Algemene informatie over schadelijke aaltjes

06/06/2011 - Actieplan Aaltjesbeheersing - Productschap Akkerbouw

In Nederland komen in grond en water cira 1.200 soorten nematoden voor. Ongeveer honderd soorten zijn schadelijk voor planten. Aaltjespopulaties bouwen zich in vergelijking tot insecten en schimmels langzaam op en verspreiden zich in beperkte mate actief. Het is belangrijk in de bedrijfsvoering maatregelen te nemen die de kans op besmetting verkleinen en de vermeerdering van schadelijke aaltjes tegengaan.

Alle informatie is ook terug te vinden in de aaltjesmanagement brochure. Deze brochure zet de meest recente kennis en informatie over aaltjesherkenning en maatregelen voor aaltjesbeheersing op een rij. Met behulp van www.disvruchtwisseling.nl kunnen zomerbloemen en vaste planten op geslachts- en soortnaam worden ingevoerd waarna een overzicht wordt verkregen van het risico op besmetting. In het aaltjeswaardplantschema is na te gaan hoe de schadegevoeligheid en aaltjesvermeerdering van verschillende gewassen is. Het aantal stippen staat voor vermeerdering van het aaltje, de kleur staat voor de schadegevoeligheid. Houd bij het invullen van het bouwplan ook rekening met andere aaltjessoorten die (mogelijk) voorkomen op het perceel. Op www.aaltjesschema.nl staat de meest actuele informatie en kunt u met uw eigen bouwplan een aaltjesschema maken. Door in dit digitale schema dubbel te klikken op een vakje krijgt u meer achtergrondinformatie over die specifieke combinatie van aaltje en gewas.

Cysteaaltjes

De namen van de cysteaaltjes zijn gerelateerd aan de hoofdgewassen waarbij ze schade veroorzaken; peencysteaaltje, erwtencysteaaltje, aardappelcysteaaltje, bietencysteaaltje. Ze zijn sterk gespecialiseerd op één of enkele gewassen en komen op alle grondsoorten voor. De schade door deze aaltjessoorten ontstaat in eerste instantie doordat de larven het wortelstelsel beschadigen. Maar ook door hormonale verstoring van de plantengroei. Als de larven de wortels binnendringen wordt via verstoring van de hormoonhuishouding de fotosynthese in de bladeren geremd en ontstaat schade.

Globodera spp (aardappelcysteaaltjes)

Aardappelmoeheid (AM) wordt veroorzaakt door aardappelcysteaaltjes, welke worden onderverdeeld in twee soorten (1) Globodera rostochiensis en (2) Globodera pallida. Beide organismen staan vermeld op de quarantainelijst van de Europese Unie. Beide soorten aaltjes bestaan uit verschillende groepen: pathotypen genoemd, die verschillen in hun vermogen zich te vermeerderen op bepaalde resistente rassen. Voor Globodera rostochiensis (Ro) zijn dit vijf duidelijk te onderscheiden groepen: Ro1, Ro2, Ro3, Ro4 en Ro5. Ro1 komt in Nederland het meest voor, Ro4 en Ro5 het minst. Bij Globodera pallida is wel veel variatie tussen de populaties maar er zijn geen duidelijk te onderscheiden pathotypen.

Bij de beheersing van AM spelen resistente rassen de belangrijkste rol. De werking van het mechanisme van resistentie is echter niet eenvoudig. Bovendien is er een belangrijk verschil tussen resistente rassen tegen Globodera rostochiensis en resistente rassen tegen Globodera pallida. Meer informatie over achtergronden, regelgeving, bemonstering, bestrijding en beheersing van aardappelmoeheid in de akkerbouw kunt u teruglezen in deze brochure.

Een besmetting met aardappelcysteaaltjes is bovengronds te zien. Tegen het sluiten van het gewas zijn de besmette plekken enige dagen duidelijk herkenbaar als plekken waar de groei ten opzichte van de omgeving iets achterblijft. In het midden van de besmette plek bezorgen de aaltjes de planten enige groeivertraging waardoor het gewas daar net iets later sluit. De zwaarte van de besmetting en de gevoeligheid van het geteelde aardappelras bepalen de grootte van de plek en de mate van groeivertraging. Echte valplekkenValplek met aardappelcysteaaltje waar het gewas het gehele seizoen niet meer sluit, ontstaan pas bij zeer zware besmetting. De vertraging in gewassluiting is echter soms al één of twee aardappelteelten eerder te zien. Vanaf half juni beginnen witte bolletjes zichtbaarVoorbeeld cysten op wortels te worden op de wortels van vatbare rassen. Aan de verkleuring van de cyste is de soort te herkennen. Cysten van Globodera pallida verkleuren van wit naar bruin. Globodera rostochiensis verkleurt van wit, via geel naar bruin. Bij resistente rassen zijn nauwelijks cysten te vinden op de wortels.

Uitgelichte (praktische) informatie over aardappelcysteaaltjes:

Brochure aardappelmoeheid
 Rode lamp over aardappelcysteaaltjes

Cysten aardappelcysteaaltje Verstuiving betekent aaltjesverspreiding! Bloeiende aardappel

Bietencysteaaltje

In Nederland komen twee soorten bietencysteaaltjes voor: (1) Heterodera schachtii (witte bietencysteaaltje) en (2) Heterodera beate (gele bietencysteaaltje). Deze aaltjes komen voor in, zoals de naam al doet vermoeden, suikerbieten. Het IRS stelt in haar jaarverslag 2010 dat ruim 40% van alle suikerbietenpercelen besmet is met het witte bietencysteaaltje. Dit leidt in de meeste gevallen tot opbrengstderving. Een besmetting met bietencysteaaltjes is bovengronds waar te nemenSlapende/platliggende bieten. Ondergronds treft u bij een besmetting vanaf half juni witte bolletjes op de wortelsCysten op de wortel aan. Bij een warm voorjaar zijn deze witte bolletjes eind mei al zichtbaar. Cysten van witte bietencysteaaltjes verkleuren van wit naar bruin. Cysten van gele bietencysteaaltjes verkleuren van wit, via geel naar bruin. 

Uitgelichte (praktische) informatie over bietencysteaaltjes:

Rode lamp over bietencysteaaltjes
Website IRS

Slapende/platliggende bieten Cysten op de wortel Bieten

Wortelknobbelaaltjes

Wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne soorten) veroorzaken vooral problemen op zand-, dal-, zavel en lichtere kleigronden. Ze kunnen zich snel en op veel gewassen vermeerderen. In Nederland zijn de meest belangrijke soorten Meloidogyne chitwoodi, Meloidogyne fallax, Meloidogyne hapla en Meloidogyne naasi. Daarnaast komt Meloidogyne minor incidenteel voor. Meloidogyne naasi is voor de landbouw het minst schadelijk en kan vooral schade geven bij grassen, zomertarwe, uien en suikerbieten. De andere wortelknobbelaaltjes zoals M. chitwoodi, M. fallax, en M. hapla kunnen bij veel akkerbouw-, vollegrondsgroententeeltgewassen en een aantal bolgewassen voor grote problemen zorgen. In de teelt van vaste planten worden de problemen vooral veroorzaakt door M. hapla.

Vanaf 1998 zijn M. chitwoodi en M. fallax quarantaine organismen in de Europese Unie. Hierdoor moet er aan de eisen van fytorichtlijn 2000/29/EG worden voldaan. Volgens deze richtlijn moet al het voortkwekingsmateriaal vrij zijn van M. chitwoodi en M. fallax. Voor pootaardappelen geldt dat deze uit gebieden moet komen waarvan bekend is dat M. chitwoodi en M. fallax er niet voorkomen. In de gebieden waar M. chitwoodi en M. fallax is aangetroffen, geldt een toetsplicht. De NAK bemonstert en onderzoekt de pootaardappelen die verhandeld gaan worden. Bij een incidentele vondst van M. chitwoodi of M. fallax wordt al het pootgoed in een gebied geïnspecteerd. De betreffende partij mag niet meer als pootgoed worden verhandeld.

Mede door het grote aantal waardplanten zijn ze moeilijk te beheersen. van M. minor is nog weinig bekend over de waardplanten. M. chitwoodi en M. fallax zijn quarantaine organismen waarvoor speciale fytosanitaire regels gelden. Ook veroorzaken deze aaltjes een verminderde kwaliteit en opbrengst bij o.a. aardappel, peen, erwten en schorseneer. Dit kan eveeens leiden tot afkeuring.

Uitgelichte (praktische) informatie over wortelknobbelaaltjes:

Brochure wortelknobbelaaltjes
 Website nVWA
 Rode lamp Maïswortelknobbelaaltje
 Rode lamp Bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje
 Rode lamp Noordelijk wortelknobbelaaltje
 Schadewijzer vrijlevende en wortelknobbelaaltjes in de akkerbouw

M. chitwoodi op knol aardappel Valplek in veld suikerbieten Knobbels op peen

Wortellesieaaltjes

Wortellesieaaltjes (Pratylenchus-soorten) veroorzaken wortelrot in een aantal gewassen. Daarnaast kunnen ze zich, zonder schade te veroorzaken, vermeerderen op een zeer groot aantal gewassen. Wortellesieaaltjes komen vooral op de zand-, dal- en lichte zavelgronden voor. Meestal komen er meerdere soorten Pratylenchus gemengd voor. Voor de akkerbouw, bloembollen- en vaste plantenteelt is Pratylenchus penetrans de belangrijkste soort. Naast Pratylenchus penetrans komt het graanwortellesieaaltje, Pratylenchus crenatus, voor. Vooral in combinatie met een lagere pH kan dit wortellesieaaltje schade veroorzaken in o.a. gerst en tarwe. Het bietenwortellesieaaltje, Pratylenchus neglectus, komt ook op zavelgronden voor. Wortellesieaaltjes zijn hun hele leven mobiel. Ze dringen de wortel binnen en banen zich een weg door de wortel tot in het centrale deel. De cellen waar ze geweest zijn, sterven af en verkleuren bruin. Deze bruine vlekjes (lesies) zijn kenmerkend voor de Pratylenchus-soorten. Bij zware besmettingen rot het wortelstelsel weg. De vrouwtjes leggen 30 tot 40 eieren los in het wortelstel of in de grond. Er zijn twee tot drie generaties per jaar. Pratylenchus-soorten versterken het effect van vroege verwelkingsziekte (Verticillium dahliae). Lang is gedacht dat dit komt doordat het aaltje toegangspoorten creëert voor de schimmel. Het blijkt echter dat het aaltje de fysiologie van de plant zodanig verandert dat ook niet-beschadigde wortels vatbaarder worden voor deze schimmels.

slechte sluiting van het gewas Peen blijft stomp Wortels verkleuren van bruin naar zwart

Vrijlevende aaltjes

De term vrijlevend is gereserveerd voor die aaltjessoorten die zich uitsluitend buiten de plant ophouden en de wortels oppervlakkig aansteken. Deze soorten zijn te vinden in de geslachten Rotylenchus, Paratylenchus, Tylenchorhynchus, Longidorus, Xiphinema, Trichodorus en Paratrichodorus. Economisch gezien zijn de Trichodoridensoorten het belangrijkste. Zij komen voor op zandgrond en lichte zavel en zijn relatief mobiel. Paratrichodorus teres is de snelste en komt voor op mariene zandgrond (o.a. Noordoostpolder, Wieringermeer). Trichodorus primitivus is minder mobiel en houdt van lichte zavelgrond (o.a. Zeeland en Lauwersmeer gebied). De overige soorten komen in wisselende samenstelling algemeen voor. Alle Trichodorus- en Paratrichodorus-soorten zijn in staat het tabaksratelvirus (TRV)Kringerigheid, veroorzaakt door tabaksratelvirus (TRV). en het erwtenverbruiningsvirus (PEBV) over te dragen. Trichodoride-aaltjes houden van vochtige omstandigheden. Trichodoriden veroorzaken vooral problemen rond de opkomst van veel gewassen. De kans op schade is groter in een koud en nat voorjaar. De vrijlevende wortelaaltjes hebben zeer veel waardplanten.

Onregelmatige plek met zwakke en gezonde planten Onregelmatige plek met zwakke en gezonde planten Onregelmatige plek met zwakke en gezonde planten Zijwaarts weggroeien en afgestompte wortelpunten

Stengelaaltjes

Stengelaaltjes veroorzaken kroef of bolbroek in uien en sjalotten. De bladeren blijven klein, gedrongen, broos en zijn blauwachtig van kleur. De bollen zelf zijn vaak voos en gebarsten. Bij zware aantasting vallen planten weg.

Aardappelknollen vertonen ingezonken plekken en geven droogrot die tot diep in de knol kan doordringen. Bovengronds zijn zware aantastingen zichtbaar doordat planten in groei achterblijven, bladmisvormingen, verdikte bladstelen en holle stengels laten zien.

In peen ontstaat uitval van kiemplanten en in een later stadium koprot. Maïsplanten vallen om doordat de stengelbasis wordt aangetast. In erwt zijn de planten bij ernstige aantasting gedrongen, de stengels verdikt en de bladeren klein en gekroesd. In biet veroorzaken stengelaaltjes gedraaide bladstelen en gezwollen, vervormde bladeren die doen denken aan groeistofschade. Veel vaker wordt later in het seizoen de kop van de biet aangetast. Bij ernstige aantastingen in tulp ontstaan in de bladeren en bloemen gaten met rafelige randen. Vaak is de stengel vlak onder de bloem aan één kant aangetast, waardoor deze krom groeit en de bloem scheef op de stengel komt te staan.

De teelt van uitgangsmateriaal op besmette percelen wordt sterk afgeraden, omdat het geproduceerde uitgangsmateriaal niet besmet mag zijn.

Stengelaaltjes verkeren het grootste deel van hun leven bovengronds in de plant. Niet alleen stengels, maar ook bloemknoppen en bladscheden zijn favoriete verblijfsplaatsen van dit aaltje. De levenscyclus is bij 15°C in drie weken rond. Het vrouwtje legt per generatie tot wel 500 eieren. De minimumtemperatuur voor het leggen van eieren ligt tussen de 1°C en 5°C. Deze eigenschappen zorgen ervoor dat zeer lage besmettingsniveaus gedurende het groeiseizoen oplopen tot zware besmettingen en deze leiden tot problemen met de groei. Vooral bij koud en vochtig worden de plekken steeds groter. In de bewaring gaat de aantasting door. Jonge aaltjes kunnen vele jaren overleven, zowel in de grond als op plantmateriaal en in zaad. Lange overlevingsduur zonder waard Stengelaaltjes kunnen in principe op alle grondsoorten voorkomen. Vanwege de lange overleving vormen ze vaker een probleem op zware gronden. De overleving is in zware grond langer dan op de zandgronden. In klei met meer dan 30% afslibbaar kunnen de stengelaaltjes het meer dan tien jaar zonder waardplant uithouden. Er zijn meer dan 20 verschillende rassen van het stengelaaltje bekend met kleine verschillen in waardplantreeks. Het uien/roggeras is het belangrijkst. Uiterlijk zijn de soorten niet van elkaar te onderscheiden. De lange overleving en de moeilijkheden bij de identificatie van de soort maken een concrete advisering op het gebied vruchtwisseling praktisch onmogelijk.

Uitgelichte (praktische) informatie over stengelaaltjes:

 Rode lamp Stengelaaltjes