Secondary menu

Teelthandleiding wintertarwe - bemesting

15/03/1997 - A. Darwinkel - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding wordt ingegaan op de bemesting van wintertarwe.

Algemeen

De bemesting van wintertarwe beperkt zich veelal tot stikstof. De voorziening van de elementen fosfor en kalium geschiedt meestal in bouwplanverband voorafgaand aan aardappelen en suikerbieten; alleen in graanrijke bouwplannen worden deze elementen ook aan tarwe toegediend. De adviezen voor de toediening van meststoffen zijn uitvoerig beschreven in de PPO-uitgave 'Adviesbasis voor de bemesting van akkerbouw- en vollegrondsgroentegewassen' . De in deze teelthandleiding aangegeven bemestingsgiften zijn daaruit overgenomen; voor uitgebreide informatie over de bemesting wordt ook naar deze uitgave verwezen.
Een productief tarwegewas neemt aanzienlijke hoeveelheden mineralen op. Tijdens de fasen van stengelstrekking en aarverschijning vindt een sterke opname van mineralen plaats. Bij de bloei is het merendeel van de voedingsstoffen reeds opgenomen. Van de elementen, die sterk bij de stengel en bladgroei betrokken zijn (K, Ca, Fe, Bo en Cu) is de opname bij de bloei reeds maximaal. Met name bij kalium vindt nadien een sterke afname plaats.

Stikstofbemesting

De tarwekorrel is een tamelijk eiwitrijk product; het eiwitgehalte varieert veelal tussen 10 en 15 %. Per ton korrel kan de behoefte aan stikstof globaal gesteld worden op 25 kg N/ha. Daarvan is 18 à 20 kg N bestemd voor de korrelgroei, resulterend in een eiwitgehalte van 12 à 13 %; de rest blijft in het stro (+ kaf) achter. Voor hoge korrelproducties zal het gewas aanzienlijke hoeveelheden stikstof moeten opnemen.
De opname van stikstof tijdens herfst, winter en vroege voorjaar is beperkt en bedraagt aan het einde van de uitstoeling zo'n 40 à 50 kg N/ha. Nadien neemt de opname van stikstof ten behoeve van de blad- en stengelgroei sterk toe. Na de bloei loopt de opname door een verminderde activiteit van het wortelstelsel geleidelijk terug. Tijdens de korrelvulling is veel stikstof als eiwit nodig voor de groeiende korrels. Aanvankelijk kan door stikstofopname nog grotendeels aan deze behoefte worden voldaan, maar al gauw en in toenemende mate wordt daarin voorzien door onttrekking van stikstof aan bladeren en stengel, wat geelverkleuring en afsterving van het gewas veroorzaakt.
De hoogte van de stikstofbemesting is in sterke mate bepalend voor de uiteindelijke gewasproductie en de korrelopbrengst. Het verloop van de opname, die nauw gekoppeld is aan de wijze van stikstoftoediening, beïnvloedt de gewasontwikkeling. Dit geldt ondermeer de uitstoeling (spruitvorming), de standdichtheid (aarvorming), de korrelzetting, alsmede de legeringsgevoeligheid. Oogstzekere, hoge opbrengsten verlangen een optimale gewasontwikkeling; de hoogte, maar vooral de wijze van stikstofvoorziening draagt daartoe bij. De stikstofbemesting wordt daarom ook in meerdere keren gegeven.
De stikstof, die voor het gewas beschikbaar is, is afkomstig uit:

  • de bodemvoorraad aan minerale stikstof na de winter;
  • de mineralisatie van stikstof tijdens het groeiseizoen;
  • de toegediende stikstof via kunstmest of dierlijke mest

Kunstmeststikstof wordt vrijwel uitsluitend in vaste vorm gegeven. De werking van de N-meststoffen is vergelijkbaar. Het merendeel van de stikstof wordt als kalkammonsalpeter (kas) gestrooid en via de wortels opgenomen. Vloeibare stikstof, zoals ureum of urean, worden gedeeltelijk door het blad opgenomen en worden nog wel als een overbemesting over het gewas gespoten. Om bladverbranding te voorkomen kunnen slechts beperkte hoeveelheden (10 à 20 kg N/ha) worden gespoten.

Het huidige advies voor stikstofbemesting

Aan wintertarwe zal vaak zo'n 200 kg N/ha moeten worden gegeven om de hoogste opbrengst te kunnen bereiken. Omwille van gewasontwikkeling wordt de stikstof in meerdere keren toegediend.

Eerste stikstofgift
De eerste stikstofgift is bestemd voor een goede spruit- en aarontwikkeling en voor de vorming van een uitgebreid wortelstelsel. Deze gift moet het gewas tot het 2- à 3-knopenstadium (GS 32-33) van voldoende stikstof voorzien; voor de periode nadien moeten aanvullende giften zorgdragen. Bij de vaststelling van de eerste N-gift moet rekening worden gehouden met de voorraad minerale stikstof (N-min) in het bewortelbare profiel. Op klei- en löss-gronden is dit meestal tot 1 m diepte, op zandgronden vaak zo'n 60 cm.
Als richtlijn voor de hoogte van de eerste gift kan worden aangehouden:

eerste N-gift (in kg N/ha)--> 140 - N-min

Als minimum geldt een gift van 30, als maximum een gift van 100 kg N/ha.
Deze richtlijn is zeer algemeen gesteld. De teler zal deze richtlijn steeds moeten aanpassen aan de situatie van elk perceel. Op zware kleigronden zal de eerste gift wat hoger kunnen zijn; op lössgronden vaak wat lager.
Op veenkoloniale gronden met hoge organische stofgehalten is de Nmin-methode niet bruikbaar gebleken. Op deze gronden kan een eerste N-gift van 80 à 100 kg N/ha worden aangehouden.
Laat de plantdichtheid na de winter te wensen over, dan zal in het vroege voorjaar de spruit- en aarvorming bevorderd moeten worden, zodat nog een redelijk tot voldoende aardichtheid wordt verkregen. In die tijd moet voor de jonge plant voldoende opneembare stikstof aanwezig zijn. In dergelijke situaties moet er in de eerste plaats voor gezorgd worden, dat de eerste N-gift tijdig en soms wat verhoogd gegeven wordt. Beter nog lijkt een kleine tussengift van 20 à 30 kg N/ha of een vervroeging van de 2e N-gift, toe te dienen aan het einde van de uitstoeling. Daarmee wordt de vorming van aren gestimuleerd.

Tweede stikstofgift
De tweede stikstofgift is erop gericht dat 500 à 600 van de gevormde spruiten zich ontwikkelen tot volwaardige, aardragende halmen. Het tijdstip van toediening is bepalend voor de ontwikkeling van het gewas. Een vroege 2e N-gift werkt positief op de aarvorming wat de aardichtheid, maar ook de kans op legering, vergroot. Een late 2e N-gift beperkt de aardichtheid, maar verbetert de strostevigheid.

tweede N-gift --> 60 kg N/ha in 1 à 2-knopenstadium (GS 31-32)

Met de 1e en de 2e N-gift krijgt het gewas 200 kg N/ha (bodem-N + kunstmest-N) aangeboden, voldoende voor een opbrengst van zo'n 8-10 ton/ha. Voor zand- en dalgronden is dit voldoende gezien het opbrengend vermogen van deze gronden. Op klei- en lössgronden zal normaliter nog een 3e N-gift worden toegediend.

Derde stikstofgift
Voor opbrengsten van meer dan 9 ton/ha is een N-aanbod van 200 kg N/ha veelal niet toereikend. Op klei- en lössgronden zal daarom vaak een aanvullende, derde stikstofgift moeten worden toegediend.

derde stikstofgift --> 30 à 50 kg N/ha in vlagbladstadium (GS 39-49)

Deze late N-gift heeft een positieve uitwerking op de korrelzetting, maar vooral op de korrelvulling. De stikstofopname wordt verhoogd en het gewas blijft langer groen. Uit onderzoek is gebleken dat in productieve, gezonde gewasbestanden een meeropbrengst van 500 à 1.000 kg korrel per hectare wordt verkregen. Daarnaast wordt het eiwitgehalte in de korrel met ca. 1 % verhoogd.
Uit oogpunt van N-opname moet deze late N-gift worden toegediend voordat het gewas in de aarkomt. Bij een latere toediening van stikstof, bijv. bij de bloei, wordt minder stikstof opgenomen. Voor opbrengst blijkt een 3e N-gift van zo'n 40 kg N/ha voldoende; een hogere gift verhoogt uitsluitend het eiwitgehalte.

Stikstofbemesting voor topopbrengsten

In de afgelopen jaren is de korrelopbrengst van wintertarwe sterk gestegen. Op goede kleigronden worden tegenwoordig regelmatig opbrengsten gehaald van 10 à 12 ton/ha en soms meer. De stikstofbemesting was daarbij vaak hoger dan het bemestingsadvies. Ook daarmee konden weliswaar opbrengsten van meer dan 10 ton/ha worden verkregen, maar de eiwitgehalten in de korrels waren soms dermate laag (ca. 10 %), dat de N-voorziening onvoldoende zal zijn geweest.
Voor de productie van tarwe met ca. 12 % eiwit moet het gewas ca. 25 kg N/ha per ton korrel opnemen (in de bovengrondse organen). Wordt een eiwitgehalte van 11 % als voldoende geacht, dat zal er per ton korrel 22 kg N moeten worden opgenomen. Uit onderzoek is gebleken, dat bij hoge opbrengstniveaus ongeveer 90 % van de aangeboden stikstof (bodem-N + kunstmest-N) door het gewas wordt opgenomen in de bovengrondse organen. Voor een opbrengst van 11 ton/ha zal het gewas ongeveer 240 kg N/ha moeten opnemen. Dit komt neer op een beschikbaarheid van 270 kg N/ha.
Ten opzichte van het algemene bemestingsadvies betekent dit een verhoging van ca. 30 kg N/ha. Om deze stikstof optimaal te benutten voor opname, gewasgroei en korrelproductie is toediening rond het begin van de stengelstrekking de aangewezen weg. Deze tijdige toediening is bevorderlijk voor de N-opname en voor de vorming en ontwikkeling van aren, maar ongunstig voor strostevigheid. Een vroegere toediening is inefficiënt en uit oogpunt van gewasontwikkeling niet gewenst; een late toediening (vlagblad, aarverschijning) beperkt de N-opname en werkt meer op eiwit dan op opbrengst. Het advies is daarom de extra stikstof aan de huidige tweede gift (60 kg N/ha in GS 31-32) toe te voegen. Inzet van een groeiregulator is geboden, ook bij stevige rassen.
Op basis van een theoretische benadering kan voor zeer productieve tarwegewassen als richtlijn voor de stikstofbemesting gelden:

  • 1e gift (kg N/ha): 140 - N-min (februari/maart: GS 21-23)
  • 2e gift (kg N/ha): 60 - 90 (begin strekking: GS 31-32)
  • 3e gift (kg N/ha): 30 - 50 (vlagbladstadium: GS 39-49)

Stikstofvenster

Van stengelstrekking tot bloei heeft het gewas veel stikstof nodig. Het tijdstip van de tweede stikstofgift is belangrijk. Tekorten aan stikstof, resulterend in een schrale gewasontwikkeling, moeten worden vermeden. Inzicht in de N-voorziening van het gewas kan worden verkregen door aanleg van een stikstofvenster. Voor de aanleg van het N-venster is een kleine plek van het tarweperceel (bijv 5x5m) nodig, waar ongeveer 30 kg N/ha minder wordt gestrooid. Een krappe N-voorziening op het perceel wordt vroegtijdig zichtbaar in het venster. Een dreigend N-tekort kan aldus tijdig worden onderkend en worden afgewenteld.
Stikstofgebrek is te herkennen aan een geelverkleuring van het gewas. Bij een ernstig tekort blijven de planten achter in groei en stoelen minder uit. De bladeren verkleuren bleekgroen tot geelachtig en staan steil en sterven vervroegd af.

Afbeelding. De groenheid van een tarwegewas houdt verband met de bemestingstoestand en is een indicatie voor de mate waarin het gewas behoefte heeft aan stikstof.

Fosfaatbemesting

De fosfaatbemesting is gebaseerd op de behoefte van het gewas en op de bemestingstoestand van de grond. Bij een korrelopbrengst van 10 ton/ha wordt in de korrel ongeveer 80, in stro+kaf ongeveer 25 kg fosfaat (P2O5) per hectare aangetroffen. Dit komt neer op ruim 10 kg P2O5 per ton korrel. Afhankelijk van de korrelopbrengst vraagt het gewas 80 tot meer dan 100 kg P2O5 per hectare. Bij hogere opbrengsten neemt de fosfaatbehoefte toe en zal dus zwaarder bemest moeten worden. Deze behoefte zal, naast de bemestingstoestand van de grond, bepalend zijn voor de hoogte van de fosfaatgift.
Omdat fosfaat nauwelijks uitspoelt, is het mogelijk een bouwplanbemesting uit te voeren. Toediening van fosfaat heeft dan ook vaak plaats voorafgaande aan aardappelen en suikerbieten. De fosfaattoestand in de grond wordt als Pw-getal vermeld. Bij een bemesting in bouwplanverband zal aan tarwe alleen fosfaat worden toegediend, als het Pw-getal beneden de streefwaarde voor een optimale fosfaattoestand zakt. Op alle gronden geldt als richtlijn voor de fosfaatbemesting van wintertarwe:

fosfaatgift (in kg P2O5/ha) = 140 - 4 x Pw-getal

Bij een Pw-getal van 35 of hoger behoeft in een bouwplan met hakvruchten geen fosfaat te worden toegediend. Na de hakvruchten blijft er voor de granen normaliter voldoende fosfaat in de bodem achter.
In een graanrijk bouwplan, zoals op de zware klei in Groningen, zal aan de granen wel een bemesting met fosfaat moeten plaatshebben. Gezien de behoefte kan vaak met een bemesting van 80 à 100 kg P2O5 per hectare worden volstaan. In een bouwplan met hakvruchten wordt vaak fosfaat vaak als mengmeststof of als (tripel)superfosfaat gegeven. In een graanbouwplan wordt zo mogelijk voor het zaaien (tripel)superfosfaat gestrooid. De laatste jaren wordt een toenemend deel van de fosfaat verstrekt door middel van dierlijke mest.
Fosfaatgebrek komt bij granen weinig voor en alleen op gronden met een lage fosfaattoestand of met fosfaatfixatie. Fosfaatgebrek wordt zichtbaar door een donkere, dofgroene verkleuring van bladeren en stengels. De bovenste bladeren kunnen later paarsrood verkleuren. De oudere bladeren verdrogen vanaf de top en sterven vervroegd af. Fosfaatgebrek kan door een juiste bemesting worden voorkomen.

(Om praktische redenen wordt hier fosfaat (P2O5) aangehouden: 1 kg P is gelijkwaardig aan 2,29 kg P2O5.)

Kalibemesting

Tijdens de groeiperiode neemt het tarwegewas grote hoeveelheden kali op. Bij de bloei kan de behoefte aan kali gesteld worden op zo'n 300 kg K2O/ha. Bij de oogst bevindt het overgrote deel van kali zich in de stengel; amper 20 % wordt met de korrel afgevoerd.
De hoogte van de kalibemesting wordt in belangrijke mate bepaald door de kalitoestand van de grond, die wordt aangegeven als K- of kaligetal. Het optimale kaligetal is afhankelijk van grondsoort en het percentage slib. Evenals fosfaat wordt kali vaak als bouwplanbemesting voor hakvruchten toegediend. Op klei- en lössgronden is de uitspoeling van kali beperkt en hoeft vaak geen kali aan wintertarwe worden gegeven. Op zand- en dalgronden zal door uitspoeling en de grote onttrekking door fabrieksaardappelen vaak een aanvullende kalibemesting aan granen moeten worden toegediend. Bij een gunstig kaligetal is 100 kg K2O/ha meestal voldoende; bij lage kalitoestanden kan de bemesting oplopen tot meer dan 200 kg K2O/ha. Ook op kalifixerende gronden zijn verhoogde kaligiften nodig.
In een graanrijk bouwplan wordt kali veelal als chloorkali of kali-60 op basis van de kalitoestand van de grond toegediend, bij voorkeur in de herfst.
Kaligebrek wordt in de praktijk vrijwel nooit geconstateerd. De symptomen zijn donker grauwgroene bladeren, soms met bruinachtige vlekken. Het gewas wordt slap en de bladpunten en bladranden verkleuren roodbruin. De planten blijven wat kleiner en de wortels zijn minder goed ontwikkeld. Bij ernstig kaligebrek komen vaak veel loze pakjes voor.

(om praktische redenen wordt hier kali (K2O) aangehouden: 1 kg K is gelijkwaardig aan 1,21 kg K2O.)

Bemesting van de overige mineralen

Kalk, magnesium en zwavel moeten in redelijke hoeveelheden beschikbaar zijn; van de resterende (sporen)elementen is de behoefte gering, maar essentieel.

Kalk is in de bodem in voldoende mate voor het gewas beschikbaar. De betekenis van kalk is indirect. Een bemesting met kalk dient uitsluitend voor het in stand houden, c.q. verhogen, van de pH van de grond, opdat deze geschikt is voor de groei van het gewas. Wintertarwe is vrij tolerant ten aanzien van de pH (range 5 - 8). Als voedingsstof voor granen is kalk of calcium van geen betekenis.

Magnesium zal uitsluitend worden toegediend als op basis van grondonderzoek een tekort mag worden verwacht. Uitgangspunt is een goede bemestingstoestand die door een bemesting met kieseriet of bitterzout kan worden verkregen. In bouwplanverband kan tevens een magnesiumhoudende mengmeststof worden ingezet. Voor acute gebreksverschijnselen, zichtbaar aan donkergroene vlekjes (tijgering) tot geelverkleurde, opgerolde bladeren, is een bladbespuiting met een 2 % bitterzoutoplossing (80 kg bitterzout in 600 liter water) aan te raden.

Zwavel is in de grond en door depositie in voldoende hoeveelheden voor het gewas beschikbaar. Bovendien kan door zwavelhoudende meststoffen (o.a. zwavelzure ammoniak) gemakkelijk in de zwavelbehoefte worden voorzien. Overigens is de depositie door milieumaatregelen in de afgelopen jaren sterk verminderd en neemt de kans op zwavelgebrek toe.

Sporenelementen zoals borium, koper, zink, molybdeen en mangaan zijn weliswaar essentieel voor de groei, maar ze zijn slechts in kleine hoeveelheden nodig en komen veelal van nature in voldoende mate in de bodem voor. In wintertarwe wordt een enkele maal een tekort aan mangaan waargenomen.
Toediening van sporenelementen zal alleen bij een onvoldoende bemestingstoestand van de bodem nodig zijn. Acute gebreken kunnen worden bestreden door een gewasbespuiting. Tekorten aan mangaan komen met name voor bij een hogere pH. Mangaangebrek is vaak pleksgewijs en uit zich aanvankelijk in chlorose van bladweefsel. Op de bladeren verschijnen grijsbruine vlekken, vooral halverwege de bladschijf. Het bovenste deel knikt om en droogt uit. Bestrijding kan plaatsvinden door bespuiting met een 1,5 % mangaansulfaat- (15 kg MnSO4 per hectare in 1000 liter water) of mangaanchelaat (2-5 ltr/ha) oplossing, zonodig na enige tijd herhalen.

Toepassing van dierlijke mest

Ook dierlijke mest kan bijdragen aan de voorziening van diverse mineralen voor het gewas. De hoogte van de mestgift en het tijdstip van toediening is gebonden aan wettelijke regelingen. Dierlijke mest wordt bij voorkeur toegepast ten behoeve van de teelt van hakvruchten en wordt in de herfst op de tarwestoppel en/of vroeg in het voorjaar aangewend.
Voor wintertarwe is toediening van dierlijke mest in de herfst uit oogpunt van de stikstofvoorziening onzeker en weinig efficiënt, zodat het uitrijden van de mest bij voorkeur in het voorjaar moet plaatsvinden. Op bouwland, dus ook op het tarweperceel, moet dierlijke mest in de grond worden ingebracht. Het tijdstip van toediening is sterk weersafhankelijk en dientengevolge niet voorspelbaar. Bij het uitrijden ontstaat enige gewasschade, hoofdzakelijk in de wielsporen; bij het injecteren met behulp van sleepvoeten of sleufkouters is deze schade beperkt. Om de gewasschade beperkt te houden, moet de dierlijke mest voor het strekken van het gewas zijn uitgebracht.
Op basis van bodem- en weersomstandigheden (en de beschikbaarheid van de machines) zal drijfmest doorgaans pas in april kunnen worden toegediend. Dit betekent, dat reeds daarvoor een stikstofgift moet zijn gegeven, nodig voor een vlotte voorjaarsontwikkeling van het gewas.
Aan de hand van de samenstelling van de dierlijke mest kan de mestgift vastgesteld worden. Een juiste en regelmatige mestafgifte is voorwaarde voor een gelijkmatige gewasontwikkeling. De N-werking van dierlijk mest voor het wintertarwegewas is onzeker. Uit onderzoek is gebleken dat alleen de aanwezige minerale stikstof in de mest voor het gewas beschikbaar komt. De verwachte positieve werking op het eiwitgehalte van de stikstof, welke later door mineralisatie zou vrijkomen, kon niet worden aangetoond.