Brancheorganisatie Akkerbouw logo

Kennisakker.nl

Publicatie datum: 15-12-1998

Teelthandleiding luzerne - gewasbescherming

In dit hoofdstuk van de teelthandleiding luzerne wordt ingegaan op de gewasbescherming.

Chemische bestrijding van onkruid, ziekten en plagen in luzerne is moeilijk. Er is een zeer beperkt aantal middelen toegelaten. Teeltmaatregelen moeten daarom zoveel mogelijk op preventie zijn gericht. Percelen waar problemen worden verwacht, kunnen daarom beter worden vermeden.

Onkruidbestrijding

Met het klaarmaken van een zaaibed zijn niet alleen de omstandigheden voor de kieming van luzernezaad gunstig. Ook de kieming van onkruidzaad dat zich in de bovenste centimeters van de grond bevindt, wordt gestimuleerd. Door de trage beginontwikkeling van luzerne ondervinden onkruiden weinig concurrentie. Bij een grote onkruiddruk overgroeien ze de luzerne. Hierdoor komt in de eerste snede van nieuw ingezaaide luzerne vaak veel onkruid voor. Vooral vroegkiemende onkruiden die in het voorjaar snel groeien zoals melde-achtigen, veelknopigen en nachtschade, kunnen een groot deel van de eerste snede uitmaken. De waarde van een dergelijk product is zeer gering. Na maaien komen zaadonkruiden echter niet meer terug (zie ook paragraaf [INVALID URL]).

Komt er veel onkruid in de eerste snede voor, dan is de beste optie het gewas vroeg, bij een gewashoogte van 20-25 cm te maaien. De opbrengst bedraagt dan ongeveer 1,5 ton droge stof per ha. Luzerne ondervindt geen nadelige invloed van dit vroege maaien, terwijl de onkruiden voor het belangrijkste deel niet meer zullen uitgroeien. Andere maatregelen die onkruidontwikkeling vlak na zaaien beperken, zijn inzaaien onder dekvrucht en voor het zaaien (tussen half april en half mei) gedurende ongeveer drie weken de grond regelmatig oppervlakkig bewerken. Met deze laatste maatregel worden de kiemende onkruiden mechanisch bestreden (vals zaaibed). Er zijn geen onkruidbestrijdingsmiddelen in luzerne toegelaten die in een groeiend gewas kunnen worden toegepast.

Bij latere sneden wordt onkruid het beste onderdrukt door zware sneden te oogsten. Ook kan het beste vrij hoog worden gemaaid, 6–8 cm boven maaiveld. Bij kort maaien worden nieuwe spruiten afgemaaid, waardoor het langer duurt voordat de gewasgroei is hersteld.
Concurrentie door het gewas is het belangrijkste wapen om onkruiden onder de duim te houden.

Ondanks een goed beheer kan soms niet worden voorkomen dat zich onkruiden ontwikkelen. Vooral bij frequent maaien van lichte sneden kan veronkruiding toenemen. Muur, paardebloem en straatgras komen dan veelvuldig voor, met name op open natte plekken. Bestrijding is nodig om verstikking van luzerneplanten te voorkomen.

Een bewerking met een wiedeg in het vroege voorjaar of vlak na het maaien geeft goede resultaten bij de bestrijding van muur en straa-gras, maar paardebloem wordt hiermee niet bestreden. Er moet niet worden geëgd als de uitl-pers lager zijn dan ongeveer 4 cm. Luzerneplanten zijn goed bestand tegen eggen. De eg kan behoorlijk agressief worden afgesteld, met een stekende afstelling van de tanden.

In het vroege voorjaar, als de luzerne nog in rust is, kan ook een aantal herbiciden worden toegepast (zie tabel 1).

Tabel 1. Toegelaten onkruidbestrijdingsmiddelen in luzerne, 2009.
OnkruidenTijdstip van bestrijdenMiddel en dosering per haOpmerkingen
Straatgras, muurdecember/februari2 l chloorprofam 40%Toepassen wanneer de luzerne in winterrust is. Indien nodig herhalen.
Duist, straatgras, muurfebruari/maart5 - 7 l Legurame (= carbeetamide)*mag nog worden toegepast als de luzerne met hergroei is begonnen

* Verboden in waterwingebieden van 1 oktober tot 1 april
n.b. Als een chemische bestrijding overwogen wordt, dient men jaarlijks bij de voorlichtingsdienst na te vragen of het gebruik van een bepaald middel nog langer is toegestaan.

In het derde jaar en eventueel in latere jaren wordt de kans op veronkruiding door onkruiden die maaien goed verdragen groter. Het gaat hierbij om met name straatgras, muur en paardebloemen. De plantdichtheid neemt af naarmate het gewas ouder wordt, maar de planten worden groter. Ze vormen meer spruiten en stengels. Luzerneplanten stoelen niet uit. Dit betekent dat de ruimte die open blijft als er een plant wegvalt door buurplanten of onkruid wordt opgevuld.

Bij een goed gewasmanagement zal luzerne de meeste onkruiden geen kans geven. Eén uitzondering op deze regel is ridderzuring dat met zijn grote bladeren de luzerneplant afdekt en de groei beperkt. Bovendien zaait het gewas zich uit zodat een kleine plek ridderzuring zich snel kan uitbreiden. Ridderzuring kiemt vooral na grondbewerking. Op een grasperceel dat voor luzerne wordt gescheurd, kan maar heel weinig ridderzuring voorkomen, terwijl het na scheuren en zaaien massaal kiemt. Wanneer ridderzuring pleksgewijs voorkomt, kan het worden bestreden door het met glyfosaat (Roundup) aan te stippen. Staat er zoveel ridderzuring dat aanstippen ondoenlijk is, dan kan het hele perceel worden doodgespoten met Roundup en na ongeveer twee weken met luzerne worden doorgezaaid. Vaak is het beter op een perceel waar ridderzuring voorkomt geen luzerne te zaaien.

Ziekten en plagen

Luzerne is weinig ziektegevoelig en ook plagen komen weinig voor. Als toch een bestrijding wordt overwogen, zal het rendement vooraf moeten worden ingeschat, aangezien bestrijding van ziekten en plagen vaak moeilijk is en meestal niet economisch. Een goede rassenkeuze en een ruime vruchtwisseling bieden meestal de beste garanties tegen ziekten. Een overzicht van mogelijke ziekten en plagen in luzerne alsmede de bestrijdingsmethode zijn weergegeven in tabel 2.

Tabel 2. Mogelijke ziekten en plagen in luzerne en de bestrijdingsmethoden.
Ziekte/plaagBestrijdingsmethode
klaverkanker (Sclerotinia trifoliorum)vruchtwisseling
bladvlekkenziekte (Pseudopeziza medicaginis)rassenkeuze, tijdig maaien om uitbreiding te voorkomen
verwelkingsziekte (Verticillium albo-atrum)vruchtwisseling, rassenkeuze, niet bij nat weer maaien
meeldauw (Erysiphe trifolii)rassenkeuze, tijdig maaien om uitbreiding te voorkomen
bacterierot (Corynebacterium insidiosum) 
stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci)schoon zaaizaad, vruchtwisseling
bladrandkever (Sitona lineatus)niet te vroeg zaaien, bespuiting met insecticide
erwtebladluis (Acyrthosiphon pisum)bespuiting met insecticide

De meest voorkomende aantastingen zijn beschadigingen door bladrandkevers, stengelaaltjes, vergeling van bladeren en verwelking van de stengeltop door de verwelkingsziekte.
De bladrandkever legt eitjes in de grond. De larven leven van de wortels en de kevers tasten het blad aan. Er is zelden sprake van economische schade in het gewas. De kevers kunnen worden bestreden door tegen de avond te spuiten met 0,3 liter deltametrin of 1,5 liter parathion zodra vraat aan de blaadjes zichtbaar wordt. Bij voorkeur spuiten bij droog, zonnig weer. Zonodig kan de bespuiting worden herhaald. Vaak valt het effect van een bespuiting tegen, omdat een deel van de kevers zich in de grond schuil houdt en niet door de bespuiting wordt geraakt.

Het luzerne-stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) kan een groot probleem vormen. Soms is het perceel besmet met dit aaltje, maar het kan ook in kleine hoeveelheden met het zaaizaad worden aangevoerd. Meestal is de besmetting aan het begin van de teelt gering, maar het aantal aaltjes kan zich sterk uitbreiden. Aan het einde van het tweede productiejaar en in het derde jaar treedt er vaak een steeds toenemende schade op. Als dit in de luzerne voorkomt, kan het afhankelijk van de omstandigheden zo uitbreiden dat men genoodzaakt is het perceel om te ploegen. Een aaltjesbesmetting is herkenbaar aan ronde, open plekken in een perceel, ontstaan door afsterving van luzerneplanten. Aan de rand van deze plekken staan luzerneplanten met verkorte stengeldelen en een verdikte kop. In deze planten zitten de meeste aaltjes. Uiteinde-lijk sterven ook deze planten. De aaltjes verhuizen naar nieuwe planten aan de rand van de beschadigde plek en de plek wordt zo steeds groter. De meeste aaltjes zitten in de stengel, maar een gedeelte bevindt zich ook op of in het bovenste gedeelte van de grond. Bij vochtig weer gaat de verspreiding sneller dan bij droog weer aangezien de aaltjes zich met name via vocht verplaatsen. Bestrijding is niet eenvoudig.

Bij een grote aantasting kan het perceel het beste worden omgeploegd, waarna een aantal jaren een ander gewas moet worden geteeld. Wanneer de aantasting beperkt blijft tot enkele plekken, kan pleksgewijze bestrijding worden overwogen door behandeling met een onkruidbrander of pleksgewijze grondontsmetting. De effectiviteit van deze methoden is niet voldoende bekend. Om uitbreiding van het aaltje naar andere luzernepercelen te voorkomen, moeten voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Zo moet verplaatsing van grond en luzerneplanten van besmette percelen naar niet-besmette percelen worden voorkomen. Het besmette perceel kan daarom het beste altijd als laatste worden bewerkt. Om problemen met het luzerne-stengelaaltje te voorkomen, kan een aaltjesresistent ras worden geteeld (zie paragraaf [INVALID URL]).
Ook kunnen muizen en mollen pleksgewijs aanzienlijke schade aanrichten. Soms is bestrijding nodig.

Naast aantastingen door insecten en nematoden kan ook een aantal ziekten voorkomen. Verwelkingsziekte is de meest voorkomende ziekte. Ziekten zijn alleen door teeltmaatregelen tegen te gaan (zie tabel 2).