Brancheorganisatie Akkerbouw logo

Kennisakker.nl

Publicatie datum: 15-02-2005

Effect van de rijsnelheid bij loofbranden op doding van Phytophthora

In de biologische teelt van aardappelen zijn geen mogelijkheden voor de bestrijding van Phytophthora infestans. Om te voorkomen dat deze percelen zware aantasting krijgen en daardoor een groot risico zijn voor omliggende aardappelpercelen, worden deze percelen/haarden gebrand. Omdat de biologische teler met hoge snelheid wil branden om snel te kunnen ingrijpen én om zijn gewas enigszins te sparen om nog productie te behouden, is onduidelijk in hoeverre mycelium en sporen worden gedood bij verschillende rijsnelheden.

Uit onderzoek, uitgevoerd in 2003 en 2004, bleek dat de doding van de sporen minder was naarmate er bij het loofbranden harder gereden werd. Het advies voor de praktijk is dan ook om bij het loofbranden ongeveer 3 km/u te rijden. Harder rijden doodt de sporen minder goed en leidt niet tot een hogere opbrengst door het "sparen" van het loof.

Proefopzet

In door PPO en PRI uitgevoerd onderzoek in 2003 en 2004 is bij verschillende rijsnelheden bij het loofbranden de mate van doding van het aardappelloof en de doding van de schimmel onderzocht.
In een perceel biologisch geteelde aardappelen met enige aantasting is het loof gebrand (afbeelding 1).

Afbeelding 1. Het branden van aardappelloof.

Tijdens het loofbranden werd er gereden met verschillende rijsnelheden. Na het loofbranden is de doding van de sporen en het mycelium bepaald. De doding van de sporen is bepaald door blaadjes met een aantasting na het branden op een aardappelschijfje te drukken. In 2004 is ook de opbrengst en de knolaantasting bepaald. De opbrengst is bepaald om te toetsen of een hoge rijsnelheid bij het loofbranden het gewas "spaart" en leid tot een hogere opbrengst.

Resultaten en conclusies

Na het loofbranden zag het loof er bij alle drie de rijsnelheden dood uit. Een aantal dagen na het loofbranden werd bij de hoogste rijsnelheid een iets mindere loofdoding gemeten.

Afbeelding 2. Verschil in mate van doding van het loof in het proefveld (2003).

De doding van de sporen en het mycelium was direct na het loofbranden bij de hoogste rijsnelheid (6 km/h) significant lager dan bij de twee andere snelheiden (1,5 en 3 km/h) terwijl het loof visueel wel dood leek te zijn.
In 2004 was de doding van de sporen minder dan in 2003, maar verschil tussen de rijsnelheden was nog wel aanwezig (figuur).

Figuur. Percentage infecties na branden, opbrengst per hectare en de knolaantasting bij loofbranden met verschillende snelheden (2004).

Een hogere opbrengst bij sneller branden kon niet worden vastgesteld. De knolaantasting was bij een rijsnelheid van 6 km/u iets hoger dan bij een rijsnelheid van 3,0 km/u. Betrouwbaar waren deze verschillen niet.

Het advies voor de praktijk is dan ook om bij het loofbranden ongeveer 3 km/u te rijden. Harder rijden doodt de sporen minder goed en leidt niet tot een hogere opbrengst door het "sparen" van het loof.