Secondary menu

Hoe en wat - Maatregelen

19/02/2014 - ? - ?

Voor dit hoofdstuk is samengewerkt met PPO-agv uit Lelystad. Onderstaand volgt een overzicht van maatregelen dat is opgesteld in het kader van het MMM/PBEE-project ‘Brede Kennisontsluiting Bodembiodiversiteit’. Deze maatregelen zijn gericht op het verbeteren van bodemfuncties. Voor de bijbehorende uitgebreide literatuurlijst wordt verwezen naar de MMM/PBEE-pagina op www.kennisakker.nl Voor maatregelen om schimmels, bacteriën e.d. te stimuleren, zie hoofdstuk 4.

Evenwicht op de organische stof balans

Wat omvat dit?Er voor zorgen dat op bouwplanniveau voldoende organische stof van de juiste kwaliteit wordt ondergewerkt om het bodemleven te voeden. Mogelijke aanvoerposten zijn dierlijke mest, gewasresten, groenbemesters of compost.
Relatie met bodemleven?Organische stof in combinatie met een actief bodemleven heeft een positief effect op biologische, chemische en fysische aspecten van bodemkwaliteit. Vers, N-rijk materiaal kan leiden tot een verhoogde ziektewering van de bodem. Echter in sommige gevallen kan een uitbraak van pathogenen het gevolg zijn. Gemakkelijk afbreekbare organische stof kan een forse bijdrage leveren aan het beschikbaar komen van N, P en S. Stabielere organische stof is van belang voor de capaciteit van de bodem om nutriënten zoals K, Mg en Ca te binden en vocht vast te houden. Door de microbiële omzettingen van organische stof kan ook de bodemstructuur verbeteren, onder andere door de afgifte van slijmstoffen die de aggregatie bevorderen.
Voor welke situaties?Voor een vitale, weerbare bodem is regelmatige aanvoer van organisch materiaal noodzakelijk. Voor het verhogen van de nutriëntenlevering van uw grond kan beter N-rijke organische stof, zoals dierlijke mest, worden aangevoerd. Om  het gehalte stabiele organische stof te verhogen (voor een betere vochtbalans en structuur), kunnen het beste stabiele stoffen zoals compost worden aan gevoerd. De aanvoer van organische stof kan op gespannen voer staan met het werken binnen de gebruiksnormen. De nieuwe denkwijze voor het opstellen van bemestingsplannen is om eerst uit te gaan van de aanvoer van, bijvoorbeeld, compost, en vervolgens te berekenen welke aanvullende bemesting nog nodig is. Een geringe meeropbrengst is vaak voldoende om de meerkosten van de aanvoer van organische stof op te vangen.


Aanvoer verse organische stof

Zie ook onder Maatregel ‘Evenwicht op de OS-balans’

Wat omvat dit?Er voor zorgen dat jaarlijks voldoende N-rijke organische stof wordt aangevoerd om middels mineralisatie in het groeiseizoen voor een deel te voorzien in de stikstofbehoefte van het gewas (en andere organisch gebonden voedingsstoffen zoals P en S).
Relatie met bodemleven?Gemakkelijk afbreekbare organische stof kan een forse bijdrage leveren aan het beschikbaar komen van N, P, S en sommige spore-elementen. De mineralisatie vindt grotendeels plaats in het jaar van toediening. Het restant komt in latere jaren beschikbaar.
Voor welke situaties?Voor of na de teelt van N-behoeftige gewassen zoals aardappelen. N-rijke bronnen van organische stof zijn dierlijke mest en vlinderbloemige groenbemesters. Er is veel kennis beschikbaar om een keuze te maken uit mogelijke aanvoerbronnen, uitgaande van de gehalten N, P en organische stof. De concrete mogelijkheden zijn mede afhankelijk van de ruimte om N en/of P aan te voeren.

Verbeterde P-benutting

Wat omvat dit?Het bevorderen van de opname van P uit de anorganische bodemvoorraad door het geven van een kleine startgift, een goede vochtvoorziening of (op bouwplanniveau) te kiezen voor gewassen met een hoge fosfaatefficiëntie. Stimuleren van mycorrhiza’s door een laag gebruik van meststoffen, biociden in combinatie met NKG.
Relatie met bodemleven?Een goed bodemleven draagt bij aan de bodem als groeimedium voor het gewas. Dit bevordert de wortelontwikkeling en daarmee de P-opname uit diepere lagen. Een goede vochtvoorziening komt de plant en bodemleven ten goede. Mycorrhiza’s leven in symbiose met gewassen en ruilen de inorganisch P die zij wel kunnen opnemen (maar de plant niet) tegen glucose uit de plant.
Voor welke situaties?De zin van een startgift is voor diverse gewassen aangetoond en kan als praktijkrijpe maatregel worden gezien. Een hoge fosfaatefficiëntie komt voor bij cruciferen zoals bladrammenas en bij vlinderbloemigen. Stimuleren van mycorrhiza’s past goed bij de biologische teelt maar is als maatregel nog weinig concreet (anders dan het verlagen van de P-bemesting)


Bijsturen zuurgraad bodem

Wat omvat dit?Reguleren van de zuurgraad (pH) op het gewenste niveau voor de gewasgroei, veelal afgestemd op het meest renderende gewas in de rotatie. De juiste zuurgraad vanuit chemisch oogpunt gezien is die waarbij de belangrijkste voedingsstoffen in de juiste verhouding voor de plant beschikbaar zijn.
Relatie met bodemleven?De zuurgraad is mede bepalend voor de samenstelling van het bodemvoedselweb. Bacteriën bijvoorbeeld gedijen beter bij een iets hogere pH dan bijvoorbeeld schimmels. Omgekeerd draagt de belangrijkste activiteit van het bodemleven, omzetten van organisch stof, bij aan de bufferende werking van organische stof op de zuurgraad.
Voor welke situaties?De zuurgraad kan in de loop van enkele jaren veranderen, waarvoor een correctie wenselijk kan zijn. Ammoniumhoudende stikstofmeststoffen hebben een verzurende werking. Deze kennis over deze maatregel is praktijkrijp.


Toepassen niet-kerende grondbewerking

Wat omvat dit?Niet-kerende grondbewerking (NKG) in brede zin is een verzamelbegrip voor technieken waarbij de grond minimaal wordt bewerkt tot, eventueel licht wordt opgetild. Veelal wordt alleen de bouwvoor bewerkt. Af en toe losmaken van de ondergrond kan nodig zijn. Ook wordt NKG vaak gecombineerd met een systeem van vaste rijpaden.
Relatie met bodemleven?NKG laat de opbouw van het bodemleven zoveel mogelijk intact. Ploegen daarentegen heeft een verstorend effect op de schimmeldraden in de bodem en brengt schade toe aan de bodemfauna groter dan enkele millimeters (bijv. de pendelaars en strooiselbewoners onder de regenwormen). Na de overstap op NKG kan in enkele jaren een biologisch evenwicht in de bodem ontstaan waarbij de functies van het bodemleven beter zijn dan onder ploegen.
Voor welke situaties?In NL wordt niet-kerende grondbewerking (NKG) ingezet als remedie tegen erosie van löss gronden. Ook zandgronden die makkelijk verdichten kunnen gebaat zijn bij NKG. Steeds meer (biologische) akkerbouwers onderzoeken deze manier van werken, bijv. vanwege de besparingen op brandstof. Onkruidbeheersing kan meer aandacht vragen. Voor het slagen van NKG zijn veelal aanvullende maatregelen nodig, zoals een succesvolle teelt van groenbemesters en andere manieren van vernietigen en onderwerken daarvan. Over de belangrijkste aspecten van NKG is voldoende kennis beschikbaar om hiermee op het eigen bedrijf ervaring te gaan opdoen. Afstemmen van de maatregel op eigen grond/teelt/bedrijf is een belangrijk aandachtspunt.


Vaste rijpaden

Wat omvat dit?Vaste rijpaden wil zeggen dat de rijpaden van trekkers en andere werktuigen altijd en elk jaar op dezelfde plek liggen in een perceel en dat de grond ertussen niet bereden wordt.
Relatie met bodemleven?Het bodemleven in de beteelde grond behoudt een goede ‘behuizing’ en kan daardoor optimaal diensten verlenen.
Voor welke situaties?Kan in biologische en gangbare teelten worden toegepast. Er is veel praktijkrijpe kennis over deze maatregel beschikbaar. Vanwege de noodzakelijke aanpassingen in de mechanisatie is de overstap echter niet voor iedereen eenvoudig te realiseren.


Gebruik van bodemverbeteraars, toevoegmiddelen en zaadcoating

Wat omvat dit?Er zijn tal van producten beschikbaar die aan grond, meststoffen en/of zaaizaad kunnen worden toegevoegd met als doel het verbeteren van de biologische bodemkwaliteit. Deze middelen kunnen bestaan uit micro-organismen en/of organische zuren.
Relatie met bodemleven?De effectiviteit van deze middelen is vaker niet dan wel aangetoond met wetenschappelijke publicaties. De middelen zouden vooral het biologische evenwicht in de bodem bevorderen.
Voor welke situaties?Als zodanig kunnen ze worden ingezet bij zowel een situatie met weinig (weinig mineralisatie, weinig regenwormen) als met veel bodemactiviteit (hoge afbraak organische stof, bodemziekten). Vanwege het ontbreken van een goede onderbouwing van de effectiviteit van veel middelen kan deze maatregel nog niet in algemene zin worden geadviseerd, wel geschikt om in demo’s ervaring mee op te doen.

Alleen berijden bij goede draagkracht

Wat omvat dit?Door het vermijden van rijden bij te natte omstandigheden en door te kiezen voor de juiste soort banden en een aangepaste bandenspanning kan worden voorkomen dat sterke bodemverdichting ontstaat.
Relatie met bodemleven?Bij te zware belasting worden poriën dichtgedrukt, waardoor de hoeveelheid zuurstof en vrij water in de bodem dalen. Daardoor worden de omstandigheden voor het bodemleven ongunstig en kan dat bodemleven minder goed organisch materiaal afbreken. Wortels kunnen minder goed doordringen in verdichte bodem, en komen daar dan water, zuurstof en nutriënten tekort. Op verdichte bodem blijven meer en langer plassen staan, waardoor het zuurstoftekort in de bodem nog groter wordt en het bodemleven nog meer wordt verstoord.
Voor welke situaties?Wacht tot de bodem voldoende is opgedroogd alvorens te gaan rijden en bewerken. Kies de juiste banden voor de belasting en omstandigheden, en pas de bandenspanning aan bij de belasting. Deze kennis over deze maatregel is praktijkrijp.


Ruime vruchtwisseling

Wat omvat dit?Door gewassen met een lagere frequentie terug te laten keren op dezelfde percelen kunnen bodemgebonden ziekten en plagen zich moeilijk handhaven en uitbreiden. Een uitgekiende, ruime vruchtwisseling leidt in het algemeen ook tot een hogere bodemvruchtbaarheid, verbetering van de bodemstructuur en het onderdrukken van onkruid.
Relatie met bodemleven?Veel bodemgebonden ziekten en plagen kunnen hun aantallen alleen opbouwen in aanwezigheid van geschikte waardplanten. In de rotatie wordt een teeltjaar van hun waardplant afgewisseld met meerdere jaren van afwezigheid, waarin de aantallen door natuurlijke sterfte weer afnemen. Gerichte inzet van specifieke groenbemesters kan de sterfte van bepaalde schadelijke aaltjes nog verder vergroten. Verschillende gewassen benutten andere nutriënten uit de bodem of brengen juist nieuwe nutriënten in (stikstofbinding door vlinderbloemigen). Verschillende mate van doorworteling heeft invloed op de structuur, en gewasresten hebben invloed op het organische stof gehalte.
Voor welke situaties?Keuzes in de vruchtwisseling zijn niet alleen op ziekten en plagen of op positieve effecten voor het bodemleven gebaseerd. Ook economische motieven spelen vaak een grote rol. Bij een tekort aan grond voor een ruimere vruchtwisseling is bijv. samenwerking tussen akkerbouwers en/of met veehouders een mogelijke oplossing. De praktijkrijpe kennis over het verruimen van de vruchtwisseling betreft vooral het terugdringen van bodemgebonden ziekten en plagen. De relatie tussen vruchtwisseling en algemene bodembiodiversiteit is nog weinig concreet uitgewerkt.


Verminderen chemische middelen

Wat omvat dit?Terughoudendheid bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de keuze van middelen die in de Milieumeetlat (www.milieumeetlat.nl) geen of een geringe belasting voor het bodemleven hebben, om schadelijke effecten op dat bodemleven te vermijden.
Relatie met bodemleven?In de bodem komen tussen de 100 en 500 soorten insecten en tussen de 500 en 1000 soorten schimmels voor. Die spelen allemaal een rol in de processen van bodemvorming, afbraak van organische stof, enz. Het is onvermijdelijk dat (bovengronds) toegepaste insecticiden en fungiciden ook een (onbedoeld) neveneffect hebben op deze soortgroepen in de bodem. Helaas is over de ernst van die effecten weinig bekend en wordt daar in Nederland nauwelijks onderzoek naar gedaan. Sommige gewasbeschermingsmiddelen, maar ook meststoffen, zijn in testen sterk giftig voor regenwormen gebleken.
Voor welke situaties?Vooral bij middelen die bij herhaling worden toegepast is het raadzaam om etiketten goed te lezen op mogelijk beschreven neveneffecten op regenwormen en andere bodemfauna. Bedenkt dat in de waterfilm rondom gronddeeltjes en het water in poriën heel veel bodemorganismen leven. Middelen toxisch voor waterleven kunnen dus ook in de bodem allerlei groepen bereiken. Check ook de Milieumeetlat (www.milieumeetlat.nl) voor mogelijke effecten en voor eventuele alternatieve, minder schadelijke middelen. Helaas is het huidige kennisniveau over effecten van middelen op juist de bodembiodiversiteit te laag om bij de middelenkeuze rekening mee te kunnen houden.

Teelt van groenbemesters, o.a. vlinderbloemigen

Wat omvat dit?Groenbemesters kunnen een zeer positieve rol spelen bij het in conditie houden van de bodem. Via hun invloed op structuur (doorworteling), mineralenhuishouding (voorkomen uitspoeling, bij vlinderbloemigen: biologische N-binding) en bodemgezondheid (extra OS) leveren ze hun bijdrage aan een duurzame bodemkwaliteit.
Relatie met bodemleven?Verschillende effecten op de bodemgezondheid zijn mogelijk: onderdrukken van ziekteverwekkers (allelopathie), stimuleren van ziekteverwekkers (waardplant).
Voor welke situaties?Afhankelijk van de gekozen doelen is de keuze in groenbemesters in principe groot, maar niet elke groenbemester past in het bouwplan. Het is gewenst om bij de keuze gebruik te maken van het Aaltjeschema. Over het palet van mogelijke uitvoeringen van deze maatregel is voldoende bekend om breed te worden opgepakt.


Bescherming vegetatiedek, mulchen

Wat omvat dit?De bodem zoveel mogelijk (tussen planten en tussen rijen) en voor een zo groot mogelijk deel van het jaar (onderzaai of nateelt groenbemesters) bedekt houden met vegetatie, of de bodem afdekken met een laag organisch materiaal (mulchen)
Relatie met bodemleven?Bedekking leidt tot minder extreme opwarming en afkoeling van de bovenste bodemlagen en tot minder uitdroging. De doorworteling van het vegetatiedek en/of de organische stof uit de mulchlaag leiden tot een rijker, actiever bodemleven wat weer leidt tot verbetering van de structuur, een betere nutriënten-beschikbaarheid en meer ziektewering
Voor welke situaties?Mulchen is vooral nuttig gedurende het groeiseizoen op gronden die gevoelig zijn voor uitdroging. Een vegetatiedek is nuttig in het najaar en richting winter, om uitspoeling van nutriënten tegen te gaan en het bodemleven te blijven voeden. Bodembedekking is ook een belangrijke maatregel tegen erosie (Limburg) en verstuiven (o.a. Veenkoloniën). Deze maatregel is praktijkrijp.


Samenwerking met veehouders grond en mest

Wat omvat dit?Door percelen van melkveehouders en akkerbouwers jaarlijks onderling uit te ruilen ontstaat de mogelijkheid voor een ruimere vruchtwisseling.
Relatie met bodemleven?Doordat bijv. aardappelen minder vaak op hetzelfde perceel terugkeren, bouwen bodemgebonden ziekten (bijv. aaltjes) minder op en is minder inzet van gewasbeschermingsmiddelen nodig. Dat laatste heeft weer een positief effect op het bodemleven.
Voor welke situaties?Voor ondernemers die bij gebrek aan grond vast zitten aan een zeer intensief bouwplan biedt samenwerking ruimte voor een ruimere vruchtwisseling. Ervaringen wijzen uit dat dit ook financieel gunstig kan uitpakken voor zowel akkerbouwers als veehouders. Echter, voor sommige bodemproblemen zoals vrijlevende aaltjes of wortellesieaaltjes geeft dit weinig tot geen verlichting. De praktijkervaring leert dat het maken van goede afspraken vooraf een belangrijke succesfactor is.


Bloemrijke akkerranden

Wat omvat dit?De aanleg van meerjarige gras/kruiden-akkerranden en bufferstroken langs percelen, om een schuilplaats en uitwijkplaats te bieden aan bodemfauna voor ongunstige omstandigheden in de akker (zoals ploegen, zwarte braak of een chemisch grondontsmetting)
Relatie met bodemleven?In de bodem onder een soortenrijke akkerrand is de bodemfauna rijker in soorten en aantallen dan in de akker. Soorten regenwormen (pendelaars en strooisel-bewoners) die door ploegen uit akkers zijn verdwenen, kunnen wel overleven in akkerranden. Op dit moment loopt onderzoek of en met welke snelheid deze soorten weer in staat zijn om akkers (geploegd of niet-kerend bewerkt) te her-koloniseren. Voorbeelden van bovengrondse, op de bodem levende fauna (loopkevers) laten zien dat akkerranden zo’n uitwijkfunctie kunnen vervullen. 
Voor welke situaties?Dit is nog geen praktijkrijpe maatregel, onderzoekt (o.a. op de Broekemahoeve in Lelystad en in de Hoeksche Waard) loopt nog. Onderzocht wordt of niet-kerende grondbewerking in combinatie met akkerranden kan leiden tot een herstel van soortenrijke populaties regenwormen.  Meer informatie: mirjam.pulleman@wur.nl

Terug naar bodembiodiversiteit