Secondary menu

Teelthandleiding zomertarwe

01/01/2005 - L. van den Brink - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In de teelthandleiding zomertarwe is informatie te vinden over de teelt, oogst, bewaring en verwerking van zomertarwe.

Algemeen

Het areaal zomertarwe fluctueert sterk over de jaren (tabel 1).

Tabel 1. Areaalontwikkeling zomertarwe in Nederland in de jaren 2002 t/m 2009 (Bron: CBS).
Jaar 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
Areaal (ha) 22.650 24.000 20.800 20.650 19.600 16.900 15.900 22.100

In verband met het hogere opbrengstpotentieel wordt meestal de voorkeur gegeven aan wintertarwe. Alleen in jaren dat er vanwege slechte weersomstandigheden in de herfst minder wintertarwe uitgezaaid kan worden, wordt er meer zomertarwe uitgezaaid. In tegenstelling tot wintertarwe is er bij zomertarwe voor de generatieve ontwikkeling van de plant geen vernalisatie nodig. Tot half december heeft het zaaien van wintertarwe de voorkeur boven het zaaien van zomertarwe. Bij zaai in de tweede helft van december en in januari kan van zomertarwe een vergelijkbare opbrengst verwacht worden als van wintertarwe. Bij zaai na januari is de kans te groot dat wintertarwe niet of onvoldoende generatief wordt en verdient het altijd de voorkeur om zomertarwe te zaaien.
Op biologische bedrijven wordt vrij algemeen de voorkeur gegeven aan zomertarwe boven wintertarwe. Dit heeft o.a. te maken met het feit dat onkruid in zomertarwe beter mechanisch is te bestrijden dan in wintertarwe. In de herfst en de winter laten de bodemomstandigheden meestal geen mechanische onkruidbestrijding toe.
Afgezien van het verschil in vernalisatiebehoefte verloopt de groei en ontwikkeling van zomertarwe op dezelfde wijze als bij de wintertarwe. Voor meer informatie hierover en ook over de invloed van groeifactoren wordt dan ook verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe.

Zaaien

Zaaitijd

De optimale zaaiperiode van zomertarwe is zo vroeg mogelijk in het voorjaar zodra de grond dit toelaat. Structuurbederf dient voorkomen te worden. Naarmate zomertarwe later gezaaid wordt, neemt de opbrengstpotentie van het gewas af. Op basis van zaaitijdenproeven die in het verleden door de Rijksdienst Ijsselmeerpolders zijn uitgevoerd wordt de afname van de opbrengst in vergelijking met zaaien in februari als volgt ingeschat:

  • Bij zaaien eind maart/begin april : 10%
  • Bij zaaien half april : 20%
  • Bij zaaien eind april/begin mei : 40%

Zaaizaadhoeveelheid

Bij de inzaai van zomertarwe zal moeten worden uitgegaan van gezond en kiemkrachtig zaaizaad. Dit is niet alleen gunstig voor de veldopkomst, ook de beginontwikkeling van de kiemplant wordt bevorderd. Het gebruik van ontsmet zaaizaad is te prefereren.
Om hoge opbrengsten te bereiken is een regelmatig bestand van 250 tot 275 planten per m² gewenst. De hoeveelheid zaaizaad die hiervoor nodig is, is afhankelijk van het duizendkorrelgewicht en de geschatte veldopkomst. Onder goede omstandigheden is de veldopkomst nauwelijks lager dan de op het NAK-label vermelde kiemkracht. Door een onregelmatige diepteligging (droogliggen, wegpikken door vogels), het zaaien onder koude omstandigheden, structuurproblemen, slemp of schimmelziekten kan de opkomst minder gunstig zijn. De opkomstpercentages in de praktijk variëren veelal van 70% tot 95%. Het duizendkorrelgewicht is sterk afhankelijk van het ras, maar varieert ook van jaar tot jaar en van partij tot partij, en staat vermeld op het NAK-label. Het duizendkorrelgewicht ligt meestal tussen de 40 en 55 gram.

De hoeveelheid zaaizaad in kg per ha kan als volgt worden berekend:

(Gewenste aantal planten per m2 x duizendkorrelgewicht)/ geschatte veldopkomst in %

Onderstaande tabel geeft afhankelijk van het duizendkorrelgewicht en de omstandigheden bij het zaaien een overzicht van de benodigde hoeveelheden zaaizaad in kg per ha.

Omstandigheden bij het zaaien Duizendkorrelgewicht (DKG)
40 45 50 55
Zeer goed 115 130 145 160
Gemiddeld 125 140 155 175
Slecht 155 175 195 215

Voor zaaibedbereiding, zaadverdeling en zaaidiepte wordt verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe.

Rassenkeuze

Voor de teelt van zomertarwe komen uitsluitend rassen in aanmerking die zijn geregistreerd. Bij voorkeur zal gekozen worden voor rassen die vermeld staan in de jaarlijks verschijnende "Aanbevelende rassenlijst voor landbouwgewassen". Deze rassen zijn meerdere jaren beproefd op hun landbouwkundige eigenschappen en hebben daarbij voor Nederlandse omstandigheden bewezen een oogstzeker en productief ras te zijn. Bij de keuze van het ras wordt rekening gehouden met grondsoort en de bestemming van het product. Daarom maakt de bovenvermelde rassenlijst onderscheid tussen teelt op kleigrond en teelt op zand- en dalgrond en worden rassen onderscheiden voor de geschiktheid voor broodbereiding.
Behalve de "Aanbevelende Rassenlijst" is er een "Nationale Rassenlijst", waarop rassen staan vermeld waarvan de productiviteit en de gevoeligheid voor legering en ziekten aan bepaalde minimumeisen voldoen. Daarnaast mogen in Nederland ook rassen verhandeld en ingezaaid worden die in een ander EU-land zijn erkend. Het betreft veelal rassen, waarvan voor de teelt onder Nederlandse omstandigheden geen gegevens bekend zijn of waarvan de landbouwkundige eigenschappen onvoldoende bleken.

Voor actuele informatie aangaande rassenkeuze wordt verwezen naar de jaarlijks verschijnende "Rassenlijst van landbouwgewassen" of het eveneens jaarlijks verschijnende rassenbulletin zomertarwe.

Bemesting

Algemeen

De bemesting van zomertarwe beperkt zich veelal tot stikstof. De voorziening van de elementen fosfor en kalium geschiedt meestal in bouwplanverband voorafgaand aan aardappelen en suikerbieten; alleen in graanrijke bouwplannen worden deze elementen ook aan tarwe toegediend. Voor algemene aspecten ten aanzien van de bemesting wordt verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe.

Stikstofbemesting

Gemiddeld genomen zal het nodig om een zomertarwegewas te bemesten met ca. 170 kg N/ha. Om een optimale gewasontwikkeling te krijgen is het nodig om de stikstof in meerdere giften te geven.

Eerste gift
De eerste gift dient voor of direct na het zaaien gegeven te worden. Deze gift is bedoeld om een snelle beginontwikkeling en een goede spruit- en aarontwikkeling te realiseren. Om de hoogte van de eerste gift vast te stellen is het nodig om de voorraad minerale stikstof (N-min) te bepalen. Voor zomertarwe moet rekening gehouden worden met de N-min in de laag 0 - 60 cm. Als richtlijn voor de hoogte van de eerste gift kan aangehouden worden:

Eerste gift (in kg N/ha): 120 - N-min

Als maximum geldt in verband met het voorkomen van zoutschade een gift van 80 kg N/ha. Bij zeer lage bodemvoorraden kan de berekende adviesgift hoger zijn dan de maximale gift. In dat geval kan het verschil bij de tweede gift worden opgeteld.

Tweede gift
De tweede gift dient gegeven te worden in het 1 à 2 knopenstadium (GS 31-32). Deze gift is er op gericht dat 500 a 600 van de gevormde spruiten zich ontwikkelen tot volwaardige, aardragende halmen. De hoogte van de tweede gift:

Tweede N-gift (in kg N/ha): 50 kg N/ha in het 1 à 2-knopenstadium (GS 31-32)

Indien er bietenblad of een groenbemester is ondergeploegd, kan de stikstof hieruit in de loop van het groeiseizoen vrijkomen. De tweede gift kan dan verlaagd worden met ca. 20 à 30 kg N/ha.

Gewasbescherming

Legering

Het optreden van legering hangt in sterke mate samen met de stevigheid en de lengte van het stro. Beide kenmerken zijn sterk afhankelijk van het ras. Daarnaast is het gewas ook legeringsgevoeliger bij een ruime stikstofvoorziening en indien er veel zaaizaad is gebruikt. Ook kunnen voetziekten, m.n. oogvlekkenziekte (Pseudocercosporella herpotrichoides) de stengelvoet verzwakken. Het gebruik van een groeiregulator is in zomertarwe minder gebruikelijk dan in wintertarwe. Indien er echter aanwijzingen zijn dat het gewas te zwaar kan worden als gevolg van de keuze van een minder stevig ras of als gevolg van groeizame weersomstandigheden, is het gebruik van een groeiregulator aan te bevelen. In zomertarwe kan in GS 30 (begin strekking) chloormequat worden toegepast (0,6 liter per ha; 750 gram chloormequat per liter).

Onkruidbestrijding

Voor algemene informatie over onkruidbestrijding in tarwe wordt verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe. Bij zomertarwe is een groot aantal herbiciden toegelaten. Het sortiment herbiciden verandert voortdurend door opname van nieuwe en afvoer van oude middelen. Actuele informatie hierover wordt jaarlijks samengebracht in de handleiding "Gewasbescherming in de Akkerbouw en Veehouderij", uitgegeven door de Dienst Landbouw Voorlichting (DLV). In deze handleiding is ook informatie te vinden over de werking van de meest gebruikte middelen op de meest van belang zijnde onkruiden.

Bestrijding van ziekten

Zomertarwe kan door verschillende schimmelziekten worden aangetast. De opbrengstderving die door een aantal ziekten veroorzaakt kan worden, kan oplopen tot meer dan 50%. Een aantal preventieve maatregelen, zoals het gebruik van gezond zaaizaad en resistente rassen, kan er voor zorgen dat de ziekte-aantasting beperkt blijft. Meestal zal er echter een aanvullende ziektebestrijding nodig zijn om een hoge opbrengst te kunnen bereiken. In zomertarwe kunnen dezelfde ziekten optreden als in wintertarwe. Voor informatie over deze ziekten wordt dan ook verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe.
In zomertarwe zijn diverse fungiciden toegelaten, die één of meerdere ziekten kunnen bestrijden. Het sortiment aan chemische middelen verandert voortdurend door opname van nieuwe en afvoer van oude middelen. Actuele informatie over gewasbeschermingsmiddelen wordt jaarlijks samengebracht in de handleiding "Gewasbescherming in de Akkerbouw en Veehouderij", uitgegeven door de Dienst Landbouw Voorlichting (DLV). In deze handleiding is ook informatie te vinden over de werking van de meest gebruikte middelen op de verschillende ziekten.

Bestrijding van plagen

In zomertarwe kunnen dezelfde plagen optreden als in wintertarwe. Voor informatie over deze plagen wordt dan ook verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe. Actuele informatie over gewasbeschermingsmiddelen wordt jaarlijks samengebracht in de handleiding "Gewasbescherming in de Akkerbouw en Veehouderij", uitgegeven door de Dienst Landbouw Voorlichting (DLV). In deze handleiding is ook informatie te vinden over de werking van de meest gebruikte middelen op de verschillende plagen.

Oogst en bewaring

Ten aanzien van de oogst en de bewaring van zomertarwe wordt verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe.

Verwerking, kwaliteit en afzet

Ten aanzien van de verwerking, kwaliteit en afzet wordt verwezen naar de teelthandleiding wintertarwe.