zogenaamde plaatgronden, gronden met een dun kleidek op een zandondergrond, zijn minder geschikt voor luzerne omdat in veel gevallen de beworteling zich tot de kleilaag beperkt. Verder zijn zeer zware rivierkleigronden, die sterk zwellen en krimpen, en katteklei ongeschikt vanwege respectievelijk de slechte drainage en de zuurgraad.
Op zandgronden wordt de beworteling veel vaker door storende lagen gehinderd en is de invloed ervan op de opbrengst groot. Vaak zijn de dikte van de humeuze bovenlaag en de samenstelling van de ondergrond bepalend voor de bewortelingsdiepte.
De meest voorkomende storende lagen in zandgrond zijn sterk verdichte lagen. De dichtheid hangt nauw samen met het humusgehalte van de grond. Verdichte lagen komen vooral voor in de humusarme ondergrond van zandgronden. In verdichte lagen ondervindt de wortel een te hoge mechanische weerstand. Enkele grote poriën zoals oude wortelgangen kunnen wortels door een dichte laag heen laten dringen om zo diepere lagen weer te doorwortelen. Door het berijden met zware aslasten en een hoge banden-spanning ontstaan ook verdichtingen in de grond op een diepte tussen de 30 en 70 cm.
Veel voorkomende bodemtypen op zandgrond zijn jonge ontginningsgronden, oudere ontginningsgronden en eerdgronden (of esgronden).
Jonge ontginningsgronden zijn gronden die minder dan 100 jaar geleden in cultuur zijn gebracht door ontginning van bos of heide. Deze gronden hebben een dunne humeuze bovenlaag (15-30 cm) en een laag organische stofgehalte van twee à drie procent. Beperkend voor de beworteling van luzerne is de zeer arme, compacte ondergrond van humusarm zand. In deze ondergrond is beworteling onmogelijk. Hierdoor is er minder vocht beschikbaar hetgeen tot uitdrukking komt in lage opbrengsten. Deze gronden zijn niet geschikt voor luzerneteelt.
Oudere ontginningsgronden zijn zandgronden met een humeuze bovenlaag van 30-50 cm. Ook op deze gronden bestaat de ondergrond vaak uit humusarm zand waarin wortels moeilijk door-dringen. Het grondwater kan op deze gronden heel diep en heel ondiep zijn. Door de grote variatie zullen niet alle oude ontginningsgronden geschikt zijn voor de teelt van luzerne. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties dat de onderkant van de doorwortelde laag raakt aan de laag die door capillaire opstijging vanuit het grondwater voldoende vocht bevat. Ook moet de drainage van dergelijke gronden goed zijn.
Eerdgronden zijn zeer oude ontginningsgronden en hebben een humeuze bovenlaag van meer dan 50 cm, met een redelijk organische stofpercentage (4-8%). Deze gronden zijn oude akkergronden ontstaan door eeuwenlange aanvoer van organische mest. Meestal liggen ze hoog, waardoor het grondwater diep is en de drainage goed. De bewortelbare diepte van eerdgronden is meer dan 60 cm. Op deze gronden zijn tot op een diepte van 190 cm luzernewortels aangetroffen. Deze zandgronden zijn uitermate geschikt voor luzerne.
De geschiktheid van een zandperceel voor luzerneteelt is samengevat in de volgende tabel.

Tabel. Geschiktheid van zandgrond voor de teelt van luzerne.
GrondsoortDikte doorwortelbare laag (cm)Gemiddelde grondwaterstand (in cm -mv)
0-60 cm60-120 cm>120 cm
Jonge ontginningsgrond0-30--+--
Oude ontginningsgrond30-50--+++
Eerdgrond>50--++++

Profielverbetering

Soms kunnen storende lagen door grondbewerking worden opgeheven. Of het effect van losmaken blijvend is, hangt af van de soort verdichting en de bodemstructuur. Met name op zandgronden met een laag organische stofgehalte zal losmaken een kortstondig (maanden) effect hebben. Zonder organische stof is er geen structuur in het zand en de bodemdeeltjes zetten zich na de bewerking weer tot de natuurlijke dichtheid die de grond voor het losmaken had. Bevat de grond voldoende organische stof, maar is de verdichting ontstaan door het berijden met zware aslasten en harde banden, dan zal de verdichting binnen enkele jaren weer ontstaan als de banden niet zachter of de lasten niet lichter worden. Is het niet mogelijk om een storende laag voor een aantal jaren te verbreken, dan is het perceel niet geschikt voor de teelt van luzerne.
In sommige gevallen zal het lonend zijn om voor het inzaaien verdichte lagen door een diepe grondbewerking te verbreken. Voorwaarde is dan dat de bewortelbare diepte blijvend aanzienlijk wordt vergroot. Als daarmee tevens de wortels de mogelijkheid hebben om tot bij het grondwater door te dringen, zal het gewas niet meer verdrogen.

Werktuigen

Een spitfrees is een aangedreven werktuig waarvan de freeshaken diep door de grond draaien. Dit werktuig is met name geschikt als het om een relatief dunne storende laag gaat die door menging met de lossere lagen die hoger en lager in het profiel voorkomen, kan worden opgeheven. De bewerkingsdiepte bedraagt 80 tot 100 cm en de bouwvoor blijft intact.
Diepwoelen is een bewerking waarbij de grond met vaste tanden waarop woelplaten zijn gelast, tot een diepte van maximaal 100 cm ongeveer 15 cm wordt opgelicht, waarna ze weer iets terugzakt. De dichtheid van de grond neemt daardoor af. Dit effect wordt vrij snel teniet gedaan als de grond daarna weer met zware lasten wordt bereden. Deze bewerking is alleen effectief bij het opheffen van verdichtingen die door zware berijding zijn ontstaan. Het spreekt voor zich dat na het woelen het berijden met zware lasten moet worden voorkomen. Bij voorbaat diepwoelen of diepspitfrezen om een diepere beworteling te krijgen, heeft geen zin. De aard en oorzaak van de verdichting moeten bekend zijn.
Het is aan te bevelen om voor inzaai het perceel te onderzoeken op storende lagen. Bij twijfel is deskundig advies noodzakelijk.

Onkruid

In een goed ontwikkeld luzernegewas krijgen onkruiden in het algemeen geen kans. Na inzaai in het voorjaar ontwikkelt luzerne zich aanvankelijk traag. Zaadonkruiden zoals melde, perzikkruid en nachtschade ontwikkelen zich dan veel sneller. De eerste snede luzerne kan dan ook veel onkruid bevatten. Deze onkruiden komen na maaien van de eerste snede niet meer terug. Na het eerste productiejaar daalt het aantal planten. Op open plekken in het gewas krijgen onkruiden, met name muur, paardebloem en straatgras een kans. Ook op plekken met een slechte bodemstructuur of bij wateroverlast winnen onkruiden het van luzerne.

Ridderzuring is het enige onkruid dat sterker is dan luzerne en kan zich in luzerne sterk uitbreiden. Het is daarom niet raadzaam luzerne te zaaien op een perceel waar veel ridderzuring voorkomt.