Secondary menu

Teelthandleiding zetmeelaardappelen - ziekten en plagen

15/12/2003 - A. Veerman - Agrobiokon / PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding zetmeelaardappelen wordt ingegaan op de ziekten en plagen die een rol spelen bij de teelt van zetmeelaardappelen.

Algemeen

Het aardappelgewas kan worden aangetast door een veelheid van ziekten en plagen die het loof of de knollen – en soms beide – kunnen aantasten. Afhankelijk van de aantasting wordt de opbrengst of kwaliteit van de knolopbrengst verlaagd of kan zelfs geheel verloren gaan. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste in Nederland voorkomende ziekten en plagen behandeld. De beschrijving van symptomen en mogelijke maatregelen zijn vooral beschreven voor Nederlandse omstandigheden.
Voor de beschrijving van een aantal meer incidenteel voorkomende aantastingen en voor buiten Nederland voorkomende aantastingen en omstandigheden wordt verwezen naar het Aardappelziektenboek.

Ziekten veroorzaakt door schimmels, bacteriën en virussen

Phytophthora

Algemeen
De belangrijkste ziekte in aardappelen, de aardappelziekte, wordt veroorzaakt door de schimmel Phytophthora infestans (strikt taxonomisch genomen wordt Phytophthora niet meer tot de schimmels gerekend maar tot de Oömyceten). Deze ziekteverwekker kan bij vatbare rassen in een tijdsbestek van één à twee weken het loof volledig vernietigen. Ook de knollen kunnen worden aangetast, waardoor deze verrotten. In de jaren ’80 en ’90 is de populatie van de schimmel, ook in Nederland, in snel tempo vervangen door een veel agressievere. Dit was het gevolg van het feit dat na de introductie van het A2-type in de jaren ’70 geslachtelijke voortplanting van de schimmel mogelijk werd. Bovendien is deze populatie in staat om oösporen te vormen; rustsporen die langdurig in de grond kunnen overleven. Op enkele gevoelige rassen na zijn de meeste zetmeelaardappelrassen matig vatbaar.

Symptomen
De aardappelziekte kan bovengronds zowel het blad als de stengel aantasten. Op de blaadjes ontstaan waterige, niet scherp begrensde vlekken van 1 à 2 cm doorsnede (Afbeelding 1). Op deze vlekken kan bij hoge relatieve luchtvochtigheid binnen enkele uren een dunne laag wit schimmelpluis van sporendragers ontstaan, meestal aan de onderzijde van het blad. Binnen een dag wordt dit gedeelte van de vlekken bruin. Aan de randen van de vlekken groeit de schimmel op dezelfde wijze verder totdat het hele blaadje is aangetast of het blad afsterft. Op de grens tussen groen en bruin blad is vaak een lichtgroene zone zichtbaar. Droogt een aangetaste plek op dan is de ziekte lastig te onderscheiden van bijvoorbeeld Botrytis. Een eenvoudige test, die een grote mate van zekerheid kan verschaffen of het werkelijk om Phytophthora gaat, is de volgende: stop enkele aangetaste blaadjes in een plastic zak, voeg er een paar druppels water bij en leg het afgesloten zakje bij kamertemperatuur (20 - 22°C) weg. De volgende dag kan Phytophthora worden herkend als zich aan de onderkant van de aangetaste blaadjes wit schimmelpluis heeft gevormd.
Op een aangetaste stengel komen grote, langwerpige, grauwbruine tot bruinzwarte vlekken voor die later vaak de hele stengel omringen. Deze stengels zijn op de plaats van aantasting zeer gevoelig voor breuk. Stengelaantasting komt relatief vaak voor in jonge, nog niet gesloten gewassen. In tegenstelling tot aangetast bladweefsel kan de schimmel in aangetast stengelweefsel lange tijd actief blijven en bij gunstige omstandigheden weer gaan sporuleren. Aantasting van de stengel kan ook vanuit een aangetaste moederknol ontstaan.
Sporen kunnen in vochtige grond enige weken overleven. Via regenwater of beregening kunnen ze naar de knollen worden gespoeld. Vanuit kiemende sporen kan de schimmel via lenticellen en beschadigingen de knol binnendringen. Op de knollen is een beginnende aantasting zichtbaar als blauwachtige, door de schil schemerende vlekken. Het onderliggende knolweefsel is oppervlakkig aangetast en licht roestbruin van kleur. Een dergelijke aantasting wordt 'jong ziek'’ genoemd. Bij voortschrijdende aantasting droogt het knoloppervlak op onregelmatige wijze meer of minder in waardoor een bobbelig oppervlak ontstaat. Bij doorsnijden is het aangetaste weefsel gekenmerkt door strengen roodbruin verkleurd weefsel die op het oog gezond weefsel omsluiten. Knolaantasting komt meer voor naarmate de grondsoort vochtiger is. Op de in het algemeen drogere zand- en dalgronden komt knolaantasting relatief minder voor dan op kleigronden. Er worden dan ook in de praktijk weinig problemen met knolphytophthora ondervonden.
Bij hoge luchtvochtigheid vormt zich op aangetaste knollen sporulerend schimmelpluis waardoor de ziekte zich tijdens de bewaring in kuil of schuur verder kan ontwikkelen. Aantasting door de aardappelziekte wordt vaak gevolgd door secundair optredend natrot. Het is vooral het secundaire natrot waardoor de bewaarbaarheid van aangetaste partijen een probleem kan worden.

Afbeelding 1. Phytophtora.

Levenswijze
Op aangetaste bladeren en stengels worden grote aantallen sporen gevormd die worden verspreid door de wind of met opspattende waterdruppels. Kieming van sporen en infectie gebeurt alleen in water. Er is dus dauw of regen nodig. Voorts zijn kieming en infectie afhankelijk van de temperatuur. Er wordt vanuit gegaan dat de kieming van de spore plus de binnendringingstijd bij 12 tot 18°C voor een vatbaar ras minimaal drie uur duurt. Na binnendringen duurt het tenminste drie dagen voordat de schimmel weer naar buiten komt en sporendragers met sporen vormt (zie ook het schema van de levenscyclus van Phytophthora infestans). Om tot sporenvorming te komen, moet er in het gewas gedurende langere tijd een relatieve luchtvochtigheid van meer dan 90% heersen. Voor de oude schimmelpopulatie was dat minimaal 10 uur; voor de nieuwe populatie is dat nog niet bekend maar gezien de sterk verhoogde agressiviteit mag er van worden uitgegaan dat deze periode tenminste 20 tot 30% korter zal kunnen zijn. Bij 15 tot 20°C duurt de cyclus van spore via een aangetaste plek tot een nieuwe generatie sporen drie tot vier dagen, mits de omstandigheden daarvoor gunstig zijn. Bij temperaturen boven de 27°C en beneden circa 2°C staat de groei van de schimmel stil.
De ontwikkelingsgang van de aardappelziekte wordt gelukkig vaak onderbroken: bij droog weer (relatieve vochtigheid < 90%) kunnen geen sporendragers en sporen worden gevormd; als geen vrij water op de plant aanwezig is, kunnen de sporen niet kiemen en binnendringen. Zijn er wel sporen gevormd, maar schijnt de zon overdag enkele uren, dan zullen veel sporen door ultraviolet licht en door de droogte worden gedood. Op dit soort gegevens zijn beslissingsondersteunende systemen geënt.
Phytophthora overwintert als schimmeldraden in aangetaste knollen. De kans dat de ziekteverwekker in de winter in het veld in knollen overleeft, is klein omdat aangetaste knollen onder die omstandigheden gemakkelijk wegrotten. In de bewaarplaats is de kans op overleven voor de schimmel veel groter. De schimmel kan ook als oöspore in de grond overleven. Oösporen bleken in kleigrond tenminste twee jaar en in zandgrond tenminste drie jaar nog infectieus te zijn. Gebleken is dat overwinterende oösporen infecties in een volggewas kunnen veroorzaken, zodat ook vanuit de bodem onverwacht infecties kunnen optreden.

Voor de vorming van oösporen zijn de paringstypen A1 en A2 nodig. Bij de oude populatie van de schimmel kwam alleen het paringstype A1 voor en ontstonden dus geen oösporen. Tegenwoordig ontstaan oösporen veelvuldig en des te meer naarmate de temperatuur lager is en het ras in enige mate resistent is. Naarmate het resistentieniveau van het ras verder toeneemt, neemt de kans op oösporenvorming toe, maar neemt het aantal gevormde oösporen zeer sterk af.
Vanuit een (latent) aangetaste knol kan een primair zieke plant ontstaan, waarbij onder voor de schimmel gunstige omstandigheden (relatieve luchtvochtigheid > 90%) sporendragers met sporen op stengels worden gevormd. Deze sporen kunnen andere planten infecteren, waardoor de ziekte zich kan verspreiden. Afvalhopen, waarin aangetaste knollen terecht komen, vormen een groot gevaar voor het vroeg optreden van de aardappelziekte.

Preventie/bestrijding
Zolang er geen volledig resistente rassen zijn zal de bestrijding moeten worden gericht op het voorkómen van de aantasting. Hiertoe zijn zowel bedrijfshygiënische als teelttechnische maatregelen en preventieve bespuitingen onmisbaar.

Bedrijfshygiëne. Phytophthora kan alleen optreden bij aanwezigheid van infectiebronnen. Hierbij kan worden gedacht aan aantasting in aardappelafvalhopen, aardappelopslag, buurpercelen, aangetaste knollen in het pootgoed en oösporen in de grond. Goede preventieve maatregelen, zoals het afdekken van afvalhopen met zwart plastic, controle van pootgoed op de aanwezigheid van door Phytophthora aangetaste knollen en het voorkómen en bestrijden van opslag, zijn de eerste stappen waarmee het optreden van de ziekte kan worden tegengegaan.

Rassen. Tussen de aardappelrassen zijn er grote verschillen in vatbaarheid voor Phytophthora van zowel het loof als van de knollen. Geen enkel ras is blijvend volledig resistent. De resistentie in het loof kan worden veroorzaakt door moeilijker binnendringing, een tragere groei van de schimmel door het blad en door een geringere vorming van sporen. Daardoor ontwikkelt de epidemie zich langzamer (Figuur 1).

Figuur 1. Modelberekening van het verloop door Phytophthora infestans in een vatbaar en een partieel resistent aardappelras (naar Dellaert et al., 1989).

Naarmate de knolresistentie beter is, worden de knollen minder gemakkelijk aangetast. Loof- en knolresistentie zijn lang niet altijd aan elkaar gekoppeld.
In de Beschrijvende Rassenlijst voor Landbouwgewassen is voor de schimmel de mate van vatbaarheid van loof en knol aangegeven (Tabel 1). Door de andere eigenschappen van de nieuwe Phytophthora-populatie ten aanzien van resistentie zijn deze cijfers niet betrouwbaar meer en er vindt dan ook onderzoek plaats dat nieuwe, betrouwbare cijfers moet opleveren.

Tabel 1. Vatbaarheid van enkele zetmeelaardappelrassen voor Phytophthora (Rassenlijst, 2003).
RassenVatbaarheid
LoofKnol
Aveka77,5
Karnico86
Kartel86,5
Katinka6,59
Mercator87,5
Mercury98,5
Nomade58
Seresta78
Starga5,54,5

2 = zeer sterk vatbaar, 5 = vrij sterk vatbaar, 7 = vrij weinig vatbaar, 10 = resistent

Matige stikstofbemesting. De kans op infectie wordt behalve door het ras ook bepaald door de zwaarte van het loof. Bij veel loof droogt het gewas langzamer op waardoor de omstandigheden voor Phytophthora gunstiger worden en de ziekte meer kans krijgt zich uit te breiden. Het is dan ook niet wenselijk om meer stikstof te geven dan nodig is om het gewas gedurende het hele seizoen groen te houden. Stikstofdeling waarbij het laatste deel van de gift afhankelijk wordt gesteld van de stikstofstatus van het gewas (zie Hoofdstuk Bemesting) kan hierbij een hulpmiddel zijn.

Tijdige loofvernietiging bij loofaantasting door Phytophthora. Als de grond vochtig is bij het optreden van sporulatie kan knolaantasting plaatsvinden. In dat geval kunnen de sporen in de grond overleven en door regen naar de knollen worden gespoeld. Vooral bij aanhoudend nat weer moet het loof van vatbare rassen met een snelwerkend middel (waaraan een fungicide met sporendodende werking is toegevoegd) worden vernietigd, zodra bij 20% of meer van de planten één of meer blaadjes is aangetast. Als het loof aan het eind van het groeiseizoen al voor een aanzienlijk deel is afgestorven, neemt de opbrengst nauwelijks meer toe, terwijl de kans op aantasting door Phytophthora blijft bestaan. In zulke gevallen is het verstandig om het loof te vernietigen. Hierdoor kan een aantal bespuitingen worden uitgespaard en wordt ook de kans op oösporenvorming verminderd.

De wijze van rooien. Bij het rooien kunnen aanwezige sporen worden verspreid en daardoor kan de knolaantasting worden verergerd. Als het loof tijdens het groeiseizoen is aangetast door Phytophthora, kan het best worden gerooid als de grond droog is. Het is belangrijk dat de knollen goed zijn afgehard en dat knolbeschadiging tijdens het rooien zoveel mogelijk wordt vermeden. De levensduur van sporen is in vochtige zandgrond ongeveer vier weken. In droge grond sterven de sporen snel af.

Droging na inschuren. Door een aangetaste partij zo snel mogelijk droog te blazen, kan uitbreiding van het aantal aangetaste knollen worden beperkt en daarmee de uitbreiding van secundair natrot. Snel drogen is des te belangrijker als moet worden aangenomen dat er tijdens de oogst vitale sporen in de grond aanwezig waren.

Preventieve bespuitingen. Mits middelen tijdig en voldoende vaak worden toegepast, kan infectie in belangrijke mate worden voorkomen. Belangrijke vragen in dit verband zijn: wanneer moet de eerste bespuiting worden uitgevoerd; wanneer zijn verdere bespuitingen nodig en welke middelen verdienen de voorkeur?

Tijdstip eerste bespuiting. Alle stelregels om bij een bepaalde gewashoogte met de eerste bespuiting te beginnen zijn achterhaald. Uitstel van de eerste bespuiting is riskanter naarmate de loofresistentie van het gewas geringer is. Voorkómen moet worden dat het gewas al vroeg wordt aangetast en er daardoor het gehele seizoen extra bespuitingen nodig zijn om verdere uitbreiding tegen te gaan! Er moet daarom begonnen worden met preventieve bespuitingen zodra het optreden van de ziekte in de omgeving of in het eigen perceel wordt verwacht, bijvoorbeeld bij voortdurend nat weer.

Tijdstip vervolgbespuitingen. Of het uitvoeren van een preventieve vervolgbespuiting nodig is, hangt af van het infectiegevaar. Dit gevaar is afhankelijk van de aanwezigheid van de ziekte in de omgeving (in of buiten het perceel), van de weersomstandigheden, van de vatbaarheid van het ras en de mate waarin het gewas nog door voorgaande fungicidebespuitingen wordt beschermd. Dit laatste is weer mede afhankelijk van de groeisnelheid van het gewas (vorming van nieuw blad) en de verwering en afspoeling van het toegepaste middel.

Er wordt dikwijls vanuit gegaan dat een Phytophthora-middel 7 - 10 dagen na de bespuiting is uitgewerkt. Heeft het na de bespuiting geregend, dan kan het middel deels zijn afgespoeld. Na een flinke bui van 10 - 15 mm wordt aangenomen dat de bescherming van het loof met één dag is afgenomen. Door de ontwikkeling van nieuwe bladeren neemt de bedekkingsgraad van het gewas navenant af; het kan dan - indien er sprake is van Phytophthora-druk- bij voor de ziekte gunstige omstandigheden, nodig zijn om reeds binnen vijf dagen een vervolgbespuiting uit te voeren. Een vervolgbespuiting is echter niet nodig zolang de weersomstandigheden voor Phytophthora ongunstig zijn, dus droog weer met dauwloze nachten. Als zo’n spuitvrije periode echter langer dan, bijvoorbeeld, 14 dagen duurt of wanneer een weersomslag dreigt, wordt aanbevolen toch een vervolgbespuiting uit te voeren. De kans op gunstige omstandigheden voor de schimmel is het grootst in het tweede deel van het groeiseizoen en vooral na half augustus. Belangrijk is dat met de bespuitingen wordt doorgegaan tot en met de loofvernietiging. Bij beregenen verdient het de voorkeur kort na het beregenen een bespuiting uit te voeren. Als dit op slecht berijdbare gronden niet mogelijk is dan dient, als de vorige bespuiting vier dagen of langer is geleden, daags voor het beregenen een bespuiting te worden uitgevoerd met het fungicide dat de meeste weerstand biedt tegen afregenen.

Curatieve bespuitingen. De essentie van de bestrijding van Phytophthora is het voorkómen van aantasting. Dit blijkt evenwel niet onder alle omstandigheden haalbaar. Voor de gevallen dat een (vermoedelijke) infectie is opgetreden, is er ook een aantal middelen met een meer of minder curatieve werking beschikbaar.
Deze curatieve middelen kunnen de binnengedrongen schimmel nog onschadelijk maken wanneer binnen 24-48 uur (langer naarmate het ras resistenter is) na de infectie een bespuiting wordt uitgevoerd. Het gewas moet dan wel voldoende vitaal zijn omdat het middel anders onvoldoende in het blad wordt opgenomen.

Stopbespuitingen. Als een gewas onverhoopt toch wordt aangetast is het aan te raden middelen (of combinaties van middelen) in te zetten die de reeds bestaande aantasting in het loof (gedeeltelijk) kunnen stoppen. Afhankelijk van het middel zijn deze in staat:

  1. de schimmel volledig te doden,
  2. de vorming van sporen te remmen of
  3. de sporen zeer effectief te doden.

Middelen die bij een bestaande aantasting de knolaantasting kunnen voorkomen, baseren hun werking veelal op de uitstekende sporendoding.

Bestrijdingsstrategie. De timing van de bespuitingen wordt met name bepaald door de kritieke weersomstandigheden. Bij de keuze van de middelen dienen naast de effectiviteit en werking ook de infectiedruk en groei van het gewas te worden meegewogen. Deze afweging kan per bespuiting worden gemaakt of per blok van bespuitingen.

Chemische middelen. De middelen die het gewas tegen Phytophthora kunnen beschermen, zijn weergegeven in de jaarlijks uitgegeven DLV publicatie ‘Gewasbescherming in de Akkerbouw en Veehouderij’.
Er kunnen drie groepen middelen worden onderscheiden:

  1. contactmiddelen,
  2. preventief werkende middelen (ook wel genoemd: middelen met contact èn translaminaire werking), en
  3. eridicatief werkende middelen (ook wel genoemd: middelen met contact èn systemische werking).

Dosering. Afhankelijk van de risico-analyse en de resistentie van het geteelde ras kan de dosering van het middel worden verlaagd. Met name bij afwezigheid van waargenomen haarden en goede preventieve acties tegen initïele bronnen in pootgoed, opslag en afvalhopen kan de dosering worden verlaagd. Momenteel wordt door Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) onderzoek uitgevoerd om preciezer te kunnen adviseren over de mogelijkheden van verlaagde doseringen in minder vatbare zetmeelaardappelrassen.

Beslissingsondersteunende systemen. Er zijn systemen ontwikkeld die waarschuwen wanneer een gevaarlijke periode voor Phytophthora dreigt of heeft plaatsgevonden. Ze maken gebruik van weersgegevens, die op of in de nabijheid van het betreffende perceel zijn verzameld, in combinatie met de weersverwachting en gegevens over eerder uitgevoerde bespuitingen, het gewasstadium en de Phytophthora-druk in de omgeving van het perceel. Als men er zeker van kan zijn dat het betreffende perceel binnen 24 uur na een kritieke periode berijdbaar is om te spuiten, dan kan in principe na zo’n kritieke periode worden gespoten met een middel met een curatieve werking.
Deze systemen vormen vooral een ondersteuning bij het vaststellen van het tijdstip en de frequentie van bespuitingen voor een optimale ziektebeheersing. Er wordt doorlopend gewerkt aan de verdere verbetering ervan.

Alternaria

Algemeen
De laatste jaren is er sprake van aantastingen door Alternaria solani, terwijl ook Alternaria alternata wordt gevonden. Tot voor enkele jaren was deze schimmel in Nederland op aardappelgewassen vrijwel onvindbaar, wat samenhing met de strikt en frequent uitgevoerde bestrijding van de aardappelziekte met breedwerkende middelen die ook deze ziekte doeltreffend bestrijden. Nu worden op grote schaal minder breed werkende fungiciden frequent gebruikt die tegen Alternaria minder of geheel niet effectief zijn, waardoor deze schimmel nieuwe kansen krijgt. Bovendien houdt spuiten naar behoefte (dit betekent mede gestuurd door de weersomstandigheden) tegen de aardappelziekte in, dat er in warmere perioden minder frequent wordt gespoten.
Juist deze perioden zijn zeer gunstig voor infectie door Alternaria solani. Een opvallend verschijnsel hierbij is dat infecties door Alternaria het gehele groeiseizoen kunnen optreden, maar dat de uitgroei tot bladvlekken pas vanaf halverwege het groeiseizoen tot het eind hiervan gebeurt. Dit kan betekenen dat zich ongemerkt reeds veel nog onzichtbare infecties hebben opgebouwd die dan in een relatief korte periode van één à twee weken tot volle wasdom komen. De op deze vlekken gevormde sporen kunnen dan tot een zodanig snelle uitbreiding van de ziekte leiden dat het gewas in korte tijd te gronde gaat.

Symptomen
De ziekte wordt gekenmerkt door aanvankelijk kleine olijfgroene tot bruinzwarte vlekjes die uitgroeien tot hoekig afgeronde, door de bladnerven ingeperkte bladvlekken met daarin concentrische, min of meer duidelijk zichtbare groeiringen. Bij zeer vatbare rassen groeien deze lesies vrij snel tot ongeveer 1 cm of meer in doorsnede en hebben bij droog en winderig weer een sterke neiging om te scheuren en als het ware uit het blad te vallen.

Levenswijze
Deze schimmel is sterk gebonden aan aardappel en tomaat als waardplant en doet vooral schade in warmere klimaatgebieden. De ziekte overwintert als mycelium en als sporen op aangetaste gewasresten in de grond en kan daar als zodanig vele jaren overleven. Bij neerslag en voldoende hoge temperaturen wordt de schimmel weer actief. Reeds aanwezige en nieuw gevormde sporen kunnen door de wind naar nieuwe waardgewassen worden gevoerd waarna infecties tot stand kunnen komen. Daarmee is de cyclus rond.

Preventie/bestrijding
Belangrijk bij het voorkomen van Alternaria-aantastingen is er zorg voor te dragen dat de minerale voeding van het gewas in goede balans is; vooral een optimale voorziening met de elementen mangaan en magnesium speelt hierbij een cruciale rol.
In gebieden met een Alternaria-geschiedenis dienen de gevoelige aardappelrassen op de daartoe geëigende tijdstippen (rond de bloei en daarna om de twee weken) bespoten te worden met een Alternaria-bestrijdend middel. De middelen die het gewas tegen Alternaria beschermen, zijn weergegeven in de jaarlijks gepubliceerde DLV uitgave ‘Gewasbescherming in de Akkerbouw en Veehouderij’.

Rhizoctonia

Algemeen
De veroorzaker van de ziekte die in de praktijk veelal als Rhizoctonia wordt aangeduid, is de schimmel Rhizoctonia solani. Het is een schimmel die algemeen in de grond voorkomt. De schimmel tast alle ondergrondse stengeldelen van de aardappelplant aan, inclusief de knollen.
Voor de aardappel zijn twee aspecten van de Rhizoctonia-schimmel van belang. Het eerste is dat binnen deze schimmelsoort verschillende groepen bestaan, die binnen die groep op asexuele wijze genetische informatie kunnen uitwisselen via het versmelten van schimmeldraden (anastomose). Daarom wordt er wel van anastomosegroepen gesproken. Eén van deze groepen, de anastomosegroep 3 (AG 3), is specifiek ziekteverwekkend voor de aardappel, en is verantwoordelijk voor spruit-, stengel- en stoloonaantasting.
Het tweede aspect is dat zogenaamde lakschurft door meerdere anastomosegroepen wordt gevormd. De lakschurft van AG 3 is groter en vitaler dan van de andere groepen en geeft de meeste schade.

Symptomen
Knollen kunnen bezet zijn met lakschurft, de korstvormige bruinzwarte ruststructuur van de schimmel. Deze lakschurft is vooral na het wassen van knollen goed zichtbaar.
Voornamelijk vanuit deze ruststructuur kunnen kiemen en jonge stengels worden aangetast. De aantasting is te herkennen aan licht- tot donkerbruin gekleurde ingezonken plekken op de ondergrondse stengeldelen. Oudere stengels en stolonen kunnen ook vanuit de grond worden aangetast. De ontstane lesies kunnen de jonge stengels en stolonen helemaal omringen waardoor deze afsterven. In het veld wordt een aantasting vanuit besmet pootgoed gekenmerkt door een onregelmatige opkomst en soms zelfs een holle stand. Latere aantastingen vanuit de grond uiten zich vooral door verwelkingsverschijnselen en de ‘knijpende’ toppen van planten, waarbij de topblaadjes zich min of meer opvouwen. Tijdens het groeiseizoen ontstaan de voor deze schimmel kenmerkende witte schimmelmanchetten aan de basis van de stengels.
Als een lesie een stengel omringt, wordt de afvoer van koolhydraten naar de stolonen sterk belemmerd en ontstaan bovengrondse knollen in de bladoksels langs de stengels (luchtknollen).
Aantasting van de stolonen heeft afsterving van de uiteinden tot gevolg met een verminderd knolaantal als resultaat. Door herhaalde vertakking van de stolonen ontstaan dicht bij de stengel vlak onder of aan het grondoppervlak talrijke kleine, vaak misvormde knollen (krielnesten).
Als groeiende knollen worden aangetast kunnen grote schurftachtige lesies ontstaan. Op de plaats van de aantasting wordt de groei geremd, waardoor misvormingen en groeischeuren ontstaan. Daarnaast kunnen knollen met zogenaamde blinde ogen voorkomen, die kiemaanlegsels missen en dus geen kiemen en stengels kunnen produceren.

Preventie/bestrijding
Schade door Rhizoctonia uit zich bij aardappelen in een lagere knolopbrengst, een lager onderwatergewicht, krielnesten (bron voor aardappelopslag), misvormde knollen en een wat grovere sortering in het geval van een verminderde knolaanleg.
Door teeltmaatregelen is het mogelijk de schade door Rhizoctonia te beperken. In de meeste gevallen is dit echter onvoldoende, zodat veelal gebruik wordt gemaakt van chemische middelen voor pootgoed- en grondbehandeling.

Vruchtwisseling. Rhizoctonia komt op zand- en veenkoloniale gronden algemeen voor. In aanwezigheid van de waardplant (aardappel) bouwt de schimmel zeer snel zeer hoge populatiedichtheden op. Bij afwezigheid van de waard stort deze populatie reeds binnen een half jaar zeer snel in tot zeer lage dichtheden, die echter in volgende jaren slechts weinig teruglopen. Zodra weer aardappelen worden geteeld, bouwt de populatie zich weer zeer snel op tot schadelijke niveaus. Vruchtwisseling met aardappelen vaker dan één maal in de vier jaren blijkt als beheersmaatregel dan ook niet te voldoen.

Voorvrucht. In het zetmeelaardappelgebied zijn geen consistente verschillen waargenomen tussen de verschillende voorvruchten of groenbemesters. Dit biedt dus geen mogelijkheid voor een gerichte beheersing van Rhizoctonia.

Voorkiemen, pootdatum en rugopbouw. Met de vorming van groen loof neemt de gevoeligheid van de plant voor Rhizoctonia snel af. Daarom is het van belang dat het gewas snel bovenkomt. Dit kan worden gestimuleerd door het pootgoed voor te kiemen, door niet te vroeg te poten en door niet direct vroeg in het voorjaar een grote rug op te bouwen.

Rasverschillen. Er zijn kleine rasverschillen in resistentie tegen stengelaantasting, de verschillen zijn echter nauwelijks van praktische betekenis.

Lakschurftbezetting pootgoed en vitaliteit van de sclerotiën. Naarmate het pootgoed meer is bezet met vitale sclerotiën van lakschurft is de kans op schade aan het gewas groter. De sclerotiën kunnen in vitaliteit verschillen als gevolg van de activiteit van natuurlijke antagonisten die in de grond voorkomen en Rhizoctonia kunnen doden. Met behulp van een laboratoriumtest is het mogelijk de vitaliteit van sclerotiën vast te stellen. De vitaliteit en de mate van lakschurftbezetting beïnvloeden de schade bij opkomst. Daarom spelen ze een rol in de advisering die gegeven wordt over het al dan niet uitvoeren van een knolbehandeling.

Knolbehandeling. Op pootgoed voor de zetmeelrassen komt altijd Rhizoctonia voor, niet alleen in de vorm van goed zichtbare lakschurft maar ook in de vorm van - met een loupe duidelijk zichtbare - lange gladde roodbruine schimmeldraden en miniem kleine lakschurftafzettingen. Gebleken is dat een pootgoedbehandeling met een daarvoor toegelaten fungicide (zie de handleiding Gewasbescherming) de aantasting beperkt en de opbrengst verhoogt.

Gewone schurft

Algemeen
wordt veroorzaakt door Streptomyces scabiei en andere Streptomyces-soorten die algemeen in de bodem voorkomen. Het is een veel voorkomende ziekte die de opbrengst niet beïnvloedt, maar wordt beschouwd als een kwaliteitsziekte. Schurft verhoogt in zetmeelaardappelen de tarra in de vorm van aanhangende grond en vuilinsluiting in de schurftplekken zorgt voor verontreiniging van het te produceren zetmeel.

Symptomen
Het ziektebeeld kan, afhankelijk van de Streptomyces-soort en het aardappelras, sterk uiteenlopen. Een groot probleem bij het waarnemen is dat poederschurft die in het zetmeelaardappelgebied ook veel voorkomt, ook schurftachtige symptomen veroorzaakt die veelal moeilijk van die van gewone schurft zijn te onderscheiden. In de praktijk onderscheidt men oppervlakkige schurft, diepe schurft en knobbel- of pokschurft (Afbeelding 2). Deze ziektebeelden komen vaak op dezelfde knol voor en gaan in elkaar over.

Afbeelding 2. Gewone schurft.

Levenswijze
Het optreden van gewone schurft wordt in sterke mate beïnvloed door de zuurgraad van de grond (een hoge pH) en de vochtigheid van de grond tijdens de knolaanleg.
Streptomyces scabiei vermeerdert zich vooral op granen en grassen en komt algemeen in de bodem voor. Daardoor draagt de aantasting van pootgoed niet of nauwelijks bij aan de aantasting van de dochterknollen.

Preventie/bestrijding

Beregening. Alleen de jonge lenticellen op de knollen zijn vatbaar voor aantasting door gewone schurft, en dan alleen onder droge omstandigheden.
Een aantasting kan grotendeels worden voorkomen door vanaf het begin van de knolaanleg de grond gedurende drie weken vochtig te houden. De knolaanleg komt meestal twee tot drie weken na opkomst op gang.

Bekalking/verzuring. Streptomyces scabiei groeit optimaal bij een pH van 6,5 tot 7,5. Aangezien in het zetmeelaardappelgebied een pH wordt geadviseerd van 4,8 tot 5,4 zijn de omstandigheden voor deze ziekteverwekker niet optimaal. Voor de beheersing van deze ziekte is het weinig zinvol de pH nog verder te verlagen.
Een bekalking vlak voor de aardappelteelt verhoogt de aantasting door schurft. Als eventueel een bekalking toch gewenst is, verdient het aanbeveling deze niet voor de aardappelteelt uit te voeren, maar voor een andere teelt.

Rasverschillen. Tussen aardappelrassen zijn er vrij grote verschillen in de mate waarin aantasting plaatsvindt. Op schurftgevoelige percelen teelt men bij voorkeur minder vatbare rassen.

Netschurft

Netschurft wordt veroorzaakt door (Streptomyces reticuliscabiei). Aangezien alle zetmeelrassen volledig resistent zijn tegen deze ziekteverwekker wordt netschurft hier verder niet behandeld.

Poederschurft

Algemeen
Poederschurft wordt veroorzaakt door Spongospora subterranea. Deze ziekte komt veelvuldig voor, veel meer dan in het algemeen wordt aangenomen. Dit komt doordat de ziekte een breed spectrum aan symptomen veroorzaakt en de minder typische symptomen gemakkelijk worden verwisseld met die van gewone schurft, veroorzaakt door Streptomyces scabiei. Dat in oudere en nieuwere leerboeken symptomen worden beschreven en afgebeeld als zijnde gewone schurft, die in feite aan poederschurft moeten worden toegeschreven draagt ook bij aan verwarring en het niet onderkennen van deze ziekte.

Symptomen
Aantasting van de wortelharen is met het blote oog niet zichtbaar. De aantasting van ondergrondse plantendelen is aanvankelijk zichtbaar als kleine pukkeltjes die zich binnen één à twee weken ontwikkelen tot aanvankelijk licht gekleurde wratachtige galletjes. In tegenstelling tot wratziekte komen de wratjes van poederschurft ook voor op wortels. Binnen enkele dagen kleuren de galletjes bruin, waarbij de inhoud in korte tijd uiteen valt in een bruin poeder. Op de knol ontstaan pokken, die op een gegeven moment openspringen, doordat de over de lesie liggende huid (vaak stervormig) inscheurt (Afbeelding 3). Overblijfselen van dit huidje blijven lange tijd als vliezige resten aan de randen van de lesies aanwezig. Door het snelle rijpen van de lesies na loofvernietiging zijn na het rooien vaak alleen nog de resterende leeggelopen kratervormige lesies met deze typische huidrestanten zichtbaar. Ook kunnen wratachtige uitsteeksels op de knollen voorkomen.

Afbeelding 3. Poederschurft.

Levenswijze
Uit kiemende sporen van de overwinteringsstructuren (sporenballen) komen zwemsporen vrij, die binnen enkele uren wortelharen kunnen infecteren. Spongospora subterranea tast de wortelharen van vrijwel alle gewassen en onkruiden aan. Na ongeveer vier dagen ontstaan in de aangetaste wortelharen opnieuw zwemsporen die vervolgens weer andere wortelharen aantasten. Dit proces herhaalt zich voor de meeste plantensoorten zolang er wortelharen beschikbaar zijn. Bij aardappelen worden behalve wortelharen ook andere ondergrondse plantendelen aangetast. Hierbij ontstaan de bekende galletjes op wortels en stolonen en worden in knollen sporenballen gevormd. Sporenballen zijn rustsporen die vele jaren in de bodem overleven. Aangezien deze ook de passage door het spijsverteringskanaal van rundvee, paarden en schapen overleven, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de ziekteverwekker met deze mestsoorten wordt verspreid. Dit geldt niet voor varkens- en kippenmest. Een opvallende eigenschap van deze ziekte is verder dat ze zich, in tegenstelling tot gewone schurft, na loofvernietiging plotseling sterk op de knollen kan uitbreiden.

Preventie/bestrijding
Er bestaan grote verschillen in resistentie tussen de rassen. Resistentie biedt goede mogelijkheden tot beheersing van de ziekte. Naast het inzetten van resistentie zijn de mogelijkheden om poederschurft te bestrijden gering.
Het gebruik van schoon pootgoed, een ruime vruchtwisseling (1 : 7 en ruimer) en zorg voor een goede structuur van de grond bieden alle beperkte mogelijkheden om aantasting van de knollen tegen te gaan. Men dient bij beregening niet te grote watergiften ineens aan het gewas te geven. Voor risicopercelen wordt geadviseerd om de grond niet vochtiger te maken dan 75% van de veldcapaciteit van de grond. De effecten van deze maatregelen zijn merkbaar maar niet afdoende. In alle gevallen is het van zeer groot belang om de overgang van zoösporen, die zich ontwikkelen en in stand houden op de wortelharen van andere gewassen in de rotatie en onkruiden, naar het volggewas aardappel te voorkomen. Daarvoor moet tussen het voorlaatste gewas en het aardappelgewas een voldoend ruime periode (enkele maanden) van zwarte braak worden aangehouden. Vooral gescheurd grasland en grasgroenbemesters hebben wat poederschurft betreft als voorvrucht een slechte naam. De consequentie hiervan is dat vóór een aardappelteelt het gras voldoende vroeg in het najaar moet worden gedood en voor de winter moet worden ondergeploegd, zodat de wortels van de graszode op het tijdstip van poten voldoende lang dood zijn.

Fusarium

Algemeen
Fusarium, een droogrot, is niet alleen een typische bewaarziekte, maar is ook te velde een veroorzaker van rot in moederknollen en van wegblijvende en in groei meer of minder sterk achterblijvende planten. Dit laatste verschijnsel wordt de laatste jaren steeds meer waargenomen in samenhang met bewaring van pootgoed met mechanische koeling, waardoor geïnfecteerde poters pas kort voor of na het poten tot ziekte-ontwikkeling komen. Beschadigingen die door afkiemen ontstaan, leiden tot aanzienlijk meer infecties en hieruit voortvloeiend rot van moederknollen. Vooral (herhaaldelijk) omstorten, met name wanneer er sprake is van kieming, zorgt voor sterke uitbreiding van Fusariumaantastingen. Dit komt vooral voor in jaren waarin laat wordt gepoot. Meer besmetting met Fusarium leidt vaak ook tot meer secundair natrot.

Symptomen
Aantasting door Fusarium sulphureum kan al binnen enkele weken na het rooien zichtbaar worden. Aangetaste knollen vertonen uitwendig iets ingezonken plekken, waarop talrijke witroze (Fusarium sulphureum) of wit tot bleekblauwe (Fusarium solani var. coeruleum) schimmelkussentjes kunnen voorkomen. Door het ter plaatse van het rot ineenschrompelen van de schil ontstaan de min of meer concentrische ringen, die typisch zijn voor Fusarium-droogrot.

Levenswijze
Meerdere Fusarium-soorten kunnen droogrot veroorzaken. De twee belangrijkste zijn Fusarium sulphureum en de iets minder agressieve Fusarium solani var. coeruleum. Bij zetmeelaardappelen komt vooral bij zware beschadiging Fusarium avenaceum voor. Deze soorten komen algemeen voor op zowel het pootgoed als in de grond. Het zijn wondparasieten. De verwondingen die ontstaan bij bewerkingen zoals rooien, sorteren en poten (huidbeschadiging, afgebroken kiemen) zijn invalspoorten voor de schimmel. Maar ook beschadigingen veroorzaakt door ziekten zoals Phytophthora infestans en poederschurft en aantasting door aaltjes en insecten bieden Fusarium een kans om de knol binnen te dringen.

Preventie/bestrijding
Tussen de aardappelrassen zijn duidelijke verschillen in vatbaarheid, waarbij een ras resistent kan zijn voor de ene Fusariumsoort en gevoelig voor de andere. De vatbaarheid van de knollen voor Fusarium solani var. coeruleum neemt toe naarmate de aardappelen langer worden bewaard.
Knolbeschadiging bij het rooien en sorteren moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Daartoe moeten de knollen bij het rooien voldoende zijn afgehard en dient voorzichtig te worden gerooid. Hierbij moeten rijsnelheid en valhoogte zo goed mogelijk aan de omstandigheden worden aangepast. Direct na het oogsten moet snel worden gedroogd en moet worden gezorgd voor een goede wondheling. Als ontstane wondjes niet vlot helen, kan de ziekte zich snel uitbreiden. De aardappelen dienen verder koel en droog te worden bewaard.
Groenrooien heeft voor infectie door Fusarium-soorten een sterk ziektewerend effect getoond.
Wanneer bij controle in de herfst reeds Fusarium van betekenis wordt aangetroffen (meestal Fusarium sulphureum), verdient het de voorkeur deze partij niet langer te bewaren. Fusarium solani var. coeruleum is meestal pas later zichtbaar. De aantastingen leiden tot een onregelmatige opkomst, zwakke planten en een holle stand.
Chemische bestrijding van de genoemde Fusariumsoorten is goed mogelijk. Bij Fusarium sulphureum komt algemeen resistentie tegen thiabendazolen voor. Daarom moet bij een behandeling altijd een imazalil-houdend middel worden gebruikt.

Phoma

Zetmeelaardappelrassen zijn weinig of niet gevoelig voor aantasting door Phoma foveata (gangreen), zodat deze ziekte voor de zetmeelaardappelteelt van weinig belang is en daarom hier niet verder wordt behandeld. Voor meer informatie over deze ziekte wordt verwezen naar de teelthandleiding pootaardappelen.

Pythium

Algemeen
De indruk bestaat dat Pythium (waterrot) in de zetmeel-aardappelteelt wel eens voorkomt, maar vaak wordt verward met roodrot, bacterieel natrot en Phytophthora. De bij waterrot betrokken schimmels (Pythium debaryanum, Pythium splendens en Pythium ultimum) komen algemeen in de grond voor en veroorzaken bij veel waardplanten rot en verwelking. Bij aardappelen is vooral de aantasting van de knol bekend. Aantasting treedt op na de vorming van vrij zware wonden en kneuzingen, zoals die ontstaan bij het rooien van onvoldoende afgeharde knollen, of in het algemeen door ruw rooien. Ook contact met erg warme grond en ‘zonnebrand’ bij rooien bij heet zonnig weer schept gunstige condities voor aantasting. In de meeste gevallen begint de aantasting aan de oppervlakte van de knol om daarna via de schors het mergweefsel binnen te dringen. Aangezien het mergweefsel veel vatbaarder is dan het schors- en vaatweefsel breidt de ziekte zich aanvankelijk in het mergweefsel het sterkst uit. Hierdoor kunnen knollen ontstaan die in een zeker stadium van aantasting als het ware “hol “worden.
Ter voorkoming van waterrot dient het rooien bij te hoge temperaturen te worden vermeden. Dit geldt ook voor het rooien van onvoldoende afgeharde knollen en/of te ruw rooien.
In dit verband moet ook worden bedacht dat bij zonnig, warm weer de temperatuur in de ruggen na loofvernietiging door het ontbreken van een beschaduwend gewas zodanig sterk kan oplopen dat de knollen door de hitte worden beschadigd. Deze beschadigingen bieden Pythium de mogelijkheid binnen te dringen en op uitgebreide schaal rot te veroorzaken. Bij pootgoed komt dit veelal tot uiting bij het rooien of kort daarna (binnen enkele weken) in de bewaring.

Symptomen
Pythium- of waterrot is zalfachtig van textuur, en wordt gekenmerkt door donkerverkleuring van het knolweefsel na doorsnijden, soms voorafgegaan door een min of meer duidelijke roodverkleuring. Vaak zijn smalle donkere zones aanwezig die als donkere banden door de schil zichtbaar zijn. In latere stadia vervloeit de knol helemaal en blijft uiteindelijk alleen de schil over. Waterrot gaat vaak over in secundair bacterieel natrot. Door het lekken van de zieke knollen kan de aantasting zich tijdens de eerste weken van de bewaring sterk uitbreiden.

Preventie/bestrijding
Voorkom knolbeschadiging bij het rooien en inschuren zoveel mogelijk. Als de knolschil nog niet goed is afgehard, kan beter niet bij warm weer worden gerooid.

Roodrot

Roodrot wordt veroorzaakt door de schimmel Phytophthora erythroseptica die algemeen in de bodem voorkomt.

Levenswijze
De schimmel komt in de grond voor in de vorm van oösporen en kan als zodanig lange tijd in de bodem overleven. De meest voorkomende wijze van aantasting is dat de schimmel via de wortels de plant binnendringt, wat reeds vroeg in het groeiseizoen kan plaatsvinden. Vanuit de geïnfecteerde wortels worden de stengels aangetast, waarna de schimmel via de stolonen de knollen binnengroeit. De aantasting kan hier tot stilstand komen of zich tot een typisch roodrot ontwikkelen. In het geval van een stagnerende aantasting kan de schimmel met de poter overwinteren en in de vorm van rustend mycelium en/of de er door gevormde oösporen overgaan naar de volgende teelt. Ook directe aantasting van de dochterknollen vanuit de grond kan optreden, maar dit komt minder vaak voor dan via de plant.
Voor infectie van de plant zijn natte anaërobe condities nodig, zoals zich vooral voordoen na hevige (onweers)buien. Speciaal als deze natte omstandigheden optreden na een droge warme periode komen massaal zwemsporen vrij die bij de dan ontstane zuurstofarme omstandigheden de wortels kunnen binnendringen.
Aangetaste knollen vormen een zeer belangrijke bron van besmetting tijdens de bewaring, vooral als de aantasting nog jong is. De ziekteverwekker is één van de weinige die in staat is om vanuit een aangetaste knol de gezonde buurknollen aan te tasten en zich zo uit te breiden. Door het lekken van de aangetaste knollen ontstaat vervolgens ook op uitgebreide schaal bacterieel natrot.

Symptomen
In de stengelbasis ontstaat een enigszins op zwartbenigheid gelijkende, traag verlopende aantasting, waarbij de weefsels beige tot lichtbruin verkleuren. Met de toenemende aantasting van de onderste stengeldelen vormen zich op opvallende wijze luchtknolletjes in de ondergrondse en bovengrondse oksels (Afbeelding 4) soms tot in de bloeiwijzen toe.

Afbeelding 4. Luchtknolletjes veroorzaakt door roodrot (foto: HLB).

Met het voortschrijden van de ziekte raken vanuit de stengelbasis ook de stolonen aangetast. Rond dit stadium treedt verdorring op, gekenmerkt door grote roodbruine tot later donkerbruine vlekken, die meestal begint aan de bladtoppen en bladranden. Deze vlekken kunnen gemakkelijk verward worden met die van Phytophthora. Aangetaste planten steken vaak boven het (gestreken) gewas uit en kunnen de eerste symptomen van verwelking vertonen (Afbeelding 5) of -in een later stadium- van verdorring. In verreweg de meeste gevallen dringt de ziekteverwekker via de bruin tot roodbruin verkleurde zieke stoloon de knol binnen. Aanvankelijk is alleen een lichtbeige tot bruine verkleuring van het weefsel rond het naveleind aanwezig. Binnen enkele dagen kan het lichtbruin gekleurde (vaak met de aardappelziekte verwarde) rot zich snel in de knol uitbreiden.
Het aangetaste weefsel voelt bij knijpen hard en rubberachtig aan (dat wil zeggen dat het weefsel na knijpen terugveert in zijn oude vorm). Bij doorsnijden verkleurt het aangetaste weefsel binnen een kwartier licht rood tot steenrood en na enkele uren zwart. Het zieke weefsel is verder gekenmerkt door een terpentijnachtige geur en druipt bij stevig knijpen.

Afbeelding 5. Eerste symptomen van verwelking.

Preventie/bestrijding
Stagnerende afvoer van water door een slechte structuur van de bouwvoor en/of verdichte lagen (ploegzool, leemhoudende ondergrond, oerbanken) bevordert het optreden van roodrot. Roodrot kan dan ook in belangrijke mate worden voorkomen door te zorgen voor een goede waterafvoer. Naast een goede egalisatie dient het drainerend vermogen van de grond in orde te zijn. Pootgoed afkomstig van partijen met roodrot is verdacht in verband met de aanwezigheid van oösporen. Aangetaste partijen dienen bij het inschuren zo snel mogelijk te worden gedroogd en gekoeld. Het verdient daarbij aanbeveling om geen partijen met meer dan 1% rotte knollen in te schuren. Dergelijke partijen zijn niet snel genoeg droog te blazen om een explosieve uitbreiding van de ziekte te voorkomen.
Zetmeelaardappelgewassen met roodrot moeten zo kort mogelijk voor aflevering worden gerooid en niet in de kuil of de schuur worden opgeslagen, omdat de ziekte zich in het veld van plant tot plant minder snel verbreidt dan van knol tot knol in de bewaring. Percelen waarin een vroege aantasting voorkomt, kan men laten uitzieken, zodat de rotte knollen de schone niet meer versmeren.
De meeste aantasting komt voor op wendakkers, in spuitsporen en op natte perceelsgedeelten. De betreffende aardappelen dienen dan ook als eerste te worden gerooid en moeten zo snel mogelijk worden afgevoerd en verwerkt.
Er zijn in de praktijk opmerkelijke rasverschillen in de mate van aantasting geconstateerd. Bij percelen of bedrijven met een roodrot-historie verdient het aanbeveling om minder vatbare rassen te gebruiken.

Verticillium

Algemeen
Verticillium (verwelkingsziekte) bij aardappelen wordt veroorzaakt door de schimmel Verticillium dahliae. Deze ziekte veroorzaakt een vervroegd afsterven van het gewas. Omdat dit soms vier à zes weken voor het normale tijdstip van afsterven kan optreden, kan een aanzienlijke opbrengstreductie het gevolg zijn. Het zijn vooral de vroege en middenvroege rassen die hiervan te lijden hebben. De schade die de verwelkingsziekte veroorzaakt wordt verergerd door stressfactoren zoals hitte, droogte, waterovermaat en een te gering aanbod van stikstof. Met gevoelige rassen wordt op zandgrond daarom meer schade geleden dan op veengrond.

Symptomen
De meest kenmerkende symptomen voor deze ziekte zijn de eenzijdige bladverkleuring tijdens het afsterven van de bladeren (Afbeelding 6) en de loodgrijze verkleuring van de afgestorven stengels.

Afbeelding 6. Verticillium dahliae.

Levenswijze
Aaltjes, vooral het wortellesieaaltje Pratylenchus penetrans, bevorderen de infectie door Verticillium dahliae. De schimmel heeft een uitgebreide waardplantenreeks en kan in de vorm van microsclerotiën ten minste zes jaar in de grond overblijven, lang genoeg voor alle gebruikelijke aardappelrotaties in Nederland.

Preventie/bestrijding
Binnen de rijpheidsgroepen zijn er verschillen in tolerantie tussen de rassen. Van de zetmeelaardappelrassen lijkt het ras Aveka gevoelig te zijn voor vervroegd afsterven. Op besmette grond kan schade worden beperkt door een evenwichtige bemesting en voldoende vocht gedurende het gehele groeiseizoen. Bepaalde voorvruchten, zoals afrijpende veldbonen, droge erwten en blauwmaanzaad, zorgen voor meer infectiemateriaal in de grond dan andere. Daarom dienen dergelijke gewassen als directe voorvrucht voor aardappelen te worden vermeden. Opbouw van inoculum kan worden beperkt door de wijze van loofdoding. In volgorde van de hierna genoemde methoden neemt de vorming van microsclerotiën op ondergrondse en bovengrondse plantendelen toe: groenrooien, looftrekken, klappen gevolgd door spuiten en volvelds spuiten.

Sclerotinia

Algemeen
Sclerotinia (rattekeutelziekte) wordt veroorzaakt door de schimmel Sclerotinia sclerotiorum, een schimmel die praktisch alle breedbladige gewassen en onkruiden tot waardplant heeft en in ernstige mate kan aantasten. In bouwplannen waarin veel breedbladige gewassen voorkomen kan Sclerotinia tot economische schade in aardappelen leiden.

Symptomen
De schade bestaat uit het breken en het vervroegd afsterven van aangetaste stengels. In deze stengels, die opvallen door een witte kleur en een enigszins opgeblazen uiterlijk, kunnen zoveel sclerotiën worden aangetroffen dat de stengel bij schudden een rammelend geluid maakt. Deze sclerotiën, in de volksmond rattenkeutels genoemd, kunnen jarenlang in de grond overblijven. Ook de knollen kunnen ernstig worden aangetast wat gepaard gaat met een zich snel ontwikkelend lekkend rot. Dit type aantasting komt echter zeer zelden voor.

Levenswijze
Voor het optreden van aantasting dienen er in de eerste plaats sporulerende paddestoeltjes van de schimmel aanwezig te zijn. Deze sporulatie treedt alleen in voldoende mate op tijdens neerslag na een voldoende langdurig droge periode. Daarnaast heeft de schimmel beschadigd weefsel nodig zoals bijvoorbeeld ontstaat na hagel en harde wind.

Preventie/bestrijding
Een bouwplan met veel grasachtigen gaat het optreden van de ziekte tegen. Chemische bestrijding van de ziekte in het veld is mogelijk, maar lang niet altijd lonend. Zie voor toegelaten middelen de handleiding Gewasbescherming in de Akkerbouw. In geval van zware wind- en/of hagelschade na een langdurige droge periode in een vitaal gewas kan op een dermate grote schaal Sclerotinia optreden dat chemische bestrijding zinvol is. Deze dient direct te worden uitgevoerd, vóór de symptomen van een Sclerotinia-aantasting tot ontwikkeling komen. Bij ontwikkeling van Sclerotinia in aardappelen, gepaard gaand met de vorming van sclerotiën dient rekening te worden gehouden met ernstige schade in een gevoelig volggewas.

Wratziekte

Algemeen
Wratziekte wordt veroorzaakt door de schimmel Synchytrium endobioticum. Wratziekte vormt wratten op alle ondergrondse en bovengrondse plantendelen, behalve wortels. Van deze ziekteverwekker komt in Europa een groot aantal fysio's voor waarvan er voor zover bekend drie in het Nederlandse zetmeelaardappelgebied aanwezig zijn, te weten de fysio's 2, 6 en 18. Daarnaast komt fysio 1 voor in Zuidoost-Nederland.

Symptomen
De veroorzaker van wratziekte verandert zowel ondergronds als bovengronds stengeldelen (stolonen, knollen, scheuten en blad) in wratachtige woekeringen (afbeelding 7). Ondergrondse stengeldelen veranderen in bloemkoolachtige structuren die licht gekleurd zijn of groen kleuren als ze bovengronds geraken. Bij aantasting van bovengrondse stengeldelen en blaadjes blijft de oorspronkelijke structuur meestal wel herkenbaar. Na verloop van tijd worden deze wratten bruin tot zwart en vallen uiteindelijk als een donkere (sporen)massa uiteen. De diameter van de wratten varieert van enkele mm’s tot 10 cm, afhankelijk van de gevoeligheid (mate van resistentie) van het ras.

Afbeelding 7. Wratziekte

Levenswijze
Wratziekte is een ziekte die voor kan komen in koele en neerslagrijke klimaatsgebieden (jaarlijks meer dan 700 mm neerslag en een voldoende lange winter met temperaturen < 5 °C). De schimmel tast knollen aan via lenticellen en ogen, die naar het lijkt uit hun rust worden gehaald en zich woekerend tot wratten ontwikkelen. De aantasting ontstaat onder vochtige omstandigheden, waarbij de optimale temperatuur ongeveer 15 °C is.
Na verloop van tijd worden de wratten bruin tot zwart en vallen uiteindelijk als een donkere (sporen)massa uiteen. Naast zomer-sporangiën vormt de schimmel dikwandige winter-sporangiën die zeer persistent zijn en in de grond tientallen jaren infectieus kunnen blijven.
Een gevoelig (vatbaar) ras vormt veel en grote wratten en bouwt daardoor een hoge besmetting op in de grond. Weinig gevoelige rassen vormen weinig en (heel) kleine wratjes en bouwen weinig tot zeer weinig sporenmassa (inoculum) op.

Preventie/bestrijding
Door de persistentie van de wintersporangiën heeft vruchtwisseling weinig of geen effect op de beheersbaarheid van de ziekte. Beheersing van dit quarantaineorganisme heeft daarom plaats door uitsluiting van de teelt van aardappelen op besmet bevonden percelen (teeltverbod) en door het algemeen gebruik van rassen met een bepaalde minimale resistentie. Deze beheersingsstrategie is opgenomen in regels van de Plantenziektenkundige Dienst (PD).

Regelgeving
Teeltverboden worden door de PD opgelegd op besmette (delen van) percelen. Daarnaast stelt de PD een bufferzone vast rondom de besmettingsplek. In de bufferzone mogen alleen volledig resistente aardappelrassen (resistentiecijfer 10) worden geteeld.
Het Hoofdproductschap Akkerbouw (HPA) schrijft voor welke rassen mogen worden geteeld in een groter (preventie)gebied rondom de bufferzone. Voor de teelt van zetmeelaardappelen is het preventiegebied voor fysio 2 en 6 gelijk aan het zetmeelaardappeltelend gebied. In dat gebied mogen alleen zetmeelaardappelrassen met een resistentiecijfer van 6 of hoger worden gebruikt.
Voor fysio 18 is (nog) geen preventiegebied ingesteld en zijn (nog) geen eisen gesteld aan het resistentieniveau van de rassen.
Het preventiegebied voor fysio 1 ligt deels in Noord-Brabant en deels in Limburg.

Advies
Naast het voldoen aan de regelgeving, wordt aanbevolen om bij een verhoogd risico op wratziekte (bijvoorbeeld in nabijheid van een besmetting en/of contacten met mogelijk besmette bedrijven) rassen te telen met een zo hoog mogelijk resistentiecijfer voor het betreffende fysio. Voor de zetmeelaardappelteelt gaat het daarbij om de fysio’s 2, 6 en 18. Bij fysio 18 wordt geadviseerd om bij een verhoogd risico te kiezen voor rassen met een 10 of met een + (zie onderstaande tabel).

Er zijn ruimschoots rassen beschikbaar met een voldoende mate van resistentie tegen fysio 1, 2 en 6. Van enkele rassen is reeds bekend dat zij volledig resistent zijn tegen fysio 18, maar het onderzoek bij het merendeel van de zetmeelrassen wordt eind 2005 afgerond. De eerste voorlopige uitkomsten zijn in de onderstaande tabel opgenomen.

Wratziekte-resistentiecijfers van een aantal zetmeelaardappelrassen
RasFysio 1Fysio 2/6Fysio 18
Albas
10
7
?
Allure
10
8
?
Astarte
10
7
?
Aurora
10
8
?
Avarna
?
9
10
Aveka
?
8
-
Averia
?
10
+
Belita
10
10
10
Ehud
10
7
?
Festien
7
9
?
Kanjer
?
9
?
Kantara
10
9
-
Karakter
8
10
?
Karnico
10
7
-
Kartel***
10
5
-
Katinka
10
10
+
Mantra
?
9
?
Menco
?
7
-
Mercator
10
7
?
Mercury
10
8
-
Nomade
10
8
?
Pallina
10
10
10
Panda
10
10
10
Realist
10
6
?
Seresta
10
10
10
Sophytra
10
8
?
Starga
?
9
?
Stefano
10
7
?
Ulme
10
10
10
Valiant
?
9
?
Vebeca
10
10
+
Vebesta
10
8
?

*) cijfers van 1 (volledig vatbaar) tot 10 (volledig resistent)
? = (nog) niet bekend
**) + = goede score als voorlopige uitkomst uit lopend onderzoek
- = slechte score als voorlopige uitkomst uit lopend onderzoek
***) Kartel mag tot en met 2006 in de zetmeelaardappelteelt worden gebuikt
De omschrijving van de preventiegebieden en de volledige lijsten met toegestane rassen is te vinden op www.hpa.nl - ‘primaire sector’-‘teeltvoorschriften’
Bron: HPA, Den Haag; 2005

Bacterieziekten; Erwinia’s

De meest voorkomende bacterieziekten die in Nederland aardappelplanten aantasten, worden veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Erwinia.

Symptomen
Kenmerkend bij aantasting is een waterig, op zichzelf geurloos, rot dat door de invloed van secundaire bacteriën in een slijmerig, stinkend rot kan overgaan. Deze bacterieziekten worden afhankelijk van de verschijnselen die zij in het veld laten zien zwartbenigheid (veroorzaakt door Erwinia carotovora var. atroseptica) of stengelnatrot (veroorzaakt door Erwinia chrysanthemi) genoemd. Het is echter zo dat met name E. chrysanthemi in staat is al deze symptomen te veroorzaken, zodat aan de hand van de symptomen moeilijk is vast te stellen om welke bacterie het gaat. Om dit vast te stellen is een laboratoriumtoets nodig. Er is een toets beschikbaar die betrekkelijk lage besmettingsniveaus van de specifieke soorten in knollen kan vaststellen. Beide ziekten kunnen in de knollen natrot veroorzaken. Natrot veroorzaakt door een derde Erwinia-soort (E. carotovora var. carotovora) treedt ook vaak secundair op na bijvoorbeeld een Phytophthora-aantasting van de knollen, na roodrot, na Pythium en ook na wateroverlast of bevriezing.

Preventie/bestrijding
Bacterieziekten kunnen op dit moment alleen worden beheerst met preventieve maatregelen. Zwartbenigheid en stengelnatrot gaan met het pootgoed over. Daarom is het van groot belang om gezond pootgoed te gebruiken. Het snijden van pootgoed is in verband met de verspreiding van bacterieziekten een riskante bezigheid. Voorts zijn van belang: een goede structuur en ontwateringstoestand van de grond, het voorkómen dat knollen natregenen bij het rooien en bewaring onder droge en koele omstandigheden.
Bij de oogst van pootgoed moeten rotte knollen in een zo vroeg mogelijk stadium worden verwijderd om versmering tegen te gaan. Ook moeten beschadigingen, overmatig vocht en hoge temperaturen tijdens de bewaring worden vermeden om het optreden en uitbreiding van bacterieziekten te beperken.

Bruinrot

Algemeen
Bruinrot is een quarantaineziekte die soms ook in Nederland voorkomt. Ze wordt veroorzaakt door de bacterie Ralstonia solanacearum.

Levenswijze
Instandgehouden door de bitterzoetplant kan de bacterie in oppervlaktewater blijvend overleven. Het gebruik van oppervlaktewater voor beregening en bespuitingen brengt daarom op veel locaties onaanvaardbare risico’s met zich mee. Inmiddels is het gebruik van besmet verklaard oppervlaktewater op aardappelen verboden en met ingang van 2005 is het verbod op pootgoed integraal, dat wil zeggen: ook verboden als het oppervlaktewater niet besmet is verklaard.

Symptomen
De ziekte wordt in het veld gekenmerkt door een plotseling optredende verwelking van één of meer stengels zonder voorafgaande verkleuring of andere verschijnselen. Binnen enkele dagen wordt de gehele plant aangetast en gaat te gronde. Wanneer een afgesneden stengel in water wordt gehouden treden spontaan staaltjes wit bacterieslijm uit de stengel. Zieke knollen worden bij het oprooien gekenmerkt door de zogenaamde vuile ogen. Deze ontstaan doordat uit de gedode kiemaanlegsels in de ogen bacterieslijm lekt waaraan grond blijft plakken. Bij doorsnijden kan de vaatbundelring in meer of mindere mate zijaangedaan. Dit kan variëren van de uitstoot van een enkel pareltje bacterieslijm tot lichtbruine verkleuring van de vaatbundelring en op uitgebreide schaal uittreden van bacterieslijm.

Preventie/bestrijding
Het gebruik van met bruinrot besmet oppervlaktewater voor beregening en bespuitingen is een belangrijke bron van besmetting. Het gebruik van besmet verklaard oppervlaktewater is dan ook verboden voor beregening en bespuiting van alle aardappelgewassen. Met ingang van 2005 is in pootgoed zelfs het gebruik van alle oppervlaktewater verboden.
Voorkom daarnaast de introductie van besmet pootgoed op het bedrijf; zorg dus voor een betrouwbare bron voor pootgoedvoorziening.

Ringrot

Algemeen
Ringrot is evenals bruinrot een quarantaineziekte, die soms in Nederland wordt vastgesteld. In Duitsland komt deze bacterie voor, onder meer in het gebied grenzend aan Nederland. Ook in Denemarken, Noorwegen, Zweden, Polen en Rusland vormt ringrot een aanhoudend probleem. Ringrot is in het najaar van 1998 voor het eerst in Nederland aangetroffen in geïmporteerde industrieaardappelen. Later gebeurde dit nog enkele keren. Ringrot wordt veroorzaakt door de bacterie Clavibacter michiganensis subsp. sepedonicus. Het weren en bestrijden van deze ziekte heeft in de EU een hoge prioriteit.

Symptomen
Ringrot veroorzaakt net als bruinrot verwelkingverschijnselen en een ringvormige aantasting van de knol. De verwelkingverschijnselen worden vaak vooraf gegaan door een vergeling van de onderste bladeren en de eerste symptomen treden vaak pas later in het seizoen op. Evenals bij bruinrot tonen afgesneden aangetaste stengels spontane uitstoting van straaltjes bacterieslijm als het afgesneden einde van een aangetaste stengel in water wordt gehouden. Wanneer bij een ringrotaantasting in doorgesneden aangetaste knol wordt geknepen komt er een smeerkaasachtige massa naar boven, de druppels ontstaan niet spontaan zoals bij bruinrot. In latere stadia ontstaan donkergekleurde holle ruimtes en kunnen de knollen volledig wegrotten. De ziekte kan tot directe opbrengstverliezen leiden tijdens teelt en opslag, maar ook tot afkeuring van partijen en ernstiger als gevolg van door de PD-opgelegde maatregelen bij vaststelling van deze gevreesde quarantaineziekte.

Levenswijze
De ringrotbacterie is zeer besmettelijk en kan gemakkelijk via besmet pootgoed en besmette machines verspreid worden. De aardappel is, met uitzondering van de direct aan aardappel verwante plantensoorten aubergine en tomaat, de enige waardplant waarop deze bacterie zich kan vermeerderen. Overleving in water en op onkruiden is tot nu toe niet vastgesteld. De bacterie overleeft wel zeer goed en lang op droge oppervlakten zoals op hout, metaal, jute.

Preventie/bestrijding
Besmetting wordt vooral voorkomen door gezond pootgoed en daarnaast het strikt toepassen van bedrijfshygiënische maatregelen, zoals het schoonhouden van en desinfecteren van bewaarplaatsen, kisten, werktuigen en machines. Voor pootgoed dient nieuw verpakkingsmateriaal, jute zakken, te worden gebruikt. Omdat veel aardappeltransporten onze grenzen passeren en in het buitenland regelmatig ringrotaantastingen aan het licht komen is van groot belang dat vrachtauto’s die de grens passeren goed worden schoongemaakt en ontsmet. Belangrijk is een goede aardappelopslagbestrijding omdat de ringrotbacterie zonder aardappelen in de grond slecht kan overleven.

Virusziekten

Algemeen
Een virus is een kleine ziekteverwekker die allen met een elektronenmicroscoop zichtbaar kan worden gemaakt. Het heeft geen eigen stofwisseling maar kan wel de stofwisseling van planten en dus ook die van aardappelen beïnvloeden. Het gevolg is dat aangetaste planten minder goed groeien en minder opbrengen. Bovendien kan de kwaliteit van de knol worden beïnvloed door misvormingen en necrosen (onder andere kringerigheid). Virussen zijn besmettelijk; ze kunnen dus van zieke op gezonde planten overgaan of worden overgebracht. Om de opbrengst van aardappelen op peil te houden, is daarom gezond pootgoed van groot belang.
De belangrijkste in Nederland voorkomende virussen zijn: Y-virussen (Yn, Yntn,Yo, Yc) en bladrolvirus (Afbeelding 8). Minder belangrijke zijn onder andere A-,X- en S-virus en het tabaksratelvirus (PTRV).
Virussen kunnen op verschillende wijzen worden verspreid:

  • door fysiek contact tussen zieke en gezonde plantendelen, zoals bij X- en S-virus het geval is;
  • door bladluizen; het bladrolvirus wordt uitsluitend door bladluizen overgebracht en de Y- en A-virussen worden vooral door bladluizen overgebracht;
  • door nematoden; het tabaksratelvirus, dat in Nederland op zand- en zavelgronden voorkomt, kan door aaltjes van de geslachten Trichodorus en Paratrichodorus van plant op plant worden overgebracht. Het ratelvirus kan stengelbont in het loof en kringerigheid in de knollen veroorzaken;
  • door schimmels; de ABC-ziekte, veroorzaakt door het tabaksnecrosevirus, wordt overgebracht door Olpidium brassicae.

Symptomen
De mate waarin de symptomen van een virusaantasting zichtbaar zijn, is afhankelijk van: het soort virus waarmee de plant is besmet, de mate waarin de plant is besmet, de vatbaarheid van het aardappelras, het type aantasting (primair of secundair) en van de groei-omstandigheden. We spreken van een primaire aantasting als een gezonde plant tijdens het groeiseizoen besmet raakt. Een secundaire aantasting wil zeggen: een aantasting vanuit een besmette poter. Bij bladrol is deze vaak zichtbaar aan het rollen van vooral de onderste bladeren en het achterblijven in groei.
Bij de andere virusziekten blijkt een aantasting uit min of meer duidelijk zichtbare vlekjes op de bladeren, vaak als ‘bont’ aangeduid, en eveneens uit achterblijven in groei. Secundair aangetaste planten blijven duidelijker achter in groei en produceren minder dan primair aangetaste planten. Tussen de verschillende aardappelrassen zijn er grote verschillen in vatbaarheid voor virusziekten. Zie voor het vatbaarheidscijfer van de belangrijkste virusziekten de Rassenlijst. De invloed van het percentage viruszieke planten op de opbrengst is in Figuur 2 weergegeven. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een zeer globaal gemiddelde is, omdat het ene ras met heviger symptomen reageert dan het andere en ook de groei-omstandigheden van het gewas een rol spelen. Naarmate de groei-omstandigheden gunstiger zijn, is de schade als gevolg van een aantasting door virusziekten minder groot.

Afbeelding 8. Het bladrolvirus veroorzaakt een rolling van de bladeren.

Figuur 2. Het verband tussen het percentage viruszieke planten en de opbrengstderving bij aardappelen (naar Van der Zaag, 1977).

  1. Virussen die de groei van de planten weinig beïnvloeden (S en X)
  2. Virussen die de groei van de planten matig beïnvloeden (Y'' en A)
  3. Virussen die de groei van de planten sterk beïnvloeden (bladrol en Y°)

Preventie/bestrijding
Virusziekten kunnen niet worden bestreden. Problemen met virusziekten kunnen wel worden voorkómen door het gebruik van gezond, NAK of TBM-gekeurd, pootgoed. Als het pootgoed in meer of mindere mate besmet is met virusziekten, is het extra van belang om te zorgen voor gunstige groei-omstandigheden voor het gewas: een goede structuur en bemestingstoe-
stand van de grond en voldoende vocht.

Aantastingen door nematoden (aaltjes)

Aardappelgewassen kunnen door vele soorten nematoden worden aangetast. Het kan cystenvormende of wortelknobbelvormende soorten betreffen of vrij in de wortel of grond levende soorten. Voor de zand- en veenkoloniale gronden geldt dat alle gewassen en onkruiden worden aangetast door een scala aan plantenparasitaire aaltjessoorten. Met uitzondering van de aardappelcyste-aaltjes hebben deze soorten ook vele andere gewassen en onkruiden als waardplant. Vruchtwisseling ter beheersing van alle aaltjessoorten is daardoor niet mogelijk gebleken.
Bovengrondse symptomen in het gewas als gevolg van aaltjesaantastingen zijn weinig specifiek. Het gaat vooral om het pleksgewijs achterblijven in groei en daardoor verminderde bodembedekking, verlate bloei en vervroegde afsterving. Behalve bovengenoemde schadebeelden veroorzaken vrijlevende wortelaaltjes van de familie der Trichodoridae bij aardappel schade door het overbrengen van het tabaksratelvirus (PTRV) dat stengelbont in het loof en kringerigheid in de knollen kan veroorzaken. Ook het recent in het gebied ontdekte maïswortelknobbelaaltje, Meloidogyne chitwoodi, kan de knollen aantasten en de knolkwaliteit sterk negatief beïnvloeden.

Aardappelcysteaaltjes (Globodera rostochiensis en Globodera pallida)

Cysteaaltjes zijn genoemd naar hun duurzame overlevingsstructuur, de cyste. Het wortelstelsel van de aardappel kan door twee soorten aardappelcysteaaltjes ernstig worden beschadigd: het gele aardappelcysteaaltje, Globodera rostochiensis, en het witte aardappelcysteaaltje, Globodera pallida.

Levenswijze
Het aardappelcysteaaltje is een gespecialiseerde parasiet die alleen ondergrondse delen van de aardappel aantast. Uit de binnen de cyste gelegen eitjes worden de in rust verkerende jonge aaltjes (larven) gewekt door specifieke door de groeiende wortels van jonge aardappelplanten afgescheiden stoffen, waarna de larven de cyste verlaten en de wortels binnendringen. Een spoor van vernietigde cellen achterlatend bewegen ze zich door de wortelschors naar de vaatbundels, waar ze de plant prikkelen tot het vormen van de zogenaamde reuzencel. Daaruit voeden ze zich de rest van hun leven. Na een drietal vervellingen worden de jonge vrouwtjes omstreeks de langste dag op de wortels zichtbaar als speldeknopgrote witte bolletjes (Afbeelding 9).

Afbeelding 9. Cysten van het aardappelcysteaaltje op wortels. De bruine cysten zijn afgerijpt, de witte cysten nog niet.

De cyste bestaat uit de gelooide huid van het afgestorven vrouwtje, waarbinnen de eieren en larven goed beschermd zijn tegen uitwendige invloeden zoals overstroming, extreme droogte en extreme koude (-30°C). Van het aardappelcysteaaltje (a.c.a.) zijn meldingen bekend dat dertig jaar na de laatste aardappelteelt nog levenskrachtige eieren binnen de cysten werden aangetroffen.
Het gele a.c.a. is actief bij temperaturen van 10 tot 25°C; voor het witte a.c.a. ligt het temperatuurbereik enkele graden lager. Zowel het gele als het witte a.c.a. voltooien slechts één generatie per teelt. De uitgangsbesmetting (Pi) is zeer bepalend voor de potentiële vermeerderingscapaciteit van de aaltjespopulatie. De zuurgraad van de bodem heeft geen direct effect op de vermeerdering van beide aaltjessoorten, maar heeft wèl invloed heeft op de mate waarin het aardappelgewas wordt geschaad.

Preventie/bestrijding
Mogelijkheden tot beheersing bestaan uit het combineren van de vruchtwisseling en opslagbestrijding, de inzet van resistente rassen (afgestemd op de in het perceel aanwezige populatie) en de grondbehandeling met nematiciden tot geïntegreerde bestrijdingsschema’s.
Vruchtwisseling. In theorie is het mogelijk deze plaag met vruchtwisseling in de hand te houden, maar gezien de lange periode (gemiddeld acht jaar of meer) is dit zowel bedrijfsmatig als economisch niet haalbaar (Tabel 2).

Tabel 2. Periode in jaren tussen twee aardappelteelten nodig op zand- en dalgronden om de mate van besmetting met aardappelcysteaaltje voldoende ver te doen afnemen.
Jaarlijkse populatieafnameG. rostochiensisG. pallida
Droge grond-25%1110
Gemiddeld-35%86
Vochtige grond-50%54

Aardappelopslag. Door rooiverliezen blijven veel, vooral kleine, maar ook grote knollen na de oogst op het land achter. Als gevolg daarvan kunnen in volggewassen zoals bieten en granen (niet-waardplanten) per ha tot 400.000 aardappelplanten als onkruid voorkomen. Ten onrechte wordt vaak gedacht dat aardappelopslag alleen een probleem is in het eerste jaar na het laatste aardappelgewas. Ook opslagplanten vormen echter nieuwe knollen, waardoor het probleem in de volgende jaren eerder zal toenemen dan afnemen. Door aardappelopslag van vatbare rassen in de volggewassen wordt het vruchtwisselingseffect geheel teniet gedaan; in plaats van een afname van de populatie zal een toename optreden. Hoe sterk de toename van de aaltjespopulatie zal zijn, is afhankelijk van het aantal opslagplanten per m² en van de mate waarin deze al dan niet door het hoofdgewas worden overschaduwd. Voor het witte a.c.a. werden in tarwe- en haverpercelen met aardappelopslag drievoudige vermeerderingen van het aaltje gemeten en in percelen met het (te) laat sluitende gewas maïs vermeerderingen even hoog als bij een aardappelteelt. Aardappelopslag van vatbare rassen doet het sanerend effect van dat resistente gewas geheel of gedeeltelijk teniet. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van vatbare planten in een resistent aardappelgewas als gevolg van vermenging. De mate van loofontwikkeling, en dus de concurrentiekracht van het hoofdgewas vroeg in het seizoen ten opzichte van de opslagplanten is bepalend voor de mate waarin het sanerend effect van het resistente gewas ongedaan wordt gemaakt.
Aardappelopslag van resistente rassen werkt versnellend op de ontwikkeling van resistentie-doorbrekende populaties van het aardappelcyste-aaltje en doet het sanerend effect van de vruchtwisseling en van de teelt van een resistent ras geheel teniet (zie ook onder het hoofdstuk "Aardappelopslag").

Resistentie en pathotypen. De resistentie tegen Globodera rostochiensis is “absoluut”, dat wil zeggen dat de afname van de aaltjespopulatie niet afhangt van de populatiedichtheid. Mits het gewas goed groeit, bedraagt de afname van de populatie altijd zo’n 80 %.
Anders dan de rassen met resistentie tegen Globodera rostochiensis reageren rassen met resistentie tegen Globodera pallida als "slechte waard"; dat wil zeggen dat hoge besmettingsniveau's door de teelt van dergelijke rassen worden verlaagd, en lage besmettingsniveau's juist enigszins toenemen. Als gevolg daarvan daalt de aaltjespopulatie door de teelt van dergelijke rassen niet tot beneden het detectieniveau, maar er stelt zich een evenwichtsdichtheid in van een restpopulatie van 500 tot 1000 levende eieren en larven per 200 cc grond.
Door het inzetten van resistente rassen worden resistentiedoorbrekende aaltjes uitgeselecteerd en vermeerderd, zodat veranderde populaties ontstaan. Hoewel eigenlijk niet terecht, wordt dan gesproken van een "nieuw" pathotype van het aardappelcysteaaltje. Momenteel worden voor de twee soorten aardappelcyste-aaltjes totaal 7 à 8 pathotypen onderscheiden (Tabel 3).

Tabel 3. Aardappelcysteaaltjes en hun pathotypen met hun benamingen.
SoortOfficiële internationale benamingoude Nederlandse benaming
G. rostochiensis
Ro-1
A
Ro-2/3
B/C
Ro-4
F(A)
Ro-5
G
G. pallida
Pa-2
D
Pa-3
E

Tolerantie. In het geval van aaltjes wordt naast resistentie ook over de tolerantie van rassen gesproken. Het begrip resistentie heeft te maken met de vermeerdering van de aaltjes en het begrip tolerantie gaat over de mate van schade die een gewas bij een zekere populatiedichtheid van de aaltjes ondervindt. Bij gebruik van resistente, maar weinig tolerante rassen neemt de aaltjespopulatie af, maar kan het gewas sterk worden geschaad. Bij gebruik van vatbare tolerante rassen neemt de populatie wel toe maar ondervindt het gewas weinig schade. Om met succes te worden ingezet, moeten resistente rassen ook in zekere mate tolerant zijn. In nieuwe zetmeelrassen komen resistentie en tolerantie dan ook vaak gecombineerd voor. Er zijn echter rassen die te weinig tolerant zijn om op hoge populatiedichtheden te worden geteeld. Door de slechte groei van het gewas zal dan de sanering van de aaltjespopulatie tegenvallen.
Tolerante rassen zijn het meest geschikt om zonder veel opbrengstverlies te worden ingezet op zwaarder besmette percelen waar de wortelstelsels van zowel vatbare als resistente rassen zwaar worden beschadigd. Voor de mate van tolerantie zijn grote rasverschillen aangetoond (Tabel 4).

Tabel 4. Tolerantie voor aantasting door het aardappelcysteaaltje van een aantal belangrijke zetmeelaardappelrassen. Hoe hoger het cijfer des te minder gevoelig het ras. Voor betekenis van Ro en Pa: zie Tabel 3.
RasResistent tegenTolerantiecijfer RasResistent tegenTolerantiecijfer
AppassionatoRo-1,2/3;0,5KarnicoRo-1,2/3,4;7,5
 Pa-2,3  Pa-2 
AstarteRo-1,2/37KartelRo-1,2/3,4;8
    Pa-2,3 
DarwinaRo-1,2/3,4,52MontanaRo-1,2/3,4;8
 Pa-2,3  Pa-2,3 
ElkanaRo-1,2/3,44,5ProducentRo-1,2/3,4;7,5
    Pa-2 
EllesRo-1,2/3,4;7,5SerestaRo-1,2/3,4;5
 Pa-2,3  Pa-2,3 
FlorijnRo-1,2/3,4;8,5SjameroRo-1,2/3,4;5,5
 Pa-2,3  Pa-2,3 
KarakterRo-1,2/3,4;5StabiloRo-1,2/3,4;9
 Pa-2,3  Pa-2,3 

De beste resultaten bij de beheersing van de cysteaaltjes zijn te verwachten als kan worden beschikt over rassen die zowel tolerant als resistent zijn. Dergelijke rassen brengen het besmettingsniveau van de grond sterk naar beneden zonder daarbij bij hogere besmettingsniveaus veel schade te ondervinden. Daardoor kunnen in een volgende teelt ook weer gevoeliger rassen worden verbouwd. Het verdient dus aanbeveling beide eigenschappen in voldoende mate in aardappelrassen te combineren.

Relatieve vatbaarheid. Voor het doorgronden van de werking van de resistenties tegen Globodera pallida is een goed begrip van de term relatieve vatbaarheid (rv) vereist. Onder relatieve vatbaarheid wordt verstaan: de maximale vermeerdering van een zeker pathotype bij een zeer lage beginpopulatie op een resistent ras, in verhouding tot de vermeerdering op een volledig vatbaar standaardras. De rv wordt uitgedrukt als percentage.

Relatieve Vatbaarheid = maximale vermeerdering resistent ras : maximale vermeerdering vatbaar ras x100%

Bij een vermeerdering op het resistente ras van bijvoorbeeld 25x en op het resistente ras van 5x, bedraagt de Relatieve Vatbaarheid 20%. De Relatieve Vatbaarheid is een hulpmiddel om te bepalen welk ras bij een bepaalde populatiedichtheid het best kan worden ingezet.
De huidige populaties van Globodera pallida (type Pa3) blijken zich op Pa3-resistente rassen met een RV kleiner dan 10% in een 1:2-teelt nauwelijks te kunnen vermeerderen. De besmettingen worden door deze rassen teruggebracht tot een niet schadelijk niveau van circa 1000 levende larven en eieren per 200 ml grond.
De RV van de Pa2-resistente rassen ligt veelal aanzienlijk hoger en kan van populatie tot populatie (en dus van perceel tot perceel) sterk verschillen. Om tot een juiste rassenkeuze te komen, is daarom de zogenaamde agressiviteitstoets ontwikkeld. Dit is een eenvoudige, zogenaamde closed-container-toets, waarmee globaal de RV van een aantal rassen kan worden bepaald voor de aaltjespopulatie die op een bepaald perceel aanwezig is. Uit een grondmonster van het betreffende perceel worden de cysten verzameld. Na wekking worden 5 larven per gram grond toegevoegd aan grond in een 5-container van 55 cc. De vermeerdering van het aardappelcyste-aaltje wordt bij 3 tot 5 rassen in 5-voud vergeleken met die van een vatbaar standaardras. Voor elk ras is nu de RV te berekenen. Op basis hiervan wordt een beeld verkregen van de agressiviteit van de populatie en kan een ras worden gekozen met een voldoende resistentieniveau.

Huidige toestand in het zetmeelaardappel-teeltgebied in Noordoost-Nederland. Doordat in de periode 1970 tot 1990 vrijwel uitsluitend aardappelrassen zijn geteeld met resistentie tegen de voorkomende pathotypen van Globodera rostochiensis komt nu ook veel Globodera pallida voor. Door de komst van goede Pa3-resistente rassen met een Relatieve Vatbaarheid (RV) van minder dan 10% is het aardappelcyste-aaltjesprobleem in het zetmeelaardappelgebied thans goed beheersbaar.

Chemische bestrijding. Bij de chemische bestrijding wordt gebruik gemaakt van twee groepen middelen, de vluchtige middelen (fumiganten, toegediend als vloeistof) en de niet-vluchtige middelen (toegediend in de vorm van microgranulaten).

Vluchtige middelen. Van deze middelen, ook fumiganten genoemd, is op dit moment alleen methyliso-thiocyanaat (MITC) toegelaten. Het middel wordt als een waterige oplossing van metam-natrium toegediend, bij voorkeur met een zogenaamde spitinjecteur (Afbeelding 10). Metam-natrium wordt in de bodem binnen enkele uren volledig omgezet in het vluchtige aaltjes- en schimmeldodende methylisothiocyanaat. De fumiganten worden in het zetmeelaardappelgebied overwegend in nazomer en herfst gebruikt. Vanwege hun plantdodende effecten (herbicide-eigenschappen) moeten ze na de oogst of in het voorjaar voldoende lang voor het zaaien of poten van het nieuwe gewas worden toegediend (afhankelijk van de bodemtemperatuur in de herfst 1 tot 3 weken en 6 tot 10 weken in het voorjaar). Om uitspoeling van residuen van de werkzame stoffen naar het grondwater te voorkomen, mogen grondbehandelingen met fumiganten niet worden uitgevoerd in de periode beginnend op 16 november en eindigend op 15 maart om 24.00 uur.
In het kader van de "Regulering Grondontsmetting 1993" mocht een grondbehandeling met fumiganten nog maar eenmaal per vier jaar worden uitgevoerd, waarvoor een vergunning van de Plantenziektenkundige Dienst (PD) nodig is. Sinds het jaar 2000 mag zo'n grondbehandeling nog slechts eenmaal in de vijf jaar op hetzelfde perceel worden uitgevoerd, eveneens na het verkrijgen van een vergunning daartoe van de PD. Voor een effectieve grondbehandeling met een fumigant is de bodemconditie quvochtgehalte en temperatuur doorslaggevend. Voor een goede penetratie van de werkzame stof moet de structuur van de grond los en kruimelig zijn, zonder harde, ondoordringbare kluiten of lagen en moet de grond matig vochtig zijn. Een vuistregel hiervoor is dat de grond goed bewerkbaar moet zijn (dus ook vrij van lange loof- en stroresten en wortelstokken van onkruiden) en feitelijk geschikt is om in te zaaien. De bodemtemperaturen, rond één uur in de middag gemeten op 15 cm diepte, moeten liefst niet lager zijn dan 5°C en niet hoger dan 20°C. Na het inbrengen van het middel moet de bovenlaag van de grond goed worden geëgaliseerd, verdicht en met behulp van één of twee aangedreven rollen goed worden afgedicht, zodat het ontwijken van de gasvormige nematiciden naar de lucht zoveel mogelijk wordt vertraagd.

Afbeelding 10. Spitinjecteur.

Neveneffecten van vluchtige middelen. Behalve doding van alle schadelijke aaltjessoorten zijn er interessante nevenwerkingen ten aanzien van insecten, onkruiden en bodemschimmels en op de nitrificatie gedurende de teeltvrije periode.
Door de vluchtige middelen worden ook eieren, larven en maden van in de bodem levende insecten (ritnaalden, engerlingen, emelten, eieren van de smalle graanvlieg, de fritvlieg, enzovoort) en er overwinterende insecten zoals coloradokevers gedood.
Herbicide-effecten zijn zeer sterk gebleken tegen zaden van wilde haver en wortelstokken van moeilijk beheersbare onkruiden zoals kweekgras, akkermunt, moerasandoorn, smeerwortel, zwaluwtong en veenwortel. Metam-natrium heeft bovendien een sterk herbicide-effect op zaden van grasachtigen als straatgras en een veelknopige als perzikkruid.
Metam-natrium werd oorspronkelijk ontwikkeld als bodemfungicide. In het zetmeelaardappelgebied bleek dit middel vooral effectief tegen het wortelbrand-complex in onder andere bieten en voetziekten bij erwten en slabonen (Botrytis-, Pythium-, Fusarium-, en Avanomyces-soorten). Het bleek verder zeer effectief bij de bestrijding van Sclerotinia sclerotiorum, de veroorzaker van de rattekeutelziekte in aardappelen en van builenbrand (Ustilago maydis) bij maïs.
Gebleken is ook dat beide middelen op één of andere wijze effect hebben op de bodemstikstofhuishouding. Na een grondbehandeling heeft de mineralisatie, waarbij organische stof wordt omgezet in onder andere ammoniak (NH3+), normaal voortgang. Van het daaropvolgende nitrificatieproces, waarbij ammoniak in enkele stappen wordt omgezet in nitraat, wordt de eerste stap meer of minder sterk geremd. Het gevolg hiervan is dat na een grondbehandeling in het najaar de nitificatie gedurende de winterperiode wordt stilgelegd, waarna dit proces pas bij stijgende temperaturen in het voorjaar weer op gang komt. Het gevolg hiervan is dat gedurende de teeltvrije periode in winter en voorjaar stikstof in de vorm van ammoniak aan het organische-stofcomplex wordt gebonden. Daardoor wordt uitspoeling in de vorm van nitraat grotendeels voorkomen en is de stikstofvoorraad in de bodem die ter beschikking komt van het volggewas navenant groter. Vooral bij volggewassen waarbij men voorzichtig moet zijn met een te hoge stikstofgift, zoals granen, dient men hier terdege rekening mee te houden. Na een grondbehandeling met metam-natrium moet de N-gift met ruim 20 kg per ha worden verminderd.

Niet-vluchtige middelen. De niet-vluchtige middelen, aldicarb, ethoprofos en oxamyl, worden kort voor of tijdens het poten toegepast. Ze werken in op het zenuwstelsel en hebben gedurende langere of kortere tijd een verlammend effect op de aaltjes, die daardoor immobiel worden. Deze middelen zijn alleen effectief tegen aaltjes die zich vrijelijk in de grond bewegen en hebben dus geen effect op eitjes en larven die zich in rust, binnen de cyste bevinden. Ook actieve aaltjes die eenmaal de wortels van hun waardplant zijn binnengedrongen, ontsnappen aan de werking van deze zogenaamde nematostatica. Afhankelijk van het besmettingsniveau en de te verwachten schade worden de middelen op twee manieren toegepast:

  1. een volveldstoepassing, waarbij de voorgeschreven hoeveelheid (de normale dosering) van het te gebruiken middel breedwerpig wordt gestrooid en vervolgens bij voorkeur met behulp van een bouwvoordiep werkende roterende spitmachine door de gehele teeltlaag wordt gemengd.
  2. een rijentoepassing waarbij ¼ van de normale dosering van het middel na het trekken van de pootgeul in een 25 cm brede strook (over de pootgeul en aan weerszijden daarvan) wordt verstrooid.

De niet-vluchtige middelen worden onder andere ingezet ter vervanging van de vluchtige middelen (als een succesvolle toepassing van een fumigant niet meer mogelijk was omdat het land te laat vrij kwam of de grond te nat was), maar in afhankelijkheid van de te verwachten schade door het aardappelcysteaaltje vooral als rijentoepassing in combinatie met de teelt van resistente rassen. De te verwachten schade door deze aaltjes is afhankelijk van meerdere factoren en wordt onder andere bepaald door het besmettingsniveau, de grondsoort, de zuurgraad van de grond en de tolerantie van het te gebruiken ras.

Neveneffecten van niet-vluchtige middelen. De niet-vluchtige nematiciden hebben een verlammend effect op alle aaltjessoorten, springstaarten en mijten die zich op de schimmeldraden van de Rhizoctonia-schimmel kunnen voeden. Ze hebben geen of zelfs een stimulerend effect op voor Rhizoctonia antagonistische schimmels als Verticillium biguttatum en Trichoderma harzeanum. Dit betekent dat Rhizoctonia-schimmel op het ene perceel gestimuleerd en op een ander perceel geremd kan worden door de toepassing van niet-vluchtige nematiciden. Het valt helaas niet te voorspellen wat er in dit opzicht op een bepaald perceel zal gebeuren.

Adaptatie. Bij veelvuldig gebruik van zowel de vluchtige als de niet-vluchtige middelen kunnen deze minder effectief worden doordat de microflora in de bodem de mogelijkheid heeft zich aan het gebruik aan te passen. De werkzame stoffen worden dan zó snel afgebroken dat ze onvoldoende lang aanwezig zijn om goed te kunnen werken. Dit verschijnsel wordt adaptatie genoemd en blijkt specifiek voor ieder van de actieve stoffen. Adaptatie wordt weer ongedaan gemaakt door voldoende lange perioden tussen toepassingen van hetzelfde product in acht te nemen. Om dit te bewerkstelligen, worden middelen afwisselend toegepast. Momenteel zijn goede toetsen voorhanden om bij twijfel (de mate van) adaptatie van tevoren vast te stellen en zo tot een juiste keuze van het middel te komen.

Wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp.)

Wortelknobbelaaltjes zijn zeer polyfaag, dat wil zeggen dat ze veel waardplanten hebben. Ze zijn in zowel vollegrondsgroente- als akkerbouwgewassen zeer schadelijk. Voor de zetmeelaardappelteelt gaat het om het van oudsher aanwezige noordelijk wortelknobbelaaltje, Meloidogyne hapla, dat vrijwel alle breedbladige planten aantast, en het sinds kort aangetroffen maïswortelknobbelaaltje, Meloidogyne chitwoodi, dat zowel breedbladigen als grasachtigen aantast.
Deze wortelknobbelaaltjes overwinteren als ei (in eiproppen) in de grond en/of als jonge, niet-geslachtsrijpe dieren in wortels en wortelresten van waardplanten.
Gewassen die gevoelig zijn voor schade kunnen beter niet als eerste volggewas na aardappelen worden verbouwd.

Noordelijk wortelknobbelaaltje (Meloidogyne hapla)

Vrijwel alle breedbladige gewassen en onkruiden behoren tot de waardplantreeks van het noordelijke wortelknobbelaaltje. Het kan aan veel gewassen ernstige schade aanrichten.
Tot de zeer goede waardplanten waarop het aaltje zich sterk kan vermeerderen behoren behalve de aardappel ook erwt, veldboon, lucerne, rode en witte klaver, witlof en schorseneer, evenals vele breedbladige onkruiden. Matig tot goed als waardplant zijn biet, slaboon, peen, (knol)selderij en bladrammenas; tot de matig tot slechte waardplanten behoren onder andere biet, spinazie, zomer- en winterkoolzaad, de meeste koolsoorten, prei, ui, vlas en gele mosterd. Granen en grassen worden niet aangetast. Bij de beheersing van dit aaltje spelen dan ook granen en grassen een belangrijke rol.

Aantastingsbeeld
Bovengronds zijn de symptomen niet specifiek. Aangetaste planten blijven achter in groei en ontwikkeling en verwelken op warme dagen makkelijk, wat aanvankelijk omkeerbaar is. Kenmerkend voor Meloidogyne hapla is dat ze voornamelijk op zijwortels parasiteert en daar kleine wortelknobbeltjes (galletjes) vormt waaruit weer een aantal bijworteltjes groeit (spinvorming).
De door de vrouwtjes afgezette eiproppen zijn aanvankelijk als kleine vuilwitte stipjes op de wortelknobbeltjes zichtbaar en later als bruine 'speldeknoppen'. De aaltjes kunnen zich ook op stolonen en knollen ontwikkelen, maar daarop ontwikkelen zich geen knobbels of gallen.

Levenswijze
Het noordelijk wortelknobbelaaltje wordt actief bij bodemtemperaturen van even boven 8°C en infectieus bij 10°C en hoger. Alleen de uit de eieren komende larven kunnen zich vrij in de grond bewegen. Nadat ze de wortel zijn binnengedrongen, zetten ze de plant aan tot het vormen van de voor Meloidogyne karakteristieke wortelknobbeltjes. Hierin ontwikkelen ze zich tot volwassen dieren, waarbij de vrouwtjes vrijwel bolrond opzwellen.
De vrouwtjes produceren 200 - 500 eieren die buiten het lichaam in een gelatineachtige massa worden afgezet, de eiprop. De zich hierin ontwikkelende infectieuze larven kunnen de wortels direct weer aantasten en geven de aanzet tot een tweede generatie dieren binnen hetzelfde groeiseizoen.

Preventie/bestrijding
Schade bij aardappel wordt voorkomen door het inzetten van granen en grassen en slechte-waardgewassen als voorvrucht. Daarbij is een goede onkruidbestrijding noodzakelijk.
Uit onderzoek aan een viertal zetmeelaardappelrassen is gebleken dat er aanzienlijke verschillen in gevoeligheid voor schade door Meloidogyne hapla bestaan.
Behalve deze verschillen in tolerantie is in wilde Solanum-soorten resistentie aangetoond, maar nog niet in het assortiment van praktijkrassen geïntroduceerd. In tegenstelling tot wat door sommige telers wordt aangenomen, moet worden bedacht dat resistentie tegen verschillende pathotypen van de aardappelcysteaaltjes geen effect heeft op de aantasting door en de vermeerdering van Meloidogyne hapla.
Wanneer het voorkómen van schade door gewas- en/of raskeuze niet mogelijk is, kan corrigerend worden opgetreden door de inzet van nematiciden.

Maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi)

Dit wortelknobbelaaltje, dat pas in 1980 werd beschreven en benoemd, wordt sinds 1990 ook in Zuid-Nederland aangetroffen en sinds 1996 in het zetmeelaardappelgebied. Het aaltje heeft een zeer uitgebreide waard-plantreeks, waartoe naast zeer veel tweezaadlobbige gewassen en onkruiden ook monocotyle gewassen en sommige grassen en onkruiden behoren. De zeer goede en goede waardgewassen worden gevonden bij aardappel,alle granen, de raaigrassenen schorseneer. In tegenstelling tot Meloidogyne hapla veroorzaakt Meloidogyne chitwoodi bij aardappel niet alleen schade door opbrengstvermindering, maar heeft ook een sterk negatief effect op de knolkwaliteit, waardoor partijen (in ieder geval consumptie- en pootgoed) zelfs onverkoopbaar kunnen worden.

Aantastingsbeeld
De eerste zichtbare symptomen in het gewas treden meestal pleksgewijs op als gevolg van plaatselijk zeer zware besmettingen. De niet-typische symptomen zijn vertraagde groei en verlate bloei. Bij een lichte aantasting van de wortel is het door de wortelschors naar buiten gebarsten opgezwollen vrouwtjeslijf met de eiprop het enig zichtbare teken van aantasting. Zwaar aangetaste wortels vertonen kleine, enigszins langwerpige, knotsvormige wortelknobbeltjes zonder zijworteltjes.
In het knolweefsel zijn kenmerkende bruine necrotische vlekjes zichtbaar die tot vrij diep onder de schil kunnen voorkomen. Ook kunnen gallen ontstaan waarin zich aaltjes en eieren bevinden (Afbeelding 11). Dit symptoom wordt gemakkelijk verward met zich ontwikkelende pukkels van poederschurft.

Afbeelding 11. Door het maïswortelknobbelaaltje Meloidogyne chitwoody aangetaste knol.

Levenswijze
Maïswortelknobbelaaltjes overwinteren als eipakketjes of als vrije larven in de grond en overleven in de wortels van overwinterende gewassen in alle stadia van ontwikkeling. Meloidogyne chitwoodi is reeds infectieus bij 5°C en veroorzaakt daardoor vroeger in het seizoen en gedurende langere tijd schade dan Meloidogyne hapla, die pas vanaf 10°C kan infecteren. Net als bij Meloidogyne hapla bewegen alleen de uit het ei komende larven zich vrijelijk naar de wortels en dringen deze meestal bij vertakkingen binnen. Het vrouwtje produceert 200 tot 1000 eitjes, die worden afgezet in een gelatine-achtige eiprop. In deze eieren komen de larven tot ontwikkeling en deze kunnen zonder voorafgaande rustperiode de wortels direct weer aantasten en de aanzet geven tot een volgende generatie.
Onder de klimatologische condities van het zetmeelaardappelgebied kunnen per teeltseizoen twee tot drie generaties tot ontwikkeling komen. De knollen worden geïnfecteerd via de nog niet verkurkte schil en lenticellen. De aaltjes kunnen tot diep in de knollen doordringen, maar verblijven bij voorkeur in de weefsels onder de schil en rond de vaatbundelring. Ook binnen de knol ontwikkelen de vrouwtjes zich en zetten ook hier hun eieren af. Binnen beschermende kapsels van verkurkte cellen ontwikkelen de eieren zich tot infectieuze larven, die daagedurende langere tijd in leven kunnen blijven, zelfs als de knol verdroogt en geheel verschrompelt. Ook na strenge winters kunnen in het voorjaar nog hoge besmettingen van Meloidogyne chitwoodi in de grond aanwezig zijn, wat mogelijk samenhangt met de eigenschap dat dit aaltje zich aan koude onttrekt door zich dieper in de grond terug te trekken. Door haar grote verticale beweeglijkheid, waarbij dieptes van 1,80 meter zijn genoemd, kan dit aaltje aan strenge vorst ontsnappen.

Preventie/bestrijding
Voor de beheersing van Meloidogyne chitwoodi biedt vruchtwisseling vooralsnog weinig perspectief, gezien het kleine aantal slechte-waardgewassen en hun beperkte inzetbaarheid. Het is nog te vroeg om een uitspraak te kunnen doen over verschillen tussen rassen en de mogelijkheden daarvan gebruik te maken; de kennis hierover ontbreekt nog grotendeels. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden die ontsnapping aan aantasting biedt door middel van de teelt van laat te zaaien/poten/planten gewassen zoals stamslabonen en spruitkool.

Vrijlevende aaltjes

Hiertoe worden aaltjes gerekend waarvan ook de vrouwtjes hun hele leven de slanke aaltjesvorm handhaven en zich dus vrijelijk kunnen bewegen.
Sommige geslachten leven voornamelijk binnen de plant, andere geslachten leven geheel buiten de plant in de rhizosfeer (de grond direct rond de wortels) en gebruiken de plant alleen als voedselbron.

Wortellesieaaltje (Pratylenchus penetrans)

Wortellesieaaltjes ontlenen hun naam aan de vorming van bruine vlekjes op de wortels, die ook wel lesies worden genoemd. Er bestaan diverse soorten van, waarvan Pratylenchus penetrans als de meest schadelijke wordt beschouwd. Deze aaltjes komen in het teeltgebied van zetmeelaardappelen algemeen verbreid voor.
Wortellesie-aaltjes hebben zowel bij akkerbouwmatig geteelde gewassen als bij onkruiden uitgebreide waardplantreeksen. Tot de goede en zeer goede waarden voor Pratylenchus penetrans behoren aardappel, hennep, granen, maïs, vlinderbloemigen (klavers, erwten, bonen, veldbonen), schermbloemigen (peen, karwij, selderij) en bolgewassen (prei, ui, lelies). Tot de slechte-waardplanten behoren kruisbloemige gewassen (koolzaad en koolsoorten, mosterd) en de ganzevoetachtigen (bieten en spinazie). Tot de goede waardplanten onder de onkruiden behoren onder andere de veel voorkomende soorten melganzevoet, muur, straatgras, kweekgras en knopkruid. Behalve dat het aaltje zich op deze slechte waarden slecht vermeerdert, zijn deze gewassen ook ongevoelig voor schade bij hoge populatiedichtheden van het aaltje na de teelt van goede-waardgewassen. Door de beperkte inzetbaarheid van de slechte-waardgewassen zijn de mogelijkheden van vruchtwisseling ter beperking van schade in aardappelen en andere gewassen echter gering.
Behalve directe schade door beschadiging van de wortels kan aanzienlijke extra schade optreden doordat via lesies op de wortels de planten aanmerkelijk vroeger gekoloniseerd kunnen worden door de schimmel Verticillium dahliae, de veroorzaker van de verwelkingsziekte, en daardoor vervroegd afsterven.

Aantastingsbeeld
Symptomen zijn in vroege aantastingsstadia vooral zichtbaar aan de wortels. Deze vertonen aanvankelijk oppervlakkige necrosen in de vorm van bruine vlekjes. Later kunnen de aangetaste worteldelen geheel verrotten. Als respons hierop worden nieuwe zijwortels gevormd, waardoor het wortelstelsel een bossig uiterlijk krijgt. Bij sterke aantasting kan het gehele wortelstelsel te gronde gaan. Behalve op wortels kunnen ook symptomen voorkomen op stolonen en knollen. De symptomen op stolonen lijken op die van de wortelaantasting, terwijl de knolsymptomen de meeste overeenkomst tonen met een lichte vorm van oppervlakkige gewone schurft.
Bovengrondse symptomen zijn aanvankelijk een achterstand in groei, gevolgd door het verdorren en vervroegd afsterven van de planten. Deze ziekte komt vaak pleksgewijs voor en kan in het laatste stadium makkelijk worden verward met haarden van afstervende planten die door Phytophthora infestans zijn veroorzaakt.

Levenswijze
Wortellesie-aaltjes brengen vrijwel hun gehele leven binnen een waard door. Bij aardappel leven ze voornamelijk in de wortels, maar ook stolonen en knollen kunnen worden aangetast. Vergeleken met andere aaltjes hebben wortellesie-aaltjes een eenvoudige levenscyclus.
Bevruchte vrouwtjes leggen 1 tot 2 eitjes per dag. In de eitjes ontwikkelen zich de infectieuze larven, die binnendringen in gezond weefsel en zich daar verder ontwikkelen. Afhankelijk van de temperatuur en de lengte van het groeiseizoen kunnen tot zes van deze levenscycli per jaar plaats vinden. Het aaltje kan in alle levensstadia van ei tot volwassene overwinteren, zowel vrij in grond als in aangetaste plantenweefsels en in gewasresten. Als het weefsel te gronde is gegaan, verplaatsen de aaltjes zich via de grond naar gezonde plantendelen.

Preventie/bestrijding
Beheersing van wortellesie-aaltjes is mogelijk indien in het teeltplan in voldoende mate bieten en kruisbloemigen kunnen worden opgenomen. Mogelijkheden hierbij van de inzet van kruisbloemigen als groenbemester (onder andere bladkool, stoppelknollen, gele mosterd) worden momenteel onderzocht. Aangezien dit niet altijd tot het gewenste effect leidt, zijn bij het optreden van schadelijke populatiedichtheden naast vruchtwisseling andere beheersmethoden noodzakelijk. In alle gevallen is een effectieve onkruidbestrijding zowel tijdens als na het groeiseizoen noodzakelijk.
Wortellesieaaltjes zijn gevoelig voor grondbehandeling met vluchtige nematiciden (fumigantia). Sinds het vervallen van de verplichting tot grondontsmetting in 1988 wordt nog maar weinig ontsmet. Als gevolg daarvan namen en nemen de populatiedichtheden van deze aaltjes gestadig toe en neemt de schade aan de gewassen als gevolg daarvan steeds grotere vormen aan.

Vrijlevende wortelaaltjes (Trichodorus- en Paratrichodorus-soorten)

Van de vele geslachten vrijlevende wortelaaltjes zijn voor het aardappelgewas met name de Trichodoride-aaltjes van belang. Voor de zetmeelaardappelteelt zijn vooral Trichodorus similis, Paratrichodorus pachydermus en Paratrichodorus viruliferus van belang.
Deze strikt ectoparasitair levende aaltjessoorten ontlenen hun naam aan hun levenswijze buiten de waardplant. De gehele levenscyclus van ei tot volwassen aaltje voltrekt zich in de grond. Behalve directe schade door het aanprikken van en voeden op ondergrondse plantendelen kan een aanzienlijke secundaire schade worden aangericht doordat deze aaltjes het tabaksratelvirus (PTRV) overbrengen dat stengelbont en kringerigheid veroorzaakt. Dit virus komt algemeen voor bij onkruiden, zoals muur, akkerviooltje, driekleurig viooltje en zwarte nachtschade en gaat over met het zaad. Het kan ook via besmet pootgoed overgaan naar de volgende teelt.

Beeld van de aaltjesaantasting
Deze aaltjes voeden zich door met hun lange mondstekel ondergrondse plantendelen aan te prikken, bij voorkeur de wortelpunten vlak achter de wortelmutsjes. Daardoor stopt de lengtegroei van de wortel, maar gaat de diktegroei nog enige tijd door terwijl de wortelpuntjes bruin verkleuren. Ernstige aantasting door deze aaltjes is gekenmerkt door verdere verbruining van de wortels en streepachtige verbruiningen op ondergrondse stengeldelen. Deze stengelverbruining gaat vaak gepaard met ondergronds lokaal kromgroeien van de spruiten, veroorzaakt door eenzijdige groeiremming ter plaatse van de aantasting. In zeer ernstige gevallen komen de spruiten niet of zeer vertraagd boven de grond. Aangezien dit vaak pleksgewijs optreedt, geeft dit aanleiding tot zogenaamde valplekken in het gewas (Afbeelding 12).

Afbeelding 12. Valplek veroorzaakt door Trichodoridae.

Beeld van de virusaantasting in het loof
Afhankelijk van het aardappelras en de stam van het tabaksratelvirus kunnen symptomen in het loof en/of de knollen tot ontwikkeling komen. Daarbij worden primaire en secundaire aantastingen onderscheiden. Primaire aantasting komt voort uit heaanprikken van een gezonde plant. Opvallend is in die situatie dan ook dat planten vóórkomen waarvan een enkele stengel met het virus besmet is geraakt en – afhankelijk van het ras – met bont (stengelbont) reageert. Doordat de gezonde stengels de zieke overgroeien, worden deze laatste vrijwel onvindbaar en daardoor moeilijk uit te selecteren.
Secundair zieke planten ontwikkelen zich uit geïnfecteerde knollen. Indien het betreffende ras reageert met stengelbont, vertonen in dit geval alle stengels symptomen.

Beeld van de virusaantasting in de knol
Aangetaste knollen van gevoelige rassen zijn gekenmerkt door de aanwezigheid van boogjes, ringen of vlekken van bruinverkleurd weefsel in het vruchtvlees (kringerigheid), die in een aantal gevallen ook op de schil zichtbaar zijn.

Levenswijze
Trichodoride-aaltjes kunnen vrijwel alle gewassen en onkruiden als voedingsbron gebruiken. Gewasvrije perioden worden voornamelijk overbrugd in het eistadium. Deze aaltjessoorten blijven hun hele leven (bij 15 tot 20°C zeven tot acht weken) mobiel en kunnen daardoor op meerdere plaatsen aan de plant schade veroorzaken. Gedurende haar leven legt het vrouwtje gemiddeld 40 eieren, die gedurende het groeiseizoen binnen tien dagen tot een nieuwe generatie aantastende aaltjes leiden. Per teeltseizoen kunnen zich drie tot vijf generaties ontwikkelen.
De aaltjes zijn tot op een diepte van 1 meter gevonden.

Preventie/bestrijding
Gezien de zeer uitgebreide waardplantenreeks draagt vruchtwisseling slechts in beperkte mate bij aan de beheersing van deze aaltjessoorten. Toch kan een doordachte gewasvolgorde de beheersbaarheid van het aaltje in positieve zin beïnvloeden. Een strikte en effectieve onkruidbestrijding is zinvol om het reservoir van TRV uit te putten.
Trichodoride-aaltjes zijn gevoelig voor een intensieve grondbewerking, vooral als die onder droge omstandigheden plaatsvindt, zodat de grond uitdroogt. Dit heeft echter geen effect op het optreden van TRV, omdat hiervoor maar enkele aaltjes nodig zijn. Van alle maatregelen werkt een grondontsmetting met een vluchtig nematicide het best. Toegepast vóór een matig tot slechte waardplant als aardappel kan een gevoelig volggewas, zoals suikerbieten, hiervan ook nog profijt hebben.

Veenkoloniale aardappelaaltje of destructoraaltje (Ditylenchus destructor)

Ditylenchus destructor komt van oudsher voor in het teeltgebied van de zetmeelaardappelen. Het aaltje tast vooral de ondergrondse delen van vele plantensoorten aan, zoals knollen, bollen en ook vlezige wortels en wortelstokken.
In het Nederlandse zetmeelaardappelgebied heeft dit aaltje in het verleden zeer veel schade veroorzaakt in aardappelen die te velde in kuilen werden bewaard.
Het destructoraaltje heeft een uitgebreide reeks van één- en tweezaadlobbige waardplanten. Naast aardappel en een aantal andere knol- en bolgewassen (onder andere lis, dahlia, gladiool, hop, rabarber) behoren daartoe ook groenbemesters als rode en witte klaver en vele onkruiden, zoals akkermunt, melkdistel, paardebloem, ridderzuring, akkermelkdistel, akkerdistel, moerasandoorn, klein hoefblad, kweekgras, leeuwebek en smeerwortel.
Als er geen waardplanten of resten daarvan aanwezig zijn, kan dit aaltje op een aantal veel voorkomende bodemschimmels als Fusarium oxysporum en Fusarium solani, Botrytis spp., Alternaria solani en Phoma spp. overleven.

Aantastingsbeeld
Destructoraaltjesrot is aanvankelijk een oppervlakkig rot dat enigszins aan Phytophthora doet denken en is aanvankelijk moeilijk te onderscheiden van dat van stengelaaltjes. Later wordt de schil papierachtig en toont vaak scheuren en stervormige barsten (Afbeelding 13). In het aangetaste weefsel zijn witte kalkachtige stipjes zichtbaar waarin in grote getale levende alen aanwezig zijn.
Het destructoraaltje veroorzaakt bij de aardappelplant geen bovengrondse symptomen.

Afbeelding 13. Door Ditylenchus destructor aangetaste knollen (foto: HLB).

Levenswijze
De nematode kan knollen alleen door de epidermis, door de ogen en via de lenticellen aantasten als deze nog jong zijn. Via de verkurkte schil van afgeharde knollen is infectie niet mogelijk, wel echter via verwondingen. Aantasting is het hele jaar mogelijk, zowel te velde als in de bewaring. De ziekte kan via besmet pootgoed op het bedrijf ongewild in stand worden gehouden, maar ook over grote afstanden worden verspreid.

Preventie/bestrijding
Schadelijk optreden van dit aaltje in akkerbouwgewassen is in Nederland alleen bekend bij aardappel die ook een goede waardplant voor dit aaltje is. Deze ziekte is bij aardappelen de laatste tientallen jaren niet meer waargenomen. De reden hiervoor is niet bekend, maar vermoed wordt dat drogere bewaaromstandigheden en een betere onkruidbestrijding hierbij een belangrijke rol hebben gespeeld.
Omdat dit aaltje zich op onkruiden zeer sterk kan vermeerderen lijkt blijvende aandacht voor een effectieve onkruidbestrijding een eerste vereiste. Indien zich toch problemen voordoen, verdient het aanbeveling om van gezond pootgoed uit te gaan.

Stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci)

Van dit aaltje komen voor de verschillende gewassen gespecialiseerde typen voor. Voor de akkerbouw is het zogenaamde rogge/uien/ aardappeltype van belang. Dit type komt schadelijk voor bij erwten en tuinbonen. Van oudsher is het bekend als een schadelijke parasiet die in rogge het reup veroorzaakt en in uien het kroef.
Het aaltje komt zowel op zavel- en kleigronden als op zand- en dalgronden voor. In het algemeen is het aardappelgewas weinig gevoelig voor dit aaltje, maar de aardappel is wèl een goede waardplant. Het aaltje kan zich op een aardappelgewas zodanig vermeerderen dat ui en rogge als volggewas ernstige schade ondervinden.

Aantastingsbeeld
Symptomen in het loof worden gekenmerkt door verkorting en verdikking van de stengeldelen en misvorming van stengels en bladeren. Typisch daarbij is een kroezig uiterlijk van de blaadjes en misvorming (knikken) van de hoofdnerf. Bij ernstige aantasting kan verwelking en later verdorring optreden; de aangetaste stengels zijn vaak hol.
Knolsymptomen lijken sterk op de symptomen die het destructoraaltje veroorzaakt, met als voornaamste verschillen dat het stengelaaltje vaak via de stoloon binnendringt en daarbij diep in de knol optredend rot veroorzaakt. De voor Ditylenchus destructor typische witte 'kalkstipjes' ontbreken dan echter. Uiteindelijk ontstaat een bruinkorrelig droogrot, dat meestal overgaat in secundair droog- of natrot.

Levenswijze
Het stengelaaltje tast zowel boven- als ondergrondse stengeldelen en knollen aan. In de wortels wordt het zelden aangetroffen. Infectie vindt altijd vanuit of via de grond plaats waarbij het aaltje door huidmondjes of lenticellen binnendringt. Het aaltje is reeds actief bij 1 à 2°C, de vermeerdering begint bij 5°C. Bij 15°C duurt de cyclus van ei tot ei 19 tot 23 dagen. Elk vrouwtje legt 200 - 500 eieren in de plant. Dit grote voortplantingsvermogen heeft tot gevolg dat dit aaltje reeds bij heel lage begindichtheden van enkele aaltjes per liter grond aanzienlijke schade kan aanrichten in gevoelige gewassen (bijvoorbeeld uien en rogge) en gevoelige aardappelrassen. Aan het eind van het groeiseizoen bevinden zich aaltjes in de jonge knollen, die daardoor ongeschikt zijn als pootgoed. De aantasting kan zich tijdens de bewaring sterk uitbreiden.
Bij het afsterven van de waardplant verlaten de aaltjes de plant en gaan op zoek naar een nieuwe geschikte waard. Jonge aaltjes kunnen zonder waard in normaal vochtige grond tot anderhalf jaar in leven blijven; bovendien kunnen ze bij langzaam uitdrogen van de grond in 'anabiose' gaan. In deze staat van diepe rust kunnen ze ongunstige omstandigheden zoals droogte en strenge vorst jarenlang overleven.

Preventie/bestrijding
Rassen van het aaltje die aardappelen aantasten, kunnen zich ook vermeerderen op uien, rogge, erwten en veldbonen. De teelt van aardappelen op percelen waarop één van deze gewassen werd aangetast, houdt dus een risico in. De korte generatieduur, het grote aantal eieren per vrouwtje en de vorming van meerdere generaties per teeltseizoen heeft tot gevolg dat bij zeer lage aanvangsdichtheden (1 à 2 aaltjes per kg grond) uiteindelijk toch aanzienlijke schade kan optreden.
Dergelijke lage aaltjesdichtheden liggen bij de huidige detectiemethoden buiten het meetbereik. Het vruchtwisselingssysteem moet er dus op gericht zijn om de aaltjespopulatie beneden deze zeer lage begindichtheden te houden. Dit kan worden bereikt door rotatie met niet-waardplanten. Verder dragen een goede onkruidbestrijding en het gebruik van schoon uitgangsmateriaal (pootgoed en zaad) bij tot de beheersing.
Aangetaste partijen moeten zo snel mogelijk worden geruimd en verwerkt. Indien dergelijke partijen toch moeten worden opgeslagen, moeten ze zo snel mogelijk worden gedroogd en gekoeld tot beneden 5°C om uitbreiding van de aantasting te voorkomen of tenminste te vertragen.

Bladluizen

In principe kunnen bladluizen op vier manieren schade veroorzaken: virusoverdracht, zuigschade, opwekken van toprol en vorming van roetdauw.

Roetdauw ontwikkelt zich doordat de luizen een overmaat aan suikers uit het blad opnemen en vervolgens een groot gedeelte daarvan als honingdauw weer uitscheiden. Deze honingdauw vormt een goede voedingsbodem voor veel schimmels. Omdat zich daarop ook veel zwartschimmels ontwikkelen (roetdauw) wordt de lichtopname sterk verminderd, waardoor de productiecapaciteit van het blad afneemt, hetgeen tot productieverlies leidt.

Virusoverdracht is vooral schadelijk bij de pootgoedteelt, niet in de teelt van zetmeelaardappelen.

Zuigschade treedt op bij hoge luizendichtheden en worden eenvoudigweg veroorzaakt door het aan de plant onttrekken van geproduceerde suikers die daardoor niet meer beschikbaar zijn voor loof- en knolproductie. Zowel zuigschade als roetdauw treden vooral later in het seizoen op, en is zijn daarom met name voor de latere consumptie- en zetmeelaardappelen van belang.
Zuigschade is meestal weinig van economische betekenis. Bladluizen houden zich voornamelijk op aan de onderzijde van de bladeren. Als er veel luizen zijn, kunnen als luizenkoppen bekend staande groeiafwijkingen ontstaan. Bladluizen kunnen zich onder gunstige omstandigheden zeer snel vermeerderen. In een week kunnen populaties vijf keer zo groot worden. Bij aanwezigheid van veel bladluisvijanden, zoals lieveheersbeestjes, zweef- en gaasvliegen, kan een populatie in één week echter ook weer zeer sterk afnemen. Ook zware neerslag kan de luizenpopulatie vrijwel geheel elimineren.

Toprol komt in het zetmeelaardappelgebied weinig voor. Toprol hangt samen met zuigschade door de aardappeltopluis en wordt gekenmerkt door het rollen van de hogere bladetages en anthocyaanvorming (paars-rood), gevolgd door uitgebreide necrose van het blad.

Preventie/bestrijding
Bladluizen moeten alleen worden bestreden als er een gerede kans op opbrengstderving bestaat. Dit is het geval als er veel 'luizenkoppen' voorkomen of als op grote schaal honingdauw en roetdauw worden gevormd, of als gemiddeld méér dan 50 bladluizen per volgroeid samengesteld blad voorkomen.
Om parasieten en roofvijanden van de bladluis zoveel mogelijk te sparen, verdienen de middelen op basis van pirimicarb en heptenofos de voorkeur.

Coloradokever

De coloradokever (Leptinotarsa decemlineata) is ongeveer 1 cm lang en 0,7 cm breed en is duidelijk te herkennen aan tien overlangse zwarte strepen op gele dekschilden (volksnaam “torretje tienstreep”), vijf op elk schild. De kever overwintert in de grond op een diepte van 20 tot 50 cm op percelen waar aardappelen hebben gestaan. Het volgende groeiseizoen komen ze eind april, begin mei weer bovengronds om op zoek te gaan naar jonge aardappelgewassen en opslagplanten.

Aantastingsbeeld
De schade wordt vooral veroorzaakt door de zeer vraatzuchtige larven die grote hoeveelheden bladgroen verslinden en alleen de wat grotere nerven en bladstelen laten staan. Bij grootschalig aantasting kan het gehele gewas worden kaalgevreten. Alleen stengels en bladstelen blijven dan over. Om deze reden wordt de coloradokever in vele landen gevreesd. In Nederland is schade van betekenis gemakkelijk te voorkomen, mits zonodig tijdig met de bestrijding wordt begonnen.

Levenswijze
Het vrouwtje legt oranje gekleurde eieren op de onderkant van de bladeren. Na de eilegperiode sterven vrijwel alle overwinterde kevers. De jonge grijsachtig rode larven vreten eerst de resten van de eischaal en worden na enkele dagen vleesrood tot donkerrood. Aan weerszijden van het lichaam hebben ze twee rijen zwarte stippen. De larven zijn in ongeveer drie weken volwassen, waarna zij zich in de grond verpoppen. In deze poppen ontwikkelen zich de kevers van de zomergeneratie die bij goed zomerweer voor een tweede generatie kunnen zorgen. Vanaf eind augustus verdwijnen de zomerkevers weer in de grond, waar ze zich gestuurd door de temperatuur en afhankelijk van de grondwaterstand en het al dan niet voorkomen van harde lagen ingraven tot een diepte van 20 tot 50 cm. De overwinterende kevers sterven als de temperatuur van de omgevende bodem lager dan -7°C wordt.

Preventie/bestrijding
Om de belangen van de export te waarborgen, is de bestrijding wettelijk geregeld. Iedere aardappelteler is verplicht de coloradokever zo goed mogelijk te bestrijden; niet alleen in aardappelen, maar ook op aardappelopslag inandere gewassen.
Het beste tijdstip voor de bestrijding is het moment waarop jonge larven de eieren beginnen te verlaten en op het gewas worden aangetroffen. Hiervoor zijn verschillende middelen beschikbaar. Zie hiervoor de handleiding Gewasbescherming in de Akkerbouw.

Ritnaalden, engerlingen, emelten

Deze bodembewoners zijn de larven van respectievelijk kniptorren, van mei-, rozen- en junikevers en de made van de langpootmug. Ze vreten aan de wortels van planten en kunnen daardoor aanzienlijke schade aanrichten. Bij aardappelen komt dit vooral voor in gescheurd grasland en na langjarige groene braak. Ze vreten ook aan de moederknollen en aan kiemen en jonge stengels, met als gevolg een onregelmatige gewasstand. Ritnaalden en engerlingen kunnen daarnaast grote schade aanrichten door gaten en gangen te vreten in de knollen waardoor de oogst onverkoopbaar kan worden.
Een eventuele bestrijding dient voor het poten te worden uitgevoerd. Hiervoor zijn verschillende middelen beschikbaar. Zie de handleiding Gewasbescherming in de Akkerbouw.

Andere informatie over emelten in aardappelen
Er is geen andere informatie beschikbaar.

Aardappelopslag

Aardappelopslag uit knollen

Bij de oogst van aardappelen blijven vaak tussen de 20.000 en 400.000 knollen per hectare op het veld achter. Dit zijn grotendeels ondermaatse knollen maar er kan ook nog een aanzienlijk deel marktbare knollen bij zijn. Een ernstig probleem ontstaat wanneer deze achtergebleven knollen in de grond overwinteren. In het volgende gewas kunnen dan grote aantallen opslagplanten voorkomen. Deze opslagplanten vormen een lastig en hardnekkig onkruid dat het eigenlijke gewas beconcurreert. Veel ernstiger zijn echter de fytosanitaire gevolgen van opslag. Vanwege de aardappelopslag kunnen allerlei ziekten en plagen, die in het gewas aardappelen problemen geven, zich veel gemakkelijker handhaven en zich soms zelfs uitbreiden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij aardappelcyste-aaltjes en Rhizoctonia. Het effect van vruchtwisseling kan hiermee teniet worden gedaan. Voor het witte aardappelcysteaaltje (G. pallida) zijn in tarwe- en haverpercelen met aardappelopslag drievoudige- en in percelen met het laatsluitende gewas maïs twaalfvoudige vermeerderingen gemeten. Aardappelopslag van vatbare rassen doet, net als vermenging van een vatbaar met een resistent ras, het sanerend effect van een AM-resistent ras geheel of gedeeltelijk teniet.
Ook Phytophthora en virusziekten kunnen zich verspreiden vanuit aardappelopslag. Daarom is het van groot belang opslag te voorkomen. Ten onrechte wordt vaak gedacht dat aardappelopslag alleen een probleem is in het eerste jaar na een aardappelgewas. Ook opslagplanten vormen echter knollen, waardoor het probleem in de volgende jaresoms minstens zo groot is.

Aardappelopslag uit zaad

Sommige rassen vormen veel bessen. Hierin kunnen enorme hoeveelheden kiemkrachtig zaad worden gevormd. Bij rassen als Elles en Stabilo gaat het daarbij om aantallen van honderd tot tweehonderd miljoen zaden per hectare (Afbeelding 14). Dit zaad blijft in de bouwvoor voor een deel minstens 10 jaar kiemkrachtig.
Enerzijds kan de zaadopslag in sommige gewassen een lastig te bestrijden onkruid zijn, anderzijds kunnen ziekten en plagen, in het bijzonder het aardappelcysteaaltje, zich net als op opslagplanten uit knollen in stand houden en vermeerderen. Dit geldt ook voor de knolletjes die door de zaailingen worden geproduceerd.

Afbeelding 14. Bessen met aardappelzaad in de geul.

Preventie/bestrijding
Bij het rooien moeten rooiverliezen worden voorkomen. Deze kunnen voor een deel veroorzaakt worden door fouten in de teelttechniek, zoals onjuiste rugopbouw, ongelijke rijenafstand, slecht geklapt loof, onkruid, te brede trekkerbanden of een onjuiste spoorbreedte tijdens het rooien. Ook kunnen tijdens het rooien verliezen optreden als gevolg van een te grote spijlafstand van de zeefkettingen, van een onjuiste afstelling en van lekken in de rooimachine.
Een effectieve manier om knollen te vernietigen, is ze in de winter te laten bevriezen. Het vriest echter niet iedere winter overal in Nederland voldoende om hierop volledig te kunnen vertrouwen. De kans is echter het grootst als de knollen zoveel mogelijk aan de oppervlakte blijven.
Mechanisch is in volggewassen na aardappelen weinig te doen tegen opslag. Afschoffelen of onderwerken vertraagt de groei, maar de plant komt weer terug, tot wel zes keer toe. Bij hakken is de beste methode om de planten in hun geheel boven de grond te halen.
Chemisch, met glyfosaat, lukt het beter. Iedere bovenkomende stengel moet dan met middel worden aangestreken. Hiervoor zijn onkruidstrijkers ontwikkeld die zowel in stroken als volvelds de opslagplanten kunnen raken en handmatige apparatuur om de planten individueel aan te stippen (Afbeelding 15).
Besvorming - en dus zaadvorming - kan worden voorkomen door een gerichte bespuiting met één liter MCPA (500 gram per liter) tijdens het volle-knop-stadium. Het vermindert zowel het aantal bessen als het aantal zaden per bes. De zaaproductie wordt hierdoor met 80 tot 100 % gereduceerd.
Verder is het van belang om de opslag afkomstig van zaad zo goed mogelijk te bestrijden in de volggewassen. In een vroeg stadium, liefst het kiemplantstadium, gaat dit het gemakkelijkst.

Afbeelding 15. Aardappelopslag in suikerbieten.