Secondary menu

Beheersing aarfusarium en bladvlekkenziekte in zomergerst

- -
11/03/2015 - A. Evenhuis en H.T.A.M. Schepers - PPO

Aarfusarium leidt tot kwaliteitsverlies in graangewassen. Aarfusarium in granen wordt veroorzaakt door verschillende ziekteverwekkers van het geslacht Fusarium: De belangrijkste veroorzaker van aarfusarium is F. graminearum. De schimmel infecteert de aar tijdens de bloeiperiode, onder vochtige omstandigheden. Is het tijdens de bloei droog dan is er weinig kans op Fusarium. Is het tijdens en voor de bloei nat dan vergroot dat de kans op aarfusarium. Als een partij tarwe of gerst te zwaar geïnfecteerd is kan dat leiden tot een lagere bakkwaliteit, respectievelijk een lagere brouwkwaliteit.
In opdracht van het Productschap Akkerbouw is onderzoek gedaan naar de bestrijding van Fusarium in de teelt van brouwgerst. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de gewasbeschermingsindustrie.

In Valthermond werd door Wageningen UR een experiment opgezet om de effectiviteit van bespuitingsstrategieën tegen aarfusarium te bepalen. In totaal werden 20 behandelingen vergeleken met een onbehandelde controle en een referentieschema. Bij begin bloei en 5 dagen later werd de zomergerst geïnoculeerd met een sporensuspensie van Fusarium graminearum.

Aarfusarium werd niet waargenomen in het veld, ondanks het feit dat de zomergerst twee maal werd geïnoculeerd. De weersomstandigheden tijdens de bloei waren niet gunstig voor het ontstaan van aarfusarium. Er konden geen conclusies getrokken worden ten aanzien van de beheersing van aarfusarium.

In de proef nam de bladvlekkenziekte tussen 19 mei en 13 juni toe van geen aantasting naar minimaal 0.4% en maximaal 20.6% aantasting. Vroege bespuitingen met fungiciden op T1, T1.5 of T2 droegen bij aan de bestrijding van bladvlekkenziekte. De objecten waarin alleen op T3 werd gespoten hadden geen effect op bladvlekkenziekte.

De opbrengst in de onbehandelde controle was 6.5 t/ha. Dit was betrouwbaar lager dan bij alle andere behandelingen behalve objecten T en M. De opbrengst van object D (Skyway op T1 en T3) was betrouwbaar hoger dan van het referentie object gespoten met Skyway op T2. Er werd een zekere correlatie gevonden tussen de mate van groen loof oppervlak (%) en de opbrengst. Het groen bladoppervlak van behandelingen J t/m Y was niet betrouwbaar verschillend van de onbehandelde controle (A). Waarschijnlijk werd dit veroorzaakt doordat deze behandelingen alleen op T3 werden gespoten, en als gevolg daarvan relatief een hoge mate van bladvlekkenziekte aantasting hadden.

De hoeveelheid DON mycotoxine varieerde van 16.6 tot 281 µg/kg. De verschillen tussen de velden binnen de behandelingen waren groot. Desalniettemin was het DON gehalte van behandelingen E (Bontima T1.5 & T3), H (Opus team T1 & Skyway T3), L (EXP03), M (EXP04) en X (EXP13) betrouwbaar lager dan van behandeling B. Geen van de gewasbeschermingsstrategieën leidde tot een lager DON gehalte dan in de onbehandelde controle. Bij deze mate van DON in de monsters kan geen duidelijke conclusie worden getrokken ten aanzien van de effectiviteit van de aangelegde behandelingen.