Brancheorganisatie Akkerbouw logo

Kennisakker.nl

Publicatie datum: 16-03-2008

Bodembeheer op akkerbouwbedrijven in relatie tot het mineralenbeleid

Aanscherping van de gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat heeft gevolgen voor het bodembeheer via o.a. de gebruiksmogelijkheden van organische mest. In een bureaustudie zijn de gevolgen van het mineralenbeleid voor het bodembeheer op akkerbouwbedrijven op een rij gezet.
Deze studie laat zien dat via extra maatregelen, zoals organische stofrijke mestsoorten (o.a. runderdrijfmest, compost), groenbemesters en achterlaten van stro, de aanvoer van organische stof redelijk is te handhaven.
Op veel akkerbouwbedrijven is gemiddeld de fosfaatafvoer lager dan de gebruiksnorm van 60 kg P2O5 per ha (voorzien in 2015). Wel zal door het lagere fosfaatoverschot op de lange termijn de fosfaattoestand dalen naar een waarde tussen Pw25 en Pw30.

Onderzoek

De bureaustudie bestond uit twee delen. Eerst is een inventarisatie uitgevoerd naar knelpunten en oplossingsrichtingen (maatregelen). Hierbij is ook gebruik gemaakt van ervaringen uit de praktijk via een tweetal workshops met telers. Vervolgens zijn scenarioberekeningen uitgevoerd om de kosten van diverse maatregelen in kaart te brengen voor verschillende representatieve bouwplannen. Hierbij is vooral gekeken naar de organische stofaanvoer.

Resultaten

Inventarisatie knelpunten en oplossingsrichtingen

Uit de workshops met telers kwam vooral de zorg naar voren over handhaving van het organische stofgehalte (en hiermee samenhangend het N-leverend vermogen) en de fosfaattoestand. Voor kleigronden werden tevens structuurproblemen genoemd door verschuiving van toediening van dierlijke mest van het najaar naar het voorjaar.
Wat betreft organische stofbeheer zijn de belangrijkste maatregelen de keuze en hoeveelheid van organische mest, het telen van groenbemesters en het achterlaten van gewasresten (graanstro). Ook grondbewerking (ploegdiepte) speelt hierbij een rol. Ter verbetering van de fysische bodemvruchtbaarheid komen vooral maatregelen gericht op vermindering van berijdingsschade in beeld (o.a. lichtere machines, aangepaste bandenspanning, vaste rijpaden, vroegere rassen).

Afbeelding 1. Het telen van een groenbemester is één van de maatregelen die genomen kan worden om de aanvoer van organische stof te verhogen.

Scenariostudie

Organische stof

Uit de scenarioberekeningen blijkt dat met het huidige organische mestgebruik vooral op intensieve bedrijven met weinig graan en relatief veel (industrie)groenten de aanvoer van organische stof via gewasresten en organische mest laag is (< 1.500 kg effectieve organische stof per ha). Verder blijkt dat het bij een aanscherping van de fosfaatgebruiksnorm tot 80 en 60 kg P2O5 per ha voor de meeste akkerbouwbedrijven moeilijk is een aanvoer te realiseren van 2.000 kg effectieve stof per ha. Het is echter onduidelijk welke aanvoer voldoende is om daling van het organische stofgehalte te voorkomen. Lange termijn modelberekeningen laten zien dat bij organische stofgehalten hoger dan 2,5-3% er mogelijk een daling gaat optreden bij het huidige en toekomstige mineralenbeleid. Anderzijds bleek uit een analyse van een groot aantal bodemmonsters (uitgevoerd door Blgg) dat er in de periode 1984-2004 op bouwland gemiddeld nog geen sprake was van een daling van het organische stofgehalte.
Uit de berekeningen blijkt verder dat verhoging van de aanvoer van organische stof via organische mest goedkoper is dan via extra groenbemesters of het achterlaten van graanstro. Wat betreft het eerste gaat het dan vooral om organische mestsoorten met een hoger gehalte aan organische stof dan de in de akkerbouw veel gebruikte varkensdrijfmest. Met laatstgenoemde mestsoort wordt weinig organische stof aangevoerd. Als alternatief kan worden gedacht aan runderdrijfmest of eventueel compost. Bij beide mestsoorten is de beschikbaarheid wel een belangrijke randvoorwaarde.
Bij de keuze van de diverse organische stofbronnen speelt de aard van de organische stof mogelijk ook een rol. Er zijn aanwijzingen dat vooral de labiele organische stof een belangrijke rol speelt bij de vorming van stabiele aggregaten in de bodem en de N-levering van de bodem. De stabiele organische stof die onder andere wordt aangevoerd met organische mest en bodemverbeteraars is echter van belang voor de bijdrage aan het adsorptiecomplex (CEC-waarde) en het vochthoudend vermogen. Dat impliceert dat verschillende organische stofbronnen elk op hun eigen wijze bijdragen aan de verschillende functies van organische stof in de bodem.

Afbeelding 2. Bij lagere gebruiksnormen wordt een juiste keuze van de organische mestsoort belangrijker voor een voldoende organische stofaanvoer.

Fosfaattoestand

Bij gemiddelde opbrengstniveaus is de fosfaatafvoer met geoogst product op akkerbouwbedrijven lager dan de gebruiksnorm in 2007 en 2009. Bij een norm van 60 kg P2O5 per ha (waarschijnlijk in 2015) is het verschil geringer en nemen vooral bij hoge opbrengstniveaus de risico’s van negatieve P-overschotten toe, waardoor de P-toestand van de grond kan dalen. Op dit moment is niet duidelijk aan te geven bij welk Pw-getal zich, gegeven het P-overschot, het nieuwe evenwicht gaat instellen. Onderzoekservaringen geven aan dat een eventuele daling langzaam (1-2 Pw-punten per jaar) gaat. Gezien de goede fosfaattoestand van een groot deel van de Nederlandse bodems zal dit op die percelen op korte termijn niet tot knelpunten leiden. Op percelen met een lagere toestand en op de langere termijn ook op percelen met een goede toestand, kunnen knelpunten ontstaan op bedrijven met een hoog aandeel fosfaatbehoeftige gewassen (o.a. aardappelen en enkele groentegewassen) wanneer het Pw-getal ligt in het traject 25-35.
Indicatieve modelberekeningen geven aan dat op termijn (tientallen jaren) de fosfaattoestand, afhankelijk van chemische eigenschappen van de bodem, mogelijk daalt naar Pw 25. Door reparatiebemesting (4 jaar lang een extra gift van 80 kg kunstmestfosfaat per ha als Pw gezakt is beneden 25) stijgt de Pw weer naar 30-32 om vervolgens weer geleidelijk af te nemen naar Pw 25. Op lange termijn zullen veel akkerbouwpercelen een Pw-getal hebben dat steeds tussen 25 en 30 schommelt.
Bij een lage fosfaatgebruiksnorm worden ook verschillen in effectiviteit van de fosfaat in meststoffen steeds belangrijker. Het gaat dan vooral om concurrentie tussen goed beschikbare P uit kunstmest en op korte termijn minder goed beschikbare P uit organische meststoffen.

Conclusie

Onder akkerbouwers leeft zorg over handhaving van het organische stofgehalte en de fosfaattoestand van de bodem bij verdere aanscherping van de gebruiksnormen.
Deze studie laat zien dat via extra maatregelen, zoals organische stofrijke mestsoorten (o.a. runderdrijfmest, compost), groenbemesters en achterlaten van stro, de aanvoer van organische stof redelijk is te handhaven.
Op veel akkerbouwbedrijven is gemiddeld de fosfaatafvoer lager dan de gebruiksnorm van 60 kg P2O5 per ha (voorzien in 2015). Wel zal door het lagere fosfaatoverschot op de lange termijn de fosfaattoestand dalen naar een waarde tussen Pw25 en Pw30.