Secondary menu

Kennisakker - thema/gewas: Techniek

Gemengde rijentoepassing gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen

Het is onvoldoende bekend hoe de werking van Rhizoctonia-middelen is wanneer deze gemengd aan meststoffen als rijenbemesting worden toegediend. In 2011 en 2012 zijn Subliem en Amistar daarom in een proef getoetst op hun werking wanneer deze gemengd met Humifirst en APP als rijenbemesting worden toegediend. Omdat het insecticide Actara veelal ook in de rij wordt toegepast, is dit middel eveneens in de proeven opgenomen.

Bij het mengen van APP met Subliem, Actara en met name Amistar was er enige vlokvorming te zien, wat echter geen problemen gaf. De volgorde van menging is uitermate belangrijk; APP dient aan water te worden toegevoegd en niet andersom. Pas nadat water en APP goed gemengd zijn, kan er Amistar, Subliem of Actara aan worden toegevoegd.
Het gemengd toedienen van Amistar of Subliem met APP of Humifirst leidde niet tot een aantoonbaar verminderde werking op Rhizoctonia. Humifirst leek meer (een mogelijk negatief) effect te hebben op de werking van Actara dan APP.

Effecten van verse organische stof

Een handvat voor het beheer van organische stof is de organische stofbalans. Deze balans houdt echter geen rekening met de effecten van verse organische stof op de bodemkwaliteit. Daarom heeft het Productschap Akkerbouw aan NMI/BLGG AgroXpertus en PPO gevraagd in een bureaustudie de effecten van verse organische stof op de bodemkwaliteit, met name op bodemgezondheid en ziektewerendheid, in beeld te brengen.
Kort samengevat komt het erop neer dat verse organische stof een ziektewerende werking kan hebben, maar dat de maatregel altijd in combinatie met andere maatregelen moet worden gebruikt en dat de effecten niet altijd positief zijn.
Richtlijnen voor het beheer van verse organische stof zijn opgesteld: a) de strategie voor het organische stofbeheer, b) te gebruiken hulpmiddelen, c) organische meststoffen, d) gewasresten, e) composteren, f) vruchtwisseling, g) grondbewerking en h) overige hygiënische aspecten en ziektewerendheid.
Aanbevelingen voor vervolgonderzoek zijn gedaan.

Glyfosaat en hard water?

Bij gebruik van hard water als spuitvloeistof kan de werking van middelen op basis van glyfosaat verminderen. De hardheid van water heeft te maken met de hoeveelheid calcium, magnesium, biocarbonaten en ijzer in het water. Bij hard water reageren de vrije calcium- en magnesium-ionen met de werkzame stof glyfosaat.

Gewasbescherming met UV-C licht

In dit onderzoek is op een rij gezet wat er in de literatuur bekend is over de mogelijkheden van UV-C licht voor de bestrijding van ziekten en plagen in de akkerbouw. Het bleek dat er over de toepassing in de akkerbouw met lage doseringen UV-C licht en met korte blootstellingstijden weinig relevante literatuur beschikbaar is. Daarom is ook naar andere literatuur gezocht om eventuele perspectieven voor de akkerbouw op te kunnen sporen.

Vervolgens is er een veldproef uitgevoerd waarin is onderzocht of met UV-C licht Phytophthora infestans in aardappelen kon worden tegengegaan. UV-C licht is toegepast vanaf de tweede dag dat de planten besmet waren, maar nog geen uitwendige symptomen hadden. De frequentie van belichten varieerde van 2 tot 6 keer per week bij 1 of 2 km/uur.
Uit de UV-C-metingen bleek dat er in een dicht en in een open gewas met de nieuw ontwikkelde machine gemiddeld te weinig UV-C licht op de bladeren valt. Enig gewasbeschermend effect van de uitgevoerde belichtingen op de ziekte Phytophthora infestans kon niet worden vastgesteld.

Knolkwaliteit van aardappel na diverse (biofumigatie)gewassen

Sommige gewassen bevatten inhoudsstoffen als glucosinolaten. Wanneer dergelijke gewassen goed ingewerkt worden, worden iso-thiocyanaten gevormd die dodelijk zijn voor diverse bodempathogenen. Het onderzoek richtte zich op de vraag of de kwaliteit van de aardappel, die hierna geteeld werd, verbeterd werd door de diverse grondontsmettingstechnieken.

De kwaliteit van de aardappel werd in twee jaar van onderzoek niet eenduidig beïnvloed door de teelt van diverse voorvruchten. Eén jaar was er duidelijk minder diepe schurft (poederschurft) op de knol aanwezig na 8 van de 16 behandelingen. De toevoeging van zaadmeel (biofumigatie) leidde tot een lagere Verticillium-besmetting van de grond en in één jaar tot een hogere lakschurftbezetting.

Keuze spuitdoppen

Met het programma 'Keuze spuitdoppen' kunt u selecties maken binnen het assortiment spuitdoppen. Zo kunt u snel een overzicht krijgen van bijvoorbeeld de spuitdoppen die een fijne druppel spuiten en voldoen aan een driftreductie van 50%.

Spuitdoppenkeuze 2009

Het is goed om te weten of u te maken heeft met een natte of droge sloot langs uw perceel. Binnen 14 meter langs iedere sloot heeft u altijd minimaal 50% driftarme doppen nodig. Daarnaast geldt bij een natte sloot een teeltvrije zone. De breedte van de teeltvrije zone is afhankelijk van het te telen gewas (aardappelen, uien bijv. 1,50 m).

Afvalhopen van ui of aardappelen afdekken

Net als voor Phytophthora in aardappelen is het ook voor valse meeldauw in ui verplicht afvalhopen af te dekken. Er mogen geen groene delen op de afvalhoop voorkomen. Dit alles om de epidemie van de schimmels te remmen.
Afdekken kan het beste gebeuren door zwart plastic over de hoop te trekken en deze goed vast te leggen.

Functionele Agrobiodiversiteit (FAB)

In de Hoeksche Waard hebben 5 ondernemers getest of meer biodiversiteit kan leiden tot minder plagen. Akkerranden en bloemenstroken stimuleren natuurlijke vijanden (sluipwespen, zweefvliegen, loopkevers, spinnen, enz.) te stimuleren en kunnen zo helpen om plagen in granen, consumptieaardappel en spruitkool te onderdrukken. Dit innovatieve project diende in de praktijk het bewijs te leveren of een strategie op basis van Functionele Agrobiodiversiteit (FAB) haalbaar en betaalbaar is, en welke voordelen dat oplevert voor de ondernemer, het landschap en het milieu.
Het project heeft een rijke oogst opgeleverd aan bruikbare praktijkkennis die kan dienen om het FAB-concept door te ontwikkelen.

Laat bij twijfel kwaliteit spuitwater analyseren

In deze tip wordt u aangeraden bij twijfel het spuitwater vooraf te laten analyseren of bij het waterleidingbedrijf de hardheid op te vragen.

Invloed van waterconditioners en hulpstoffen op de effectiviteit van gewasbeschermingsmiddelen

Er bestaat in de praktijk veel en toenemende onduidelijkheid over de mogelijkheden en beperkingen van hulpstoffen. Het is vaak niet duidelijk of de door de leveranciers geclaimde baten van hulpstoffen wel opwegen tegen de kosten ervan. Aan het gebruik van hulpstoffen zijn mogelijk ook nadelen verbonden (b.v. een grotere kans op gewasschade bij toevoeging aan herbiciden of een verminderde werking van het gewasbeschermingsmiddel).
In 2005 heeft de gebruikerscommissie naar aanleiding van een literatuurstudie over hulpstoffen drie aanbevelingen voor verder onderzoek geformuleerd. In 2006 zijn twee daarvan in onderzoek genomen om de effectiviteit van herbiciden te verbeteren: toevoegen van waterconditioners aan hard water en invloed van hulpstof op de zuurgraad van de spuitvloeistof. In 2007 is tenslotte nagaan of de doseringen van fungiciden voor de bestrijding van valse meeldauw in ui met 50% konden worden verlaagd als de juiste hulpstof werd toegevoegd.

Toevoeging van hulpstoffen had een (zeer) geringe invloed op de effectiviteit. Het is echter middelafhankelijk wat de mate van invloed zal zijn en óf de invloed positief dan wel negatief zal zijn. Promotor toegevoegd aan spuitvloeistoffen met verschillende pH’s waaraan Basagran was toegevoegd, liet de buffende eigenschappen van dit product zien. Het is de vraag of dit voor de effectiviteit van het middel noodzakelijk is. Bij glyfosaat was toevoeging van Promotor als extra pH-buffer niet zinvol.
Het effect van Acrobat 100% dosering op bladvlekken in ui werd significant versterkt door de hulpstof Certain en de hulpstoffencombinatie Fullstop + Zipper, het effect van Tridex werd significant versterkt door de hulpstoffencombinatie Fullstop + Zipper, zowel in de 100% als in de 50% dosering. Hoogstwaarschijnlijk kan de dosering van de fungiciden omlaag bij de bestrijding van valse meeldauw.

BOS valse meeldauw en bladvlekkenziekte uien

De laatste jaren moet er tegen valse meeldauw en bladvlekkenziekte in zaaiuien veelvuldig gespoten worden vanwege een vaak hoge ziektedruk. Vermoedelijk zijn systemisch geïnfecteerde plantuien in tweedejaars plantuien een belangrijke bron van valse meeldauw. Het is dus belangrijk om de vroege bronnen te bestrijden/voorkómen om de start van de epidemie uit stellen.

In de periode 2003 -2006 is onderzoek uitgevoerd waarin de bestrijding van valse meeldauw werd vergeleken in zaaiuien en in eerstejaars plantuien. Tevens werd gekeken of de in de praktijk heersende veronderstelling, dat aantasting in eerstejaars plantuien met het BOS niet altijd goed onder controle gehouden kan worden, juist was.

Gebleken is dat een goede bestrijding vroeg in het seizoen moet beginnen en dat het gewasklimaat van eerstejaars plantuien onder de proefomstandigheden nauwelijks anders is dan in zaaiuien.

GEWIS: Invloed van opnameperiode en herbevochtiging op de effectiviteit van enkele insecticiden

Het computerprogramma GEWIS (Gewasbescherming En Weer Informatie Systeem) brengt de relatie tussen het weer en de effectiviteit van gewasbeschermingsmiddelen in beeld door het relatieve effect per werkzame stof te berekenen.
In dit onderzoek is getracht de aannames die GEWIS doet voor opnamesnelheid en herbevochtiging (het blad waarop zich insecticide bevindt wordt nat door een vochtige nacht) van insecticiden na te gaan.
Binnen GEWIS wordt gerekend met de opnamesnelheid die per werkzame stof verschilt en wordt er vanuitgegaan dat herbevochtiging géén effect heeft op de werking van het insecticide. De gedachte hierachter is dat het middel dat niet direct na het spuiten wordt opgenomen onder invloed van straling en warmte dusdanig van chemische structuur verandert dat het later, als er de volgende nacht vochtig blad ontstaat, niet alsnog kan worden opgenomen. Uit dit onderzoek is de indruk ontstaan dat met name herbevochtiging toch een positief effect op de werking van het insececticide kan hebben. De resultaten van dit onderzoek zijn inmiddels verwerkt in het adviesprogramma.

MLHD in bedrijfsverband

Het MLHD-concept was in het PPO-onderzoek in suikerbieten, peen, geplante prei en erwten goed toepasbaar. Opvolging van de verschillende MLHD-adviezen zou in deze gewassen geleid hebben tot besparingen op het middelengebruik van 0 tot 40%. In peen zou de toepassing van MLHD echter meestal geleid hebben tot een hoger verbruik. Het MLHD-advies in stamslabonen was onrealistisch laag en de berekende besparingen in dit gewas zijn dan ook niet reëel.

Toetsing van het Gewasbescherming En Weer Informatie Systeem (GEWIS) voor herbiciden

GEWIS is een acroniem dat staat voor “Gewasbescherming En Weer Informatie Systeem”. GEWIS is een hulpmiddel voor het inschatten van de effectiviteit van gewasbeschermingsmiddelen. Gegevens over eigenschappen en werkingsmechanismen van gewasbeschermingsmiddelen worden gecombineerd met weerinformatie. Het resultaat van deze informatie levert een inschatting van de effectiviteit van de toepassing en een advies over de mogelijkheid om de dosering eventueel te verlagen.

In 2000 startte onderzoek om gegevens te genereren waarmee uitkomsten van GEWIS (Gewasbescherming En Weer Informatie Systeem) konden worden getoetst en worden verbeterd. Gebleken is dat de trend die GEWIS inschat voor de onderzochte middelen betrouwbaar was. De mogelijkheid om de dosering te verlagen als de omstandigheden (zeer) gunstig zijn, bleken soms te ruim en soms te krap te worden ingeschat. Tenslotte werd duidelijk dat het proces “blad nat” beter op een andere manier in de advisering kan worden ingebouwd dan op dit moment.

Pages

Subscribe to Kennisakker - thema/gewas: Techniek