Secondary menu

Beheersing van valse meeldauw in uien

06/05/2015 - B. Evenhuis, J. Spruijt, C. Topper, G. Kessel en M. Krijger - PPO-agv en PRI

Waar gaat dit over?

In deze samenvatting worden de resultaten van onderzoek naar de beheersing van valse meeldauw in uien kort toegelicht. In 2004 is in opdracht van het Productschap Akkerbouw meerjarig onderzoek gestart om uiteindelijk tot een praktische beheersstrategie voor valse meeldauw (Peronospora destructor) in de teelt van uien te komen.

Hierbij worden de volgende zwaartepunten in het onderzoek onderscheiden:

  • biotoets met eerstejaars plantuien van veldproef bolbesmetting 2010 in februari 2011;
  • voorkomen van systemische aantasting door een chemische/biologische behandeling na het uitplanten van eerste jaarsplantuien;
  • onderzoek naar het infectieproces van eerstejaars plantuien en specifiek de transmissie van valse meeldauw naar de bol en hoe dat te onderbreken;
  • nader onderzoek naar de combinatie van warmte/vocht behandelingen van plantuitjes i.s.m. het bedrijfsleven (RuVoMa);
  • nader onderzoek naar de effectiviteit van loofbranden gericht op een goede timing van de behandeling;
  • timing van loofbranden op basis van het verspreidingsmodel;
  • testen (validatie) verspreidingsmodel valse meeldauw onder praktijkomstandigheden;
  • doorontwikkelen PCR-methode met nadruk op analyse van mengmonsters;
  • afhankelijk van de resultaten een survey opzetten naar de vorming van oösporen in praktijkvelden.

Inleiding

Afgelopen jaren was valse meeldauw (Peronospora destructor) in uien een terugkerend probleem. In 2013 was er weinig aantasting in 1e jaarsplantuien in de praktijk. De valse meeldauw epidemie kwam in de proeven pas halverwege augustus op gang. In 2014 was er sprake van een behoorlijke aantasting in de praktijk.

Alternatieve warmtebehandelingen plantuitjes

In het onderzoek van afgelopen seizoen 2014 is nader onderzocht welke temperatuur minimaal nodig is om sporulatie bij de tweede jaars plantuien te voorkomen. In deze proef zijn proefzakjes met relatief kleine hoeveelheden plantuitjes behandeld.

De stoombehandelingen zijn in samenwerking met RuVoMa uitgevoerd, met vernevelaars waarmee een luchtvochtigheid van 65-75% bereikt werd. De behandelingen hebben bij verschillende beoogde temperaturen plaatsgevonden: 39.5, 40 en 41°C. Omdat de mate van verwachte aantasting zeer laag was (< 0.5%) is er voor gekozen om de behandelduur vast op 24 uur te zetten.

  • Na warme luchtbehandeling bij gemiddeld 39.5, 40 of 41°C gedurende 24 uur kon geen besmetting met valse meeldauw meer vastgesteld worden. In de onbehandelde controle kwam wel valse meeldauw tot expressie, het percentage aantasting lag op 0.15%.
  • De warme luchtbehandeling had geen negatief effect op de mate van opkomst in vergelijking met de onbehandelde controle.
  • De warme luchtbehandeling leek de weggroei van 2e jaarsplantuien in de kas te stimuleren.

Moleculaire detectie Peronospora destructor in plantuitjes

In 2013 werd een enkel pijpje met valse meeldauw aantasting gevonden in eerste jaarsplantuien. Naderhand kon geen aantasting worden vastgesteld in de bol via de biotoets, noch via de PCR.

In 2014 werd in 4 praktijkpartijen eerstejaarsplantuien in de biotoets geen aantasting vastgesteld, ondanks dat de uitjes uit een valse meeldauwhaard afkomstig waren. Met de PCR werd een aanwijzing gevonden dat één partij besmet was. In een zwaar aangetast proefperceel werd met de biotoets een lage mate van aantasting (1 v.d. 800) waargenomen die bevestig werd in de PCR.

In het project teelt voorschriften van het Ministerie van Economische Zaken wordt een kit ontwikkeld waarmee gespecialiseerde bedrijven valse meeldauw in ui kunnen aantonen. Verwacht wordt dat deze kit voor de oogst van eerste jaarsplantuien in 2015 beschikbaar is.

Epidemie, sporulatie en infectie

In het veld werd zowel in 2013 als in 2014 gekeken naar de ontwikkeling van valse meeldauw en naar sporulatie. Onderzocht werd in hoeverre bestaande modellen (1 & 2) en het WUR-model sporulatie en infectie konden voorspellen en in hoeverre sporulatie leidde tot nieuwe valse meeldauw infectie van zaaiuien.

  • In een valse meeldauw haard lijkt het aantal sporulatie momenten door de modellen onderschat te worden als gekeken wordt naar de sporulatiemetingen.
  • De modellen voorspelden de sporulatie beter in 2013 beter dan in 2012.
  • In een valse meeldauw haard kunnen sporen meerdere dagen aanwezig zijn, zonder dat nieuwe sporulatie wordt voorspeld. Deze sporen kunnen dan nog wel lokaal verspreid worden waaruit lokaal nieuwe infecties plaats kunnen vinden.
  • Ook in 2014 bleek sporulatie in een valse meeldauw haard vrijwel dagelijks op te treden hoewel de mate waarin van dag tot dag verschilde.
  • Uit kiemproeven in 2014 bleek dat onder gunstige omstandigheden de aanwezig sporen vrijwel altijd konden kiemen. Het zal dus van de omstandigheden in het veld afhangen of ook infectie kan optreden.
  • Ondanks veelvuldig sporulatie bleef de valse meeldauw aantasting in 2013 beperkt tot 1 hoek van het veld, wat aangeeft dat de verspreiding van de sporen een belangrijke component is in een valse meeldauw epidemie.
  • Voor de timing van de eerste bespuiting lijkt het van belang om sporulatie, gecombineerd met het lange-afstand verspreidingsmoment en de daaropvolgende infectiekans, goed te kunnen voorspellen.