Secondary menu

Teelthandleiding pootaardappelen - ziekten en plagen

15/07/1996 - C.B. Bus - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding pootaardappelen wordt ingegaan op de ziekten en plagen van pootaardappelen.

Schimmelziekten

Phytophthora

De - wereldwijd - belangrijkste ziekte in aardappelen is de schimmelziekte Phytophthora infestans. Kenmerkend voor deze ziekte is dat ze in vatbare rassen bij voor de schimmel gunstig weer, in korte tijd (één à twee weken) in staat is het loof volledig te vernietigen en ook de knollen zodanig aan te tasten dat deze verrotten. Het huidige areaal aardappelen in Nederland bestaat voor een groot deel uit, voor de ziekte, zeer vatbare rassen. Daarom vindt tijdens de teelt een intensieve preventieve bestrijding plaats, waarvoor een groot aantal bespuitingen met fungiciden nodig is.

Aantastingsbeeld
De aardappelziekte kan bovengronds zowel het blad als de stengel aantasten. Op de blaadjes ontstaan waterige, niet scherp begrensde vlekken van 1 à 2 cm doorsnede. Op deze vlekken kan bij een hoge relatieve luchtvochtigheid binnen enkele uren een laag wit schimmelpluis ontstaan, meestal aan de onderzijde van het blad. Binnen een dag wordt dit sporulerende gedeelte van de vlekken bruin. Aan de randen van de vlekken groeit de schimmel verder totdat het hele blaadje is aangetast of totdat het blad afsterft. Op de grens tussen groen en bruin blad is vaak een lichtgroene zone zichtbaar. Droogt een aangetaste plek op dan is de ziekte lastig te onderscheiden van bijvoorbeeld Botrytis. Een eenvoudige test, die een grote mate van zekerheid kan verschaffen of het werkelijk om Phytophthora gaat, is de volgende: stop één of enkele aangetaste blaadjes in een plastic zak, voeg er een paar druppels water bij en leg de afgesloten zak in het donker bij kamertemperatuur weg. De volgende dag kan Phytophthora worden herkend als zich aan de onderkant van de aangetaste blaadjes wit schimmelpluis heeft gevormd).

Op een aangetaste stengel komen grote, langwerpige, grauwbruine tot bruinzwarte vlekken voor die vaak de hele stengel omringen. Onder vochtige omstandigheden wordt hierop, evenals bij bladeren, sporulerend schimmelpluis gevormd. Stengelaantasting ontstaat meestal in bladoksels. Stengelaantasting komt relatief vaak voor in jonge, nog niet gesloten gewassen. In tegenstelling tot aangetast blad kan de schimmel in aangetaste stengels lange tijd in leven blijven en bij gunstige omstandigheden weer gaan sporuleren. Stengelaantasting kan ook vanuit een aangetaste moederknol ontstaan.

Afbeelding 1. Beginnende Phytophthora infestans bladvlek.
Afbeelding 2. Stengelaantasting door Phytophthora infestans.

Op de knollen is de aantasting zichtbaar als blauwachtige, door de schil schemerende vlekken. Het aangetaste knolweefsel is roestbruin van kleur. Tussen deze bruingekleurde enigszins draadvormige structuren komen stukjes normaal weefsel voor. Een dergelijke aantasting wordt 'jong ziek' genoemd. Besmetting vindt plaats als sporen de groeiende knollen bereiken en bij het rooien. De sporen kunnen via lenticellen, ogen en beschadigingen de knol binnendringen. Knolaantasting komt op nattere gronden en op zware kleigrond (scheuren in de grond) meer voor dan op zandgrond. Onder vochtige omstandigheden kan ook op aangetaste knollen schimmelpluis te zien zijn. Tijdens de bewaring kan de ontwikkeling van de ziekte verdergaan, waarbij droog of natrot kan optreden. Natrot kan zich ook naar gezonde knollen verspreiden.

Afbeelding 3. Een totaal door Phytophthora infestans aangetaste knol.

Levenswijze
Phytophthora overleeft ongunstige perioden als schimmeldraden in aangetaste knollen of stengels. De kans dat de ziekteverwekker in de winter in het veld in knollen overleeft is klein omdat aangetaste knollen onder die omstandigheden gemakkelijk wegrotten. In de bewaarplaats is de kans op overleven voor de schimmel veel groter. De schimmel kan ook vrij in de grond overleven als oöspore, een soort rustspore. Na kiemen en boven de grond komen kan dan bijvoorbeeld een aardappelblad dat op de grond ligt vanuit een oöspore worden aangetast en kan van daaruit een nieuwe haard beginnen. De rol die oösporen in Nederland spelen bij de opbouw van een epidemie is nog niet duidelijk. In de meeste gevallen groeit de schimmel vanuit een aangetaste knol mee door de plant, waarbij onder voor de schimmel gunstige omstandigheden (relatieve luchtvochtigheid > 90%) sporedragers met sporen op stengels en/of bladeren worden gevormd. Deze sporen kunnen andere planten infecteren, waardoor de ziekte zich kan verspreiden. Met de infectie van knollen is de cyclus rond. Verspreiding van de sporen gebeurt met wind of opspattende regen. Kieming van sporen en infectie geschiedt alleen in water. Er is dus dauw of regen nodig. Voorts zijn kieming en infectie afhankelijk van de temperatuur. Er wordt vanuit gegaan dat de kieming van de spore plus de binnendringingstijd bij 12 tot 18° C minimaal vier uur duurt. Na binnendringen duurt het minimaal vier tot vijf dagen voordat de schimmel weer naar buiten komt en sporendragers met sporen vormt. Om tot sporenvorming te komen, moet er in het gewas minimaal 10 uur lang een relatieve luchtvochtigheid van meer dan 90% heersen. Bij 15 tot 20° C duurt de cyclus van spore naar aangetaste plek tot een nieuwe generatie van sporen vier tot vijf dagen, mits de omstandigheden hiervoor gunstig zijn. Bij temperaturen boven de 25° C en beneden circa 10° C staat de groei van de schimmel nagenoeg stil.

Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat de cyclus van de aardappelziekte vaak wordt onderbroken: bij droog weer (relatieve vochtigheid < 90%) kunnen geen sporendragers en sporen worden gevormd; als geen vrij water op de plant aanwezig is, kunnen de sporen niet kiemen en binnendringen. Zijn er wel sporen gevormd, maar zijn er overdag enkele uren zon, dan zullen veel sporen door ultraviolet licht en door uitdrogen worden gedood.

Voorkomen/bestrijden
Zolang er geen volledig resistente rassen zijn of betrouwbare chemische middelen met een curatieve (genezende) werking, zal de bestrijding moeten worden gericht op het voorkómen van de aantasting. Hiertoe zijn zowel teelttechnische maatregelen als preventieve bespuitingen onmisbaar.

Teeltmaatregelen:

Bedrijfshygiëne
Phytophthora kan alleen optreden bij aanwezigheid van infectiebronnen. Hierbij kan worden gedacht aan aardappelafvalhopen, aangetaste knollen in het pootgoed en aardappelopslag. Goede preventieve maatregelen, zoals het afdekken van afvalhopen met zwart plastic, controle van pootgoed op de aanwezigheid van Phytophthora en het voorkomen en bestrijden van opslag, zijn de eerste stappen waarmee het optreden van de ziekte kan worden voorkomen.

Rassen
Tussen aardappelrassen zijn er grote verschillen in vatbaarheid voor Phytophthora in het loof en vooral in de knol. Geen enkel ras is volledig resistent. De teelt van minder vatbare rassen verdient natuurlijk de voorkeur. Naarmate de resistentie in het loof beter is, verloopt de binnendringing moeilijker, groeit de schimmel trager door het blad en worden minder sporen gevormd waardoor de epidemie zich langzamer ontwikkelt. Naarmate de knolresistentie beter is, worden de knollen minder gemakkelijk aangetast. Loof en knolresistentie zijn lang niet altijd aan elkaar gekoppeld. In de Beschrijvende Rassenlijst voor Landbouwgewassen is voor de schimmel de mate van resistentie in loof en knol aangegeven.

Matige stikstofbemesting
De kans op infectie wordt behalve door het ras ook bepaald door de zwaarte van het loof. Bij veel loof droogt het gewas langzamer op waardoor Phytophthora meer kans krijgt. Een zware stikstofbemesting kan daarom indirect de kans op aantastingen vergroten. Het is dan ook niet wenselijk om meer stikstof te geven dan nodig is om het gewas tot de loofvernietigingsdatum voldoende groen te houden.

Tijdige loofvernietiging bij een loofaantasting door Phytophthora
Als de grond vochtig is bij het optreden van sporulatie kan knolaantasting plaatsvinden. De sporen kunnen dan namelijk in de grond overleven en door water naar de knollen worden gespoeld. Vooral bij aanhoudend nat weer moet bij vatbare rassen het loof met een snel werkend middel worden vernietigd zodra bij 20% of meer van de planten één of meer blaadjes is aangetast. Bij rassen met een hoge knolresistentie is de marge iets groter.

De wijze van rooien
Als het loof tijdens het groeiseizoen is aangetast door Phytophthora, kan het best worden gerooid als de grond droog is. Het is belangrijk dat de knollen goed zijn afgehard en dat knolbeschadiging tijdens het rooien zoveel mogelijk wordt vermeden. Bij goed afgeharde knollen is de kans op wondjes en ontvellingen geringer en zijn er dus minder invalspoorten voor de schimmel. Door op natte grond in twee fasen te rooien, kan het drogen worden versneld. Ook tijdens het inschuren moet met drogen worden doorgegaan. Door een aangetaste partij zo snel mogelijk droog te blazen, kan de aantasting worden beperkt.

Preventieve bespuitingen

Er is een aantal middelen dat, mits tijdig en voldoende vaak toegepast, geheel of in elk geval in belangrijke mate infectie kan voorkomen. Hierbij zijn belangrijke vragen: wanneer moet de eerste bespuiting worden uitgevoerd, wanneer zijn verdere bespuitingen nodig en welke middelen verdienen de voorkeur? Voor het antwoord op deze vragen is het belangrijk te weten of er in het perceel of in de directe omgeving daarvan reeds een Phytophthora-aantasting aanwezig is.

Tijdstip eerste bespuiting
Dikwijls wordt geadviseerd om op vatbare rassen met de eerste bespuiting te beginnen zodra het gewas 20 cm hoog is. Dit is echter niet altijd nodig. Zolang het gewas nog niet is gesloten en daardoor relatief snel opdroogt en de ziekte nog niet in de omgeving aanwezig is, is het risico op besmetting heel klein. Is de ziekte daarentegen al vroeg in de omgeving gesignaleerd dan moet niet worden gewacht tot 20 cm gewashoogte. Voorkómen moet worden dat het gewas al vroeg wordt aangetast en er daardoor het gehele seizoen extra bespuitingen nodig zijn om verdere uitbreiding tegen te gaan! Een betere stelregel is daarom te beginnen met preventieve bespuitingen zodra de ziekte in de omgeving voorkomt en gunstige weersomstandigheden voor sporulatie en infectie voor Phytophthora worden verwacht. Uitstel van de eerste bespuiting is riskanter naarmate de loofresistentie van het gewas geringer is.

Tijdstip vervolgbespuitingen
Of het uitvoeren van een preventieve vervolgbespuiting nodig is, hangt af van het infectiegevaar. Dit gevaar is afhankelijk van de aanwezigheid van de ziekte in de omgeving (in of buiten het perceel), de weersomstandigheden, de mate waarin het gewas nog met een fungicide is bedekt en de loofresistentie van het ras.

Er wordt dikwijls vanuit gegaan dat een Phytophthoramiddel 7 - 10 dagen na de bespuiting is uitgewerkt. Als het na een bespuiting regent, spoelt een deel van het fungicide van het blad af. Hoeveel er afspoelt hangt ondermeer af van de hoeveelheid en de intensiteit van de neerslag en het tijstip waarop de neerslag valt. Op basis van recent PAGV-onderzoek nemen we aan dat door een flinke bui van 10 - 15 mm, als die valt binnen twee dagen na een bespuiting, de bescherming van het loof met ongeveer één dag afneemt.

Een vervolgbespuiting is niet nodig als de weersomstandigheden voor Phytophthora ongunstig zijn, dus zonnig, droog weer met droge nachten. Zodra echter een weersomslag dreigt en het gewas is niet meer voldoende door een fungicide beschermd, dan is een vervolgbespuiting geboden. Belangrijk is dat met de Phytophthora-bestrijding wordt doorgegaan tot aan de loofvernietiging. Bij beregenen verdient het de voorkeur kort nà het beregenen een bespuiting uit te voeren. Als dit op slecht berijdbare gronden niet mogelijk is dan dient, als de vorige bespuiting vier dagen of langer is geleden, minimaal 24 uur voor het beregenen een bespuiting te worden uitgevoerd. Die minimaal 24 uur wordt aangeraden in verband met de verhoogde kans op afspoeling binnen 24 uur na een bespuiting met een Phytophthora-bestrijdingsmiddel.

Curatieve bespuitingen
Behalve de chemische middelen die Phytophthora preventief kunnen bestrijden, zijn er ook middelen met een curatieve werking; zoals cymoxanil en propamocarb. Cymoxanil kan de schimmel nog onschadelijk maken wanneer binnen 48 uur na de infectie een bespuiting wordt uitgevoerd. Het gewas moet dan wel voldoende vitaal, in de groei, zijn omdat het middel anders niet wordt opgenomen.

Metalaxyl heeft een volledig curatieve werking, wat betekent dat de schimmel in alle stadia in het loof wordt gedood. Het middel is op dit moment niet toegelaten in de teelt van aardappelen maar er wordt gewerktt aan een nieuwe toelating. Nadeel van metalaxyl is het optreden van resistentie van Phytophthora-stammen.

Dosering
Uit recent onderzoek is gebleken dat met een dosering van 75% ten opzichte van het advies op het etiket, mits wekelijks wordt gespoten, een voldoende bescherming van aardappelgewassen mogelijk is. Dit geldt ook voor een gevoelig ras als Bintje. Alleen wanneer de Phytophthoradruk hoog is dienen geen extra risico's te worden genomen en dient met de volle dosering te worden gespoten.

In het algemeen geldt dat naarmate de dosering hoger is, het middel wat langer bescherming biedt. Uit onder meer Amerikaans onderzoek zijn er aanwijzingen, dat bij een zelfde spuitfrequentie met lagere doseringen kan worden volstaan naarmate het geteelde ras meer veldresistentie bezit. In Nederland zijn soortgelijke ervaringen opgedaan.

Waarschuwingssystemen
Er zijn en worden systemen ontwikkeld (ProPhy, TEELTPlus) die waarschuwen wanneer een gevaarlijke periode voor Phytophthora dreigt of heeft plaatsgevonden. Ze maken meestal gebruik van weersgegevens, die in of in de nabijheid van het betreffende perceel zijn verzameld, in combinatie met de weersverwachting en gegevens over de uitgevoerde bespuitingen, het gewasstadium en de Phytophthoradruk in de omgeving van het perceel. Ze geven aan of, en zo ja binnen hoeveel tijd met welk type middel en dosering moet worden gespoten.

Rhizoctonia

De veroorzaker van de ziekte die in de praktijk veelal als Rhizoctonia wordt aangeduid is de schimmel Rhizoctonia solani. Het is een schimmel die algemeen in de grond voorkomt. In de pootgoedteelt komt de meeste schade voort uit de aanwezigheid van sclerotiën op de knollen. Deze sclerotiën op de knollen worden lakschurft genoemd. Door de NAK worden normen gesteld ten aanzien van de hoeveelheid lakschurft die maximaal op de knollen is toegestaan. De kosten bij aantastingen door Rhizoctonia bestaan vooral uit de waarde van de knollen die moeten worden verwijderd als deze te sterk met lakschurft zijn bezet en uit de kosten van het uitsorteren zelf.

Aantastingsbeeld
Bij aardappelen komen aantastingen voor op de jonge scheuten, stengels en stolonen die hierdoor volledig kunnen afsterven. Ook kunnen knollen worden aangetast. Dit kan leiden tot misvormingen en groeischeuren. Daarnaast kunnen de knollen bezet zijn met lakschurft. Lakschurft is de korstvormige bruinzwarte ruststructuur van de schimmel. Vooral na wassen van de knollen is deze goed zichtbaar. Vanuit deze ruststructuur, maar ook rechtstreeks vanuit de grond, kunnen kiemen en jonge stengels worden aangetast. De aantasting is herkenbaar aan licht tot donkerbruin gekleurde ingezonken plekken op de ondergrondse stengeldelen, die de stengels helemaal kunnen omringen en doen afsterven. In het veld is een aantasting herkenbaar aan een onregelmatige opkomst, het afsterven (verdrogen) van stengels, 'knijpende' bladeren bij sommige stengels, misvormde knollen, krielnesten, bovengrondse knollen en soms door een wit schimmelmanchet aan de stengelbasis. Sterft een beperkt aantal stolonen af dan is een verminderd knoltal het gevolg. Als knollen worden aangetast, wordt soms op de plaats van de aantasting de groei geremd, waardoor misvormingen kunnen ontstaan die op groeischeuren lijken.

Afbeelding 4. Knollen die bezet zijn met lakschurft.

Voorkomen/bestrijden
De schade door Rhizoctonia uit zich bij pootaardappelen door een vertraagde opkomst, een onregelmatige stand van het gewas waardoor het moeilijk te selecteren en te beoordelen is, meer uitval als gevolg van knollen die met lakschurft zijn bezet en meer misvormde knollen, door een lagere opbrengst en doorgaans door een wat grovere sortering en soms ook door krielnesten die een bron kunnen vormen van aardappelopslag.

Zowel door teeltmaatregelen als door knol en grondbehandeling met chemische middelen is het mogelijk de schade door Rhizoctonia te beperken.

  • Rotatie en grondsoort. Naarmate vaker aardappelen worden geteeld, is de kans op schade vanuit de grond groter. Bij een teeltfrequentie van eens per vier of meer jaren is de directe schade vanuit de grond aan het gewas, die tot een lagere opbrengst leidt, zeer beperkt. De kans op schade is op zandgrond groter dan op kleigrond.
  • Voorvrucht. Op kleigronden blijkt de voorvrucht gras of graszaad een Rhizoctonia-aantasting te bevorderen. Ook van stro wordt gezegd dat het Rhizoctonia bevordert. Er zijn echter ook publikaties waarin het tegendeel wordt aangetoond.
  • Voorkiemen, pootdatum en rugopbouw. Met de vorming van bladgroen neemt de vatbaarheid voor Rhizoctonia snel af. Daarom is het van belang dat het gewas snel bovenkomt. Dit kan worden gestimuleerd door het pootgoed voor te kiemen, door niet te vroeg te poten en door niet direct vroeg in het voorjaar een grote rug op te bouwen.
  • Rasverschillen. Er zijn verschillen in tolerantie tussen de rassen. Dit heeft evenwel nog niet tot duidelijke behandelingsadviezen voor rassen geleid. Ook de normen van de NAK zijn voor alle rassen gelijk.
  • Lakschurftbezetting pootgoed en vitaliteit van de sclerotiën. Naarmate het pootgoed meer is bezet met sclerotiën van lakschurft en naarmate de schimmel vitaler is, is de kans op schade aan het gewas en lakschurft op de te produceren knollen groter. De sclerotiën kunnen in vitaliteit verschillen als gevolg van de activiteit van natuurlijke antagonisten die in de grond voorkomen en Rhizoctonia doden. Met behulp van een laboratoriumtest is het mogelijk de vitaliteit van sclerotiën vast te stellen. Een van de antagonisten van Rhizoctonia die regelmatig in de grond wordt aangetroffen is Verticillium biguttatum.
  • Knol en grondbehandeling. De schade door Rhizoctonia kan ook worden beperkt door het pootgoed en/of de grond met fungiciden te behandelen. Zie hiervoor de Handleiding Gewasbescherming in Akkerbouw. Daarnaast wordt momenteel (1995) onderzocht of het mogelijk is de van nature in sommige gronden voorkomende schimmel Verticillium biguttatum op praktijkschaal in te zetten ter bestrijding van Rhizoctonia solani.
  • Loofvernietigen, rooien, drogen. Tijdens de groei neemt de hoeveelheid lakschurft op de nieuwe knollen in het algemeen langzaam toe. Het gaat sneller als het gewas in een stres-stoestand komt zoals bijvoorbeeld bij watertekort, zuurstoftekort rond de wortels of een tekort aan voedingsstoffen. Na het vernietigen van het loof vindt een snelle toename plaats die na circa 20 dagen een maximum bereikt. Wordt het loof getrokken in plaats van geklapt dan neemt de ontwikkeling van lakschurft minder snel toe en blijft de maximale aantasting lager. Door pootaardappelen na het rooien grondvrij en droog op te slaan kan uitbreiding van lakschurft tijdens de bewaring in hoge mate worden beperkt. Hierbij kan ook worden gedacht aan het rooien in twee fasen waardoor minder grond wordt ingeschuurd en de ingeschuurde grond droger is. Vooral in stortkegels kan lakschurft nog in belangrijke mate toenemen.

Er is een Rhizoctonia-adviessysteem ontwikkeld waarbij met bovengenoemde factoren rekening wordt gehouden. Met dit adviessysteem kan een perceelsgericht advies worden gegeven voor wat betreft het al dan niet toepassen van een knol- en grondbehandeling. Het toepassen van dit adviessysteem heeft tot bevredigende resultaten in de praktijk geleid.

Voor een protocol voor beoordeling van pootgoed op Rhizoctonia zie Beoordeling aardappelknollen op lakschurft (Rhizoctonia).

Gewone schurft

Dit is een bekende ziekte waarvan de symptomen vooral bestaan uit ronde tot stervormige oppervlakkige tot iets diepere aantastingen van de knollen gevolgd door verkurking. De kg-opbrengst wordt niet beïnvloed. Ook het bovengrondse gewas vertoont geen symptomen. Gewone schurft komt vrij algemeen op de knollen voor. Schurftige pootaardappelen zijn moeilijker verkoopbaar. Sommige landen stellen zeer strenge eisen ten aanzien van schurftaantasting. Daarom zijn door de NAK normen gesteld voor de mate van bezetting met gewone schurft. Voor de klassen S, SE, E, A en B geldt als grens voor normale goedkeuring een aantasting die overeenkomt met schurftschaal 2½ van de PD en bij oppervlakkige- en graslandschurft 3½.

Naarmate knollen meer bezet zijn met gewone schurft drogen zij tijdens de bewaring sterker uit. Bij pootgoed dat ernstig is aangetast - meer dan 50% van de schil met schurft bedekt - kunnen de ogen beschadigd zijn waardoor minder kiemen worden gevormd. De ziekte wordt veroorzaakt door de actinomyceet Streptomyces scabies. Deze komt algemeen in de bodem voor. Het ziektebeeld kan afhankelijk van het aardappelras en de populatie van de ziekteverwekker sterk uiteenlopen. Men onderscheidt daarom wel oppervlakkige schurft, diepe schurft en knobbel- of pokschurft. Deze ziektebeelden komen soms op dezelfde knol voor en gaan in elkaar over.

Bij gescheurd grasland als voorvrucht is de aantasting duidelijk groter dan bij andere voorvruchten. Een schurftaantasting na grasland wordt ook wel graslandschurft genoemd. Dit is echter een naam die verwarring geeft omdat dit zowel oppervlakkige gewone schurft als netschurft kan zijn. Daarom dient de naam graslandschurft niet te worden gebruikt. Het optreden van gewone schurft wordt in sterke mate beïnvloed door het weer en de bodemgesteldheid. Warme en vooral droge bodemomstandigheden bevorderen het optreden van gewone schurft. Ook een hoge pH van de grond en op zandgronden een bemesting met kalk bevorderen het optreden van deze ziekte. Schurft op het pootgoed draagt aan de besmetting van de nateelt in Nederland vrijwel niet bij. Belangrijk is vooral de mate waarin Streptomyces-soorten in de grond voorkomen. Er is geen effect van de teeltfrequentie van aardappelen op de aantasting door gewone schurft.

Afbeelding 5. Aantasting door gewone schurft.

Voorkomen/bestrijden

  • Beregening. Alleen het schilweefsel van jonge knollen is vatbaar voor aantasting door gewone schurft. Gewone schurft geeft alleen aantasting onder droge omstandigheden. Een aantasting kan dan ook grotendeels worden voorkomen door de grond gedurende de eerste drie weken na het begin van knolaanleg vochtig te houden. De knolaanleg komt meestal twee tot drie weken na opkomst op gang. Het is wel zaak tijdig met beregenen te beginnen daar het vaak enige tijd duurt voordat van een heel perceel de grond rondom de stolonen voldoende vochtig is. In tegenstelling tot gewone schurft kan een verhoging van het vochtgehalte in de bodem tot een toename van netschurft en van poederschurft leiden.
  • Bekalking/verzuring. Streptomyces scabies groeit optimaal bij een pH van 6,5 tot 8. Daarom moet - met name op zandgronden - de pH niet te hoog worden. Op deze gronden is het mogelijk de pH te verlagen door gebruik te maken van zure meststoffen zoals zwavelzure en vloeibare ammoniak. Het effect van een lage pH is evenwel vaak niet afdoende. Als een bekalking nodig is met het oog op de verbouw van andere gewassen dan aardappel, dan is het in verband met schurft beter dit niet direct voor de aardappelteelt te doen. Bekalking kort voor het rooien van de aardappelen kan wel. Het heeft dan geen invloed meer op de schurftaantasting van dit gewas maar de kalk wordt bij het rooien wel goed door de grond verdeeld. Op klei- en zavelgronden is met beïnvloeding van de pH weinig te bereiken.
  • Rasverschillen. Tussen aardappelrassen zijn er vrij grote verschillen in de mate waarin aantasting plaatsvindt (zie Rassenlijst). Onder andere Bintje en Désirée zijn zeer gevoelig. Er zijn geen rassen die helemaal ongevoelig zijn voor gewone schurft. Op schurftgevoelige percelen teelt men bij voorkeur minder vatbare rassen.

Poederschurft

Poederschurft wordt veroorzaakt door de schimmel Spongospora subterranea. Deze tast de ondergrondse delen van de plant aan. De eerste zichtbare symptomen in het veld zijn kleine, lichtgekleurde wratjes van 2-10 mm op de wortels. Deze wratjes worden donker van kleur en vallen later uiteen. Bij ernstige aantasting van de wortels kunnen de planten verwelken. De aantasting op de knollen begint met kleine lichtgekleurde pukkels. Deze groeien uit tot pokken van 0,5 tot 1 cm in doorsnede. Later kleuren deze donkerbruin. In eerste instantie ligt de huid van de knol als een vliesje over de pokken heen. Later barst dit vliesje open en komt er bruinzwart poeder, de sporen van de schimmel, naar buiten. De pok blijft als een openstaand vliesje achter. Dit is een typisch kenmerk van poederschurft. De aantasting ligt vaak als een gordel om de knollen. De ziekte treedt heviger op onder koele en vochtige omstandigheden. In natte jaren en bij beregenen is de aantasting daarom groter. Bij de NAK-keuring van pootgoed geldt voor de keuring op poederschurft en schurft samen schurftschaal 2½ voor de klassen S t/m B en 3½ voor de klasse C. Poederschurft is de overbrenger van het zwabbertopvirus, dat echter in Nederland weinig voorkomt. Naast aardappel zijn ook zwarte nachtschade en tomaat waardplant voor poederschurft. De ziekte gaat met het pootgoed over maar kan ook, tenminste 6 jaar, in de grond overleven. De ziekte komt vooral voor op zand- en dalgrond maar kan ook op kleigronden voorkomen. Op de knollen is de ziekte vaak moeilijk van gewone schurft te onderscheiden. Een duidelijk verschilpunt is echter dat gewone schurft alleen direct na knolaanleg ontstaat en dat poederschurft ook later tijdens de knolgroei kan ontstaan.

Afbeelding 6. Gekiemde Bintje knollen, aangetast door poederschurft. Vooral de linker is hevig aangetast./div>
Afbeelding 7. Wrat of gal op de wortel van de aardappelplant. De grote wrat in het midden is nog jong en wit. De linker is al bruin. Bruine wratjes vallen op de grond uiteen in vele sporenballen, de rustlichamen van Spongosora Subterranea, de veroorzaker van poederschurft.

Voorkomen/bestrijden
Niet besmet pootgoed gebruiken, een ruime vruchtwisseling toepassen, zwarte nachtschade goed bestrijden, zorgen voor een goede bodemstructuur en een goede ontwatering en voorzichtigheid bij het beregenen. Dat wil zeggen dat een vochtige grond geen probleem is maar voorkomen moet worden dat de grond langere tijd erg nat is of verslempt. Een lage regenintensiteit (= 10 mm/uur) beperkt de kans op verslemping. Teel pootaardappelen niet op besmet land. Gebruik geen organische mest van dieren die met besmette aardappelen zijn gevoerd. Er zijn duidelijk rasverschillen, maar van de Nederlandse rassen is hiervan geen goed overzicht beschikbaar. Wel is duidelijk dat de Nederlandse rassen in het algemeen vrij vatbaar zijn voor poederschurft. Een methode om poederschurft chemisch te bestrijden is niet voorhanden.

Fusarium-droogrot

Fusarium-droogrot is een typische bewaarziekte. Meerdere Fusariumsoorten kunnen droogrot veroorzaken. De twee belangrijkste zijn Fusarium sulphureum en de iets minder agressieve Fusarium solani var. coeruleum. Beide soorten komen algemeen voor op zowel het pootgoed als in de grond. Het zijn wondparasieten. De verwondingen die ontstaan bij bewerkingen zoals rooien, sorteren en poten (huidbeschadiging, afgebroken kiemen) zijn invalspoorten voor de schimmel. Maar ook beschadigingen veroorzaakt door ziekten zoals Phytophthora infestans en poederschurft en aantasting door aaltjes en insekten bieden Fusarium een kans om de knol binnen te dringen. Tussen de aardappelrassen zijn er duidelijke verschillen in vatbaarheid, waarbij een ras resistent kan zijn voor de ene droogrotveroorzaker en vatbaar voor de andere. De vatbaarheid van de knollen voor Fusarium solani var. coeruleum neemt toe naarmate de aardappelen langer worden bewaard. Daarom is ook het afkiemen van een partij of het snijden van pootgoed in het voorjaar in een enigszins verdachte partij riskant. Aantasting door F. sulphureum kan al binnen enkele weken na het rooien zichtbaar worden.

Aangetaste knollen vertonen uitwendig iets ingezonken plekken, waarop talrijke witroze schimmelkussentjes kunnen voorkomen. Door het ter plaatse ineenschrompelen van de schil kunnen min of meer concentrische ringen ontstaan. In een partij door de NAK-goedgekeurd pootgoed mogen praktisch geen knollen voorkomen die door droogrot zijn aangetast. Als een partij wordt gepoot waarin droogrot aanwezig is, ook al denkt men de laatste knol met symptomen verwijderd te hebben, kan dit leiden tot een slechte stand en verwelking van planten.

Afbeelding 8. Aangetaste knollen.

Voorkomen/bestrijden
In de eerste plaats moet knolbeschadiging bij het rooien en sorteren en bij verdere behandelingen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daartoe moeten de knollen bij het rooien voldoende zijn afgehard en moet voorzichtig worden gerooid. Hierbij moeten rijsnelheid en valhoogte zo goed mogelijk aan de omstandigheden worden aangepast. Direct na het oogsten moet worden gezorgd voor een goede wondheling. Als ontstane wondjes niet vlot helen, kan de ziekte zich snel uitbreiden. De aardappelen moeten verder koel en droog worden bewaard. Bij het sorteren en bij verdere bewerkingen wordt de kans op verwondingen beperkt als er voor wordt gezorgd dat de aardappelen minimaal tot 12° C worden opgewarmd alvorens deze bewerkingen uit te voeren. Verdachte partijen moet men niet afkiemen en zeker niet snijden.

Wanneer bij controle in de herfst reeds Fusarium van betekenis wordt aangetroffen, verdient het de voorkeur om de partij vroeg te ruimen.

Roodrot

Roodrot wordt veroorzaakt door de schimmel Phytophthora erythroseptica. Deze schimmel komt algemeen in alle gronden voor. In sommige jaren en zeer plaatselijk treedt in ernstige mate aantasting van aardappelknollen op, vooral bij een combinatie van hoge temperaturen, structuurproblemen en zware regenval of beregening. Roodrot is een erg vochtig, zich snel ontwikkelend rot dat zijn naam dankt aan het feit dat aangetast weefsel na doorsnijden van de knol in de loop van enkele minuten roze tot rood kleurt. Typisch voor roodrot is dat aangetaste knollen bij het erin knijpen rubberachtig aanvoelen en lekken. Met dit lekken kunnen andere knollen worden aangetast waardoor zelfs binnen enkele weken na het rooien een partij aardappelen in elkaar kan zakken. Roodrot gaat niet met het pootgoed over.

Voorkomen/bestrijden
Een goede structuur en goede ontwateringstoestand van de grond, zodat overmatige neerslag snel kan worden afgevoerd, gaat het optreden van deze ziekte tegen. Als de ziekte bij het rooien wordt geconstateerd, dienen de aardappelen zo snel mogelijk te worden drooggeblazen. Aardappelen afkomstig van natte plekken moeten apart worden opgeslagen. Aangetaste partijen moeten snel worden geruimd.

Verticillium of verwelkingsziekte

Verwelkingsziekte bij aardappelen wordt vooral veroorzaakt door de schimmel Verticillium dahliae en soms door Verticillium alboatrum. De ziekte wordt gekenmerkt door een vervroegd afsterven van het gewas. De schade wordt bevorderd door stressfactoren zoals hitte, droogte, waterovermaat en een te gering aanbod van stikstof. Aaltjes, zoals aardappelcysteaaltje, wortelknobbelaaltje en wortellesieaaltje bevorderen de infectie met Verticillium dahliae. De meest kenmerkende symptomen voor deze ziekte zijn de eenzijdige bladverkleuring tijdens het afsterven van de bladeren en de loodgrijze kleur van de afgestorven stengels. De schimmel heeft een uitgebreide waardplantenreeks en kan in de vorm van microsclerotiën ten minste zes jaar in de grond overblijven. De vorming van microsclerotiën vindt niet plaats zolang het gewas nog groen is.
De ziekte kan ook met het pootgoed worden verspreid.

Afbeelding 9. Halfzijdige verwelking door Verticillium Dahliae. De gecombineerde besmetting met Pratylenchus Penetrans (wortellesieaaltje) zorgt voor een versterkt ziektebeeld.

Voorkomen/bestrijden
Er is tegen deze ziekte geen directe bestrijdingsmethode voorhanden. Wel zijn er verschillen in tolerantie tussen rassen. Onder andere het ras Bintje is gevoelig voor schade. Op besmette grond kan schade worden beperkt door een evenwichtige bemesting en voldoende vocht gedurende het gehele groeiseizoen. Bepaalde voorvruchten, zoals veldbonen, droge erwten, lucerne en blauwmaanzaad, zijn een goede waardplant. Ze zorgen voor meer infectiemateriaal in de grond dan andere. Daarom dienen dergelijke gewassen als directe voorvrucht te worden vermeden. Ook op de bovengrondse delen van monocotyle gewassen zoals gerst en tarwe worden microsclerotiën gevormd. De aantallen zijn echter veel geringer en deze gewassen zijn daarom gunstiger als voorvrucht.

Loofvernietiging door looftrekken leidt tot de vorming van veel minder microsclerotiën op de stengels dan loofdoding met een chemisch middel en beperkt daardoor effectief de opbouw van de populatie. Ook het verwijderen van het veld van de bovengrondse oogstresten van aardappelen, veldbonen, vlas en dergelijke leidt tot een lagere inoculumdichtheid in de grond in de daaropvolgende jaren.

Sclerotinia of rattekeutelziekte

Sclerotinia wordt veroorzaakt door de schimmel Sclerotinia sclerotiorum, een schimmel die veel gewassen, zoals erwten, bonen, witlof, peen en aardappelen, in min of meer ernstige mate kan aantasten. In bouwplannen waarin deze gewassen voorkomen, leidt Sclerotinia soms tot economische schade in aardappelen. Infectie vindt vooral plaats via verwondingen, bijvoorbeeld als gevolg van windschade.

De schade bestaat uit een vervroegd afsterven van aangetaste stengels. In deze stengels kunnen de sclerotiën worden aangetroffen. Deze sclerotiën, in de volksmond rattekeutels genoemd, kunnen jarenlang in de grond overblijven. Ook de knollen kunnen worden aangetast. Dit komt echter niet vaak voor. Aangetaste stengels vergelen vaak en kunnen dan worden verward met zwartbenigheid. De donkergekleurde stengelbasis ontbreekt echter bij sclerotiniastengels.

Vervanging van granen door groentegewassen is er waarschijnlijk de oorzaak van dat Sclerotinia de laatste jaren meer optreedt.

Voorkomen/bestrijden
Een bouwplan met veel grasachtigen gaat het optreden van de ziekte tegen. Chemische bestrijding van de ziekte in het veld is mogelijk, maar duur en lang niet altijd lonend. Zie voor toegelaten middelen de Handleiding Gewasbescherming in de Akkerbouw.

Zilverschurft

Zilverschurft is een knolziekte die wordt veroorzaakt door de schimmel Helminthosporium solani. Zilverschurft komt algemeen op aardappelknollen voor en beïnvloedt de kwaliteit nadelig. Op de knollen ontstaan zilvergrijze vlekken; de schil wordt poreus. Bij ernstige aantasting worden de knollen slap en rimpelig als gevolg van extra indrogen. Ook kiemen ernstig aangetaste knollen minder goed, waardoor het aantal stengels per knol vermindert. De ziekte wordt overgebracht via de knollen en misschien in geringe mate via de grond. De besmetting van de dochterknollen vindt in de grond plaats. Bij de oogst is de aantasting veelal nog nauwelijks waarneembaar, behalve soms na een warm groeiseizoen. Deze ziekte veroorzaakt geen symptomen in het loof. Verwarring met zwarte spikkel is mogelijk. Zilverschurft kan zich onder vochtige, warme omstandigheden tijdens de bewaring sterk uitbreiden. Dit kan echter ook in poterbakjes in het voorjaar als koudere knollen in warmere lucht komen en condensvorming op de knollen optreedt. Bij bewaartemperaturen van 3° C of lager en een relatieve luchtvochtigheid van 90% en lager treedt tijdens de bewaring geen uitbreiding op. Voor deze schimmel zijn geen andere waardplanten bekend.

Afbeelding 10. De linkerknol van het ras Jaerla is hevig aangetast door zilverschurft. Door de aantasting is de schil vochtdoorlatend geworden, de knol heeft hierdoor extra vocht verloren en is rimpelig geworden. Door de uitputting verloopt de kieming minder goed en kan de opkomst geremd worden.

Voorkomen/bestrijden
Er zijn rasverschillen voor wat betreft de gevoeligheid voor zilverschurft; vroegrijpende rassen worden veelal sterker aangetast dan later rijpende rassen.

Belangrijk ter voorkoming van zilverschurft is dat pootaardappelen na inschuren direct droog worden geblazen en vervolgens droog worden gehouden. De droging verloopt uiteraard sneller naarmate de aardappelen droger en met minder grond in de bewaarplaats worden gebracht. Uit het oogpunt van zilverschurftpreventie is het oogsten in twee fasen dan ook gunstig. Dit geldt ook voor de opslag in kisten. In kisten zijn de knollen immers eerder droog dan wanneer ze los worden gestort.

Pootaardappelen worden bij de oogst op grote schaal echter soms onnodig chemisch behandeld tegen zilverschurft en tegelijkertijd tegen Fusarium en Phomadroogrot. Voor een doelmatige behandeling zijn middelen nodig, die ook imazalil bevatten. Middelen met als actieve stof uitsluitend benzimidazolen, zoals TBZ, geven vaak teleurstellende resultaten, omdat de schimmels Helminthosporium solani en Fusarium sulphureum, vrij snel resistent worden tegen deze middelen. Middelen met uitsluitend imazalil zijn wel werkzaam, maar er wordt met het oog op het tegengaan van resistentie-ontwikkeling de voorkeur gegeven aan combinatiemiddelen. Voor de geadviseerde toegelaten middelen wordt verwezen naar de Handleiding. Voor een doelmatige behandeling moet de apparatuur - tegenwoordig meestal schijfvernevelaars - zo zijn afgesteld dat de hele knol met middel wordt bedekt.

In de praktijk is gebleken, dat als men erin slaagt om de partij binnen één week te drogen het als regel niet nodig is om bij het in de bewaarplaats brengen een chemische behandeling toe te passen. Ook is een chemische behandeling weinig effectief als de knollen sterk met grond zijn behangen. Men kan zich dan beter richten op een snelle droging, desnoods met gebruikmaking van verwarmde lucht. Als het pootgoed naar bepaalde, warme landen moet worden geëxporteerd kan dan desgewenst bij het sorteren nog chemisch worden behandeld.

Bacterieziekten

Stengelnatrot en zwartbenigheid

De bacterieziekten die in Nederland aardappelplanten aantasten, worden veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Erwinia. Kenmerkend bij aantasting is een slijmerig, stinkend rot. Deze bacterieziekten worden naar gelang de verschijnselen die zij in het veld laten zien zwartbenigheid of stengelnatrot genoemd. Beide ziekten kunnen in de knollen natrot veroorzaken. Natrot treedt ook vaak secundair op, bijvoorbeeld na een Phytophthora-aantasting van de knollen, na bevriezen, na wateroverlast en dergelijke. Secundair natrot kan behalve door Erwinia-soorten ook worden veroorzaakt door andere soorten bacterin en door schimmels van het geslacht Pythium.

Bacterieziekten, veroorzaakt door Erwinia spp. vormen één van de belangrijkste problemen bij de pootaardappelteelt. Dit is een gevolg van de strenge eisen die er worden gesteld bij de keuring. In basispootgoed, klassen S, SE en E bijvoorbeeld, geldt in het veld de nul-norm. Er mogen tijdens de keuring geen planten met bacterieziektesymptomen worden aangetroffen. Deze strenge eis heeft tot gevolg dat in sommige jaren een groot deel van de klasseverlagingen/afkeuringen wordt veroorzaakt door planten met bacterieziekte-verschijnselen. Het gevolg van deze strenge normen is dat Nederland ten opzichte van andere pootgoedtelende landen relatief weinig problemen kent met bacterieziekten tijdens de nateelt, zoals de teelt van consumptie of zetmeelaardappelen.

Afbeelding 11. Door zwartbenigheid aangetaste knollen. Van links naar rechts een toenemende mate van aantasting. Als de knollen vanuit een zieke plant worden aangetast dan is deze aantasting vanaf het naveleinde te zien.

Voorkomen/bestrijden
Zwartbenigheid en stengelnatrot gaan met het pootgoed over en kunnen alleen indirect worden bestreden. Toen kwik nog was toegelaten konden met dit middel de bacteriën die op de knol zaten worden gedood. Tegen iets dieper in de knol zittende bacteriën kon ook dit middel niets doen. De thans beschikbare ontsmettingsmiddelen zijn minder effectief dan kwik en daarom moet bij de bestrijding van bacterieziekten veel nadruk worden gelegd op preventie. Hierbij zijn twee zaken vooral belangrijk.

  1. Uitgaan van gezond pootgoed en;
  2. Voorkomen dat rotte knollen gezonde knollen besmetten (versmering).

De kans op gezond pootgoed is het grootst als hooggekwalificeerd pootgoed wordt gebruikt van een bekende herkomst. Versmering treedt vooral op bij beschadigingen in combinatie met vocht. Dit kan vooral gebeuren als onder natte omstandigheden wordt gerooid en zeker als er dan ook nog rotte moederknollen aanwezig zijn. Moederknollen moeten dan ook in een zo vroeg mogelijk stadium tijdens het rooien worden verwijderd. Eén bacterierotte knol kan zeker 100 kg pootgoed besmetten. Beschadigingen treden ook op als gekiemd pootgoed in het voorjaar wordt gesorteerd. Daarom moet kiemlustig pootgoed tot het sorteren bij 3 á 4° C worden bewaard. Ook het snijden van pootgoed is in verband met de verspreiding van bacterieziekten een uiterst riskante bezigheid. Voorts zijn van belang: een goede structuur en goede ontwateringstoestand van de grond, het voorkómen dat knollen nat regenen bij het rooien en bewaring onder droge en koele omstandigheden. Met name als de aardappelplanten verzwakt zijn in combinatie met zuurstofarme omstandigheden kunnen aanwezige Erwinia-bacterin zich snel vermeerderen. Bodemvriendelijk, dat wil zeggen met een lage intensiteit, beregenen en niet meer dan 15 à 20 mm per keer, heeft in het algemeen geen verhoging van het aantal bacteriezieke planten en knollen tot gevolg. Vergelijking van verschillende potermaten heeft aangetoond dat bij grotere poters de kans op bacteriezieke planten groter is. Daarom zijn poters groter dan 50 à 55 mm in verband met bacterieziekten voor de pootgoedteelt minder geschikt. Het uitselecteren van bacteriezieke planten in een perceel pootgoed is uit oogpunt van de gezondheid van de te oogsten partij nauwelijks zinvol. Als in een perceel bacteriezieke planten staan, zal het uitgangspootgoed besmet zijn geweest. Dit zal onder bepaalde omstandigheden bij een deel van de planten tot zichtbare symptomen leiden. Zodra er planten met symptomen zijn, zijn er ook planten die geen zichtbare symptomen hebben maar die wel besmet zijn. Er zijn dan ook aangetaste knollen, zowel aan planten met als zonder zichtbare symptomen.

Vanuit de praktijk is bekend dat bij het ene ras vaker bacterieziekten optreden dan bij het andere ras.

Bruinrot en ringrot

Bruinrot wordt veroorzaakt door de bacterie Pseudomonas solanacearum en komt algemeen voor in tropische en subtropische gebieden. De ziekte kan zich echter ook in gebieden met een kouder klimaat vestigen en is enkele keren in Nederland gesignaleerd. De ziekte veroorzaakt verwelking van planten en een stinkend knolrot en is zeer moeilijk te bestrijden. Bij doorsnijden van de knollen vormen zich, zonder dat druk hoeft te worden uitgeoefend, op de vaatbundelring glanzende slijmpareltjes. Bij een ver voortgeschreden aantasting van de knollen kleurt de vaatbundelring lichtbruin tot bruin. Het slijm kan door de ogen naar buiten treden. Door het aanhechten van grond leidt dat tot 'vuile ogen' bij het rooien.

Ringrot wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium sepedonicum en komt niet in Nederland voor maar wel in sommige andere Europese landen en in Noord-Amerika. Het meest kenmerkende symptoom bij ringrot is, bij doorsnijden van de knollen, aanvankelijk een licht gelige verkleuring van de vaatbundelring. Bij druk komt een band van roomachtig bacterieslijm uit de vaatbundelring en er blijft een holte tussen schors en merg. Later krijgt het vaatweefsel een donkere kleur.

Voorkomen/bestrijden
Zowel bruinrot als ringrot zijn gevaarlijke quarantaineziekten die met het pootgoed overgaan en langere tijd in de grond kunnen overleven. Om besmetting te voorkomen is het zaak een strikte bedrijfshygiëne toe te passen en alleen goedgekeurd pootgoed te gebruiken. Ervaringen ten aanzien van bruinrot hebben evenwel laten zien dat deze maatregelen niet altijd afdoende zijn.

Virusziekten

Een virus is een ziekteverwekker die zo klein is dat deze alleen met een elektronenmicroscoop zichtbaar kan worden gemaakt. Het heeft geen eigen stofwisseling maar kan wel de stofwisseling van aardappelen beïnvloeden, met als gevolg dat aardappelen minder goed groeien en de opbrengst lager blijft. Virussen zijn bovendien besmettelijk dat wil zeggen dat ze van zieke op gezonde planten kunnen worden overgebracht. Om de opbrengst van aardappelen op peil te houden, is daarom gezond pootgoed van groot belang.

De belangrijkste in Nederland voorkomende virussen zijn: Y-virus (Yn, Yo, Yc) en bladrolvirus. Iets minder belangrijk zijn het A-, X- en S-virus en het tabaksratelvirus. Daarnaast komen soms voor: ABC-ziekte veroorzaakt door het tabaksnecrosevirus, aucubabont veroorzaakt door het aucubamozaïekvirus, rolmozaïek veroorzaakt door het M-virus en zwabbertop veroorzaakt door het zwabbertopvirus.

Oude gewassen zijn minder vatbaar voor virusinfecties dan jonge gewassen. Dit verschijnsel wordt ouderdomsresistentie genoemd. De meeste aardappelvirussen veroorzaken het zogenaamde mozaïek of bont. Met beide begrippen worden dezelfde verschijnselen bedoeld. Combinaties van virussen, met name X en S met Y of A, kunnen een sterke plantmisvorming en groeiremming veroorzaken waarbij de opbrengst ernstig wordt geschaad (complexziekten).

Virussen kunnen op verschillende wijzen worden overgebracht, namelijk

  • door bladluizen;
  • door contact tussen zieke en gezonde plantedelen, doordat een zieke plant tegen een gezonde schuurt en er sap overgaat;
  • door vrijlevende aaltjes van de geslachten Trichodorus en Paratrichodorus en
  • door schimmels (o.a. ABC-ziekte).

De mate waarin de symptomen (ziektebeelden) van een virusaantasting zichtbaar zijn, is ondermeer afhankelijk van: het soort virus waarmee de plant is besmet, het aardappelras, het type aantasting, primair dan wel secundair en de groei-omstandigheden. We spreken van primair als een gezonde plant tijdens het groeiseizoen besmet raakt en van secundair als een zieke plant uit een zieke knol is gegroeid. Bij bewolkt weer zijn de ziektebeelden over het algemeen beter zichtbaar dan bij felle zonneschijn. Tussen de verschillende aardappelrassen zijn er grote verschillen in vatbaarheid voor virusziekten. Tussen het tijdstip waarop het loof wordt besmet en het moment waarop de nieuwe knollen worden geïnfecteerd, verloopt enige tijd. Als vuistregel wordt aangenomen dat deze periode varieert van één tot circa drie weken, afhankelijk van het virus, de ouderdom van het gewas, het ras en de groei-omstandigheden.

Met het oog is niet altijd vast te stellen of aardappelplanten besmet zijn. Daarom is het van belang dat er een betrouwbare toetsmethodiek is waarmee de verschillende virussen kunnen worden aangetoond. Zo'n methodiek, geschikt voor routinematig onderzoek, is de ELISA-toets. Een toets waarvan de NAK bij de keuringen, zowel tijdens de veldkeuring als tijdens de nacontrole veelvuldig gebruik maakt.

Afbeelding 12. Een achtergebleven plant met sterke symptomen van een virus. Waarschijnlijk een aantasting van meerdere virussen o.a. y-virus, complexziek genoemd.
Afbeelding 13. Trichodorus aaltje prikt met zijn stekel (stilet, een soort injectienaald) een plantecel aan. In het mondspeeksel kan ook het Tabaksratelvirus zitten. Bij het aanprikken van de cellen kan het virus op de plant worden overgebracht.

Bladrol

Bladrol, vroeger wel krulziekte genoemd, is de eerst bestudeerde virusziekte bij aardappelen en komt overal voor waar aardappelen worden geteeld. De belangrijkste symptomen zijn het achterblijven in groei, het rollen van de onderste bladeren van secundair aangetaste planten, de steile bladstand en de lichte kop. Een gewas waarvan alle planten secundair zijn aangetast geeft vaak minder dan de helft van de normale opbrengst. Alle Nederlandse rassen zijn vatbaar voor bladrol, maar er zijn rasverschillen; zie de Rassenlijst. Het bladrolvirus wordt in het veld alléén door bladluizen, op persistente wijze, overgebracht. De groene perzikluis is verreweg de belangrijkste overbrenger van het virus. Persistent betekent dat een bladluis die het virus heeft opgenomen, na circa één dag, z'n hele verdere leven planten kan besmetten. De jongen van een besmette groene perzikluis zijn echter niet besmet.

Afbeelding 14. Een plant, ras Desirée, secundair besmet met bladrol. De kop van de plant is wat licht gekleurd. De onderste bladeren staan strak en rollen iets naar binnen.

Voorkomen/bestrijden
Bladrolvirus kan niet worden bestreden. Wel kunnen de luizen die dit virus overbrengen worden bestreden; zie hiervoor het hoofdstuk bladluizen. Voorts kan worden uitgegaan van:

  • hoogwaardig, dat wil zeggen bladrolvirusvrij, uitgangsmateriaal;
  • rassen die minder vatbaar zijn voor bladrol;
  • teeltgebieden waar als gevolg van klimatologische omstandigheden minder bladluizen voorkomen;
    bijvoorbeeld langs de kust met overheersend zeewind;
  • vroeg selecteren waardoor wordt voorkomen dat er infectiebronnen in het veld staan;
  • teeltmaatregelen zoals voorkiemen en een matige stikstofbemesting. Hierdoor wordt gezorgd voor een
    vroeg gewas dat tijdig ouderdomsresistentie ontwikkelt;
  • tijdig het loof vernietigen. Hierdoor kan besmetting worden vermeden tijdens de periode van hoge
    infectiedruk als gevolg van de zomervlucht van de groene perzikluis.

Y-virus

Van de virusziekten geeft het Y-virus in Nederland de meeste problemen, als gevolg van klasseverlagingen en afkeuringen. Het wordt vooral door bladluizen overgebracht. Bij het Y-virus wordt hierbij onderscheid gemaakt in drie stamgroepen: het oude Y-virus (YO), het stippelstreepvirus (YC) en het nieuwe Y-virus (YN). Het YO-virus reageert over het algemeen met duidelijke krinkelsymptomen en groeiremmingen in het loof en soms met bont, bij het YCvirus reageren veel aardappelrassen met stippelstreep (necrotische stipjes en streepjes op het blad) en soms alleen met bont. Het YN-virus werd in 1957 voor het eerst in ons land waargenomen. Van de drie Y-virusstammen levert het de meeste problemen op omdat de symptomen in het algemeen het zwakst zijn, zwak bont, en omdat veel aardappelrassen hiermee gemakkelijk geïnfecteerd raken. Van het YN-virus is ook aangetoond dat dit bij afkiemen, snijden en wrijven van knol op knol kan worden overgebracht. Door direct contact tussen bladeren in het veld wordt YN-virus vrijwel niet verspreid.

Binnen het Nederlandse rassenassortiment zijn slechts Santé en Corine volledig resistent tegen alle stamgroepen van het Y-virus. Ongeveer 50% van de rassen bezit veldresistentie tegen het YC-virus. In het algemeen wordt aangenomen dat rassen voor YO- en YN-virus dezelfde vatbaarheid bezitten. Dit geldt echter niet voor alle rassen. Behalve voor bladrol, is ook de vatbaarheid voor YN-virus, A- en X-virus weergegeven in de Rassenlijst.

De overbrenging van Y-virus door bladluizen gebeurt op niet-persistente wijze. Dat wil zeggen dat bladluizen bij zeer oppervlakkige proefprikken virusdeeltjes uit de buitenste cellagen van het blad opnemen en aan de monddelen meedragen. Een niet-persistent virus circuleert niet in het lichaam van de luis en kan onmiddellijk op andere planten worden overgedragen. Na één of twee prikken in gezond weefsel is al het virus afgegeven en kan de bladluis andere planten niet meer besmetten. Dit lukt ook niet meer als tussen opname en afgifte van het virus meer dan één of twee uur is verlopen.

Voorkomen/bestrijden
Ook Y-virus kan niet worden bestreden. Besmetting dient te worden voorkomen. Hiertoe kan het volgende bijdragen:

  • gezond, dus virusvrij, uitgangsmateriaal. Dit voorkomt dat binnen een perceel besmettingsbronnen aanwezig zijn.
  • geïsoleerde teelt. Naarmate de afstand tot een perceel dat besmettingsgevaar oplevert groter is, is de
    kans op besmetting geringer. Teelt in echt geïsoleerde gebieden is in Nederland echter niet mogelijk. Hoewel bladluizen zich over grote afstanden kunnen verplaatsen is toch gebleken dat een strook van enkele tientallen meters van pootgoedpercelen, die grenzen aan percelen met veel virusbronnen over het algemeen sterker met virus is besmet dan de verderaf gelegen gedeelten. Een afstand van 25 meter tussen een pootgoedperceel en een perceel dat geacht wordt besmettingsgevaar op te leveren is daarom in Nederland verplicht.
  • bladluisarme gebieden. Gebieden waar weinig bladluizen voorkomen, zoals langs de kust met een
    overheersende windrichting van zee beperken de kans op besmetting.
  • uitschakelen van besmettingbronnen. Maatregelen hiertoe zijn: Het uitpoten van gezond pootgoed voor
    de teelt van consumptie en zetmeelaardappelen en voorkomen dat er besmette aardappelopslag
    voorkomt in of in de nabijheid van een pootgoedperceel. In het pootgoedperceel zelf moeten viruszieke
    planten zo vroeg mogelijk worden verwijderd. Deze selectie dient plaats te vinden onder bladluisvrije omstandigheden, bijvoorbeeld door zonodig het gewas enkele dagen voor de selectie met een insecticide te bespuiten. Selectie in met bladluizen bezette percelen doet in de regel meer kwaad dan goed! Voorts dienen bij de selectie luisdichte zakken te worden gebruikt zodat nog aanwezige luizen op
    de viruszieke planten niet worden rondgestrooid.
  • vernietigen van bladluizen. Allerlei soorten bladluizen kunnen Y-virus overbrengen. Hiertoe behoren
    soorten die de aardappel niet als waardplant hebben, de zogenaamde passanten. Ze kunnen in groten
    getale voorkomen. Ze doen een proefprik en vliegen weer verder, prikken soms nog eens waarbij ze het virus overgebracht kunnen hebben en vliegen het perceel weer uit. Binnen korte tijd kunnen bladluizen op deze manier een besmetting overbrengen, een tijd die te kort is om ze door middel van insekticiden te doden. Bladluizen die gedurende langere tijd in het aardappelgewas blijven kunnen wel door insekticiden worden gedood. Dit doen soorten die de aardappel als waardplant hebben zoals de groene perzikluis. Een soort die op zeer effectieve wijze Y-virus kan overbrengen.
  • bespuitingen met minerale oliën. Sinds 1978 is in Nederland het gebruik van minerale olie op pootaardappelen toegestaan. Een dun laagje olie op het gewas is effectief gebleken bij de bestrijding van niet-persistente virussen zoals het YN-virus. Minerale olie remt niet alleen de infectie van gezonde planten met niet-persistente virussen door bladluizen, maar ook de opname van deze virussen uit virusdragende planten. Door wekelijkse bespuitingen met 15 l minerale olie vanaf opkomst tot een week voor de oofvernietiging is het mogelijk de besmetting met YN-virus met ongeveer 6070% te beperken. Bij wekelijkse bespuitingen met 7,5 l minerale olie plus een insecticide-pyrethroïde worden soortgelijke
    resultaten verkregen. Deze combinaties hebben het voordeel dat ook aanwezige bladluizen worden bestreden.
    Nadelen van regelmatige bespuitingen met minerale olie zijn;
    - een gemiddeld 5-10% lagere totale pootgoedopbrengst
    - kans op bladverbranding in combinatie met sommige fungiciden tegen Phytophthora
    - een slapper gewas en een gewas dat langer nat blijft en waarin soms bij regenval stengelbreuk kan
    optreden.
  • Ook teeltmaatregelen zoals voorkiemen, een matige stikstofbemesting en tijdig het loof vernietigen kunnen de besmettingskansen beperken. Door voor te kiemen en een matige stikstofbemesting wordt gezorgd voor een vroeg gewas en een gewas dat tijdig ouderdomsresistentie ontwikkelt. Door tijdig het loof te vernietigen wordt het gewas niet blootgesteld aan de zomervlucht van de groene perzikluis en van andere bladluissoorten.
    Als het aantal vliegende bladluizen, afhankelijk van de soort, te hoog wordt, worden door de NAK,
    loofvernietigingsdata geadviseerd of vastgesteld. Deze data zijn ook afhankelijk van het ras, de klasse van het pootgoed en het teeltgebied. Voor deze data dient het loof te zijn vernietigd. Evenals voor bladrol geldt ook voor de nietpersistente virussen dat na de loofvernietiging nieuwe uitloop moet worden voorkómen in verband met een sterk vergrote kans op nieuwe infecties.

A-virus

A-virus wordt in het veld op niet-persistente wijze door bladluizen overgebracht. Ongeveer de helft van de Nederlandse rassen, waaronder Bintje, is resistent tegen dit virus; zie Rassenlijst. Zowel bij primaire als secundaire infecties reageren de planten veelal met zwak onduidelijk bont. Bij lagere temperaturen zijn de ziektebeelden beter zichtbaar dan bij warmer weer. Voor het voorkómen van A-virusbesmetting gelden dezelfde maatregelen als voor Y-virus.

X-virus

X-virus is een virus dat slechts tot zwakke ziektebeelden leidt, behalve als het in combinatie met andere virussen zoals A- of Y-virus, in de plant voorkomt. Ook voor dit virus is ongeveer de helft van de Nederlandse rassen resistent. Het virus wordt in het veld alleen door kontakt tussen zieke en gezonde planten overgebracht. Dit kan ook plaatsvinden door mensen en machines. Aangetoond is dat dit virus op geverfd hout, op jute of katoen tot 6 uur na aanhechten nog infectieus is. Uitgaande van een lage beginbesmetting van 13%, kan de infectie in een seizoen worden verdubbeld tot verdrievoudigd. Ook door handelingen zoals afkiemen en verwonden kan het virus rechtstreeks in de knollen worden gebracht. Deze virusziekte kan worden voorkomen door uit te gaan van virusvrij pootgoed. Uitbreiding kan worden tegengegaan door te voorkomen dat de ziekte in het veld en tijdens behandelingen van partijen pootgoed met werktuigen wordt verspreid.

S-virus

Alle Nederlandse rassen zijn vatbaar voor S-virus, dat slechts zeer zwakke symptomen geeft. Veel rassen blijven zelfs symptoomloos. In het laboratorium daarentegen is dit virus serologisch wel gemakkelijk te herkennen. S-irus wordt in het veld overgedragen door kontakt tussen geïnfecteerde en gezonde planten. Sommige S-virusstammen worden door bladluizen overgebracht. Uitbreiding van S-virus kan worden voorkomen door uit te gaan van hoogwaardig pootgoed en voorts moet worden voorkomen dat het virus met werktuigen en bladluizen wordt verspreid.

Stengelbont/kringerigheid

Stengelbont en kringerigheid worden veroorzaakt door serotypen (stammen) van het tabaksratelvirus, een bodemgebonden virus. Als er symptomen in het loof te zien zijn spreken we van stengelbont en bij symptomen op en in de knol van kringerigheid. Vaak vertoont maar een beperkt aantal stengels van een plant ziekteverschijnselen. De stengels zijn vaak gedrongen, in de blaadjes is een sterke bontheid waar te nemen. Bij knollen met kringerigheid is het meest voorkomende symptoom het optreden van bruingekleurde kringen of gedeelten van kringen, ook wel vlekken, in het knolvlees. Het virus wordt overgebracht door in de grond levende aaltjes van de soorten Trichodorus en Paratrichodorus. Ze komen voornamelijk voor op zandgronden (dalgronden) en zeer lichte zavelgronden. Als het relatief nat is in april, mei en juni (de infectieperiode) dan komt de aantasting frequenter voor dan in droge voorjaren. In aardappelpercelen komen de aantastingshaarden pleksgewijs voor. Als de grond eenmaal is besmet, dan is het zeer moeilijk deze weer 'virusvrij te maken'. Meer dan 300 plantesoorten, waaronder vele onkruiden, zijn namelijk waardplant voor het tabaksratelvirus. Een groot aantal van deze planten is ook waardplant voor de aaltjes. In volwassen aaltjes blijft het virus minimaal een winter infectieus. De mate waarin verschijnselen van kringerigheid in de knollen te zien zijn, is erg rasafhankelijk (zie Rassenlijst). Niet alle rassen die duidelijke symptomen geven van kringerigheid doen dit ook voor stengelbont. Door grondontsmetting kan de aaltjespopulatie, en daarmee de virusdruk, sterk worden gereduceerd, maar na enige seizoenen is het effect op stengelbont en kringerigheid weer verdwenen. Dit wordt, behalve doordat de doding door grondontsmetting geen 100% is, ook veroorzaakt doordat aaltjes tot diepten van 120 cm beneden het maaiveld worden aangetroffen én zich vrij snel kunnen verplaatsen. Recentelijk bleek uit onderzoek dat door het telen van bladrammenas als groenbemester of als groene braak, kringerigheidssymptomen in aardappelen sterk werden gereduceerd. Daarentegen kunnen gele mosterd en grassen als groenbemester of als groene braak problemen met kringerigheid versterken.

Afbeelding 15. Stengelbont als gevolg van een infectie met het Tabaksratelvirus.
Afbeelding 16. Het door Paratrichodorus teres overgebrachte TabaksRatelVirus veroorzaakt kringerigheid in aardappel.

Plagen

Aardappelcysteaaltjes

Aardappelcysteaaltjes vormen een gevaar voor de aardappelteelt omdat ze door beschadiging van de wortels de opbrengst negatief beïnvloeden. Is de grond eenmaal besmet met aardappelcyste-aaltjes dan is het door aardappelmoeheidsresistente rassen te telen respectievelijk grondontsmetting wel mogelijk het aantal aaltjes terug te dringen maar helemaal vrij van aardappelcyste-aaltjes wordt de grond niet meer.

Bij pootaardappelen vormt besmetting van een partij met aardappelcyste-aaltjes een dusdanig negatief kwaliteitsaspect dat in het keuringsreglement van de NAK is opgenomen dat pootaardappelen alleen worden gekeurd als het perceel waarop de teelt plaatsvindt, vrij is van aardappelcyste-aaltjes. Deze percelen moeten hiertoe, door een erkend laboratorium, vooraf worden onderzocht door middel van grondmonsteronderzoek. Percelen worden afgekeurd als tijdens de veldkeuring aardappelcyste-aaltjes of stengelaaltjes van enige betekenis worden aangetroffen. Bovendien wordt bij het sorteren van pootaardappelen vrijkomende grond op aardappelcyste-aaltjes onderzocht. Sommige buitenlandse afnemers zijn zo beducht voor deze plaag dat zij eisen dat het pootgoed vrij is van grond.

Voorkomen/bestrijden
Voorkomen moet worden dat de grond besmet raakt met aardappelcyste-aaltjes. Besmetting kan plaatsvinden door aanvoer van cysten via grond, zoals zeef en sorteergrond, door grond aan plantgoed en aan machines, zoals bietenrooiers, trekkers en dergelijke en door verstuiven van grond. Dit geldt eveneens voor besmet pootgoed, besmette verse dierlijke mest en besmet schoeisel.

Intensieve bemonstering: De verleiding is groot om uit kostenoogpunt en op basis van risicoinschatting alleen de vereiste minimumbemonstering van 200 cm3 per éénderde hectare op aardappelcyste-aaltjes te laten uitvoeren. Deze bemonstering is immers voldoende voor de AM-vrijverklaring. Voor de beheersing van aardappelmoeheid op bedrijfsniveau is deze 200 cm3-bemonstering echter absoluut ongeschikt. Een praktische oplossing is om direct na de aardappelteelt, nog voor het lostrekken van de grond, via AMI (AardappelMoeheid Intensief) te laten bemonsteren. Door de AMI-bemonstering krijgt de teler een goed beeld van de besmettingssituatie op het bedrijf.

In het najaar voor de volgende aardappelteelt laat men alleen die stroken waarin met AMI cysten zijn gevonden nogmaals bemonsteren, maar nu met een 200 cm3-monster per éénderde hectare. Alleen die besmettingen die de wettelijke norm te boven gaan zullen dan in de 200 cm3-bemonstering besmet worden bevonden. Alleen deze stroken zullen worden uitgesloten van de pootgoedteelt.

Op de stroken die bij AMI besmet zijn bevonden kan dan pootgoed met de juiste resistentie worden geteeld. Via de soortbepaling laat men vaststellen om welke soort het gaat. In het geval van een besmetting met Globodera. rostochiënsis is er een ruime keuze aan resistente rassen. In geval van Globodera. pallida moet de populatie via de rassenkeuzestoets nader worden gekarakteriseerd. Wanneer de relatieve vatbaarheid van de beschikbare Pa-resistente rassen te hoog is, zal het bouwplan moeten worden verruimd. Voordeel van deze manier van werken is dat men zelf tijdig weet hoe de AM-situatie is en dat men zijn maatregelen kan nemen.

Vooral voor pootgoedtelers is het van belang zich te realiseren dat de teelt van Pa-resistente rassen of een besmetting met G.pallida langzaam maar zeker leidt tot een lichte maar egale besmetting van het perceel. Hierdoor wordt de kans op een besmetverklaring in de loop van de tijd groter. Het is daarom aan te bevelen in geval van een G. pallida-besmetting de hoogst mogelijke resistentie in te zetten.

Bladluizen

Bij pootaardappelen vormen bladluizen een grote bedreiging voor de teelt omdat zij virusziekten kunnen overbrengen. Dit is een indirecte wijze van schade veroorzaken. Daar bladluizen in verband met virusziekten bestreden worden vormen de verschijnselen toprol en zuigschade geen probleem in pootaardappelen.

Bladluissoorten en virusoverdracht
Er zijn enkele bladluissoorten die op het gewas aardappelen kunnen leven en zich er in kunnen vermeerderen. De bekendste en gevaarlijkste is de groene perzikluis omdat deze luis - als zij eenmaal het bladrolvirus heeft opgenomen - in staat is hiermee haar hele verdere leven aardappelplanten te besmetten. Daarnaast kan deze bladluissoort ook op zeer effectieve wijze Y-, A- en S-virus verspreiden. Andere soorten die zich ook op aardappelen kunnen vermeerderen zijn de aardappeltopluis, de boterbloemluis, de vuilboomluis en de sjalotteluis. Naast deze vijf soorten, zijn er vele gevleugelde bladluissoorten die aardappelpercelen bezoeken en er bij het zoeken naar voedsel proefprikken verrichten. Indien ze een met virus geïnfecteerde plant hebben aangeprikt, kunnen sommige soorten bijdragen aan de virusverspreiding in het gewas door nog één of meerdere keren in gezonde planten te prikken. Deze soorten kunnen geen van alle zo effectief nietpersistente virussen overdragen als de groene perzikluis maar ze kunnen wel in de voor aardappelen gevoelige fase, als er nog maar weinig ouderdomsresistentie is, in zeer groten getale voorkomen.

Veel bladluissoorten, waaronder de groene perzikluis, hebben verschillende zomer en winterwaardplanten. In het najaar worden de eieren afgezet op de winterwaardplanten. In het voorjaar vliegen luizen van de winterwaarden naar de zomerwaardplanten, waaronder de aardappel. Ook is het mogelijk dat luizen in het veld of in de kas overwinteren. Bladluizen komen zowel in gevleugelde als in ongevleugelde vorm voor.

Afbeelding 17. Pentekening van een gevleugelde groene perzikluis. Een duidelijk herkenningsteken is de typische 'rugvlek'.

Bladluizen kunnen zich onder gunstige omstandigheden zeer snel vermeerderen. Bij gunstig weer kan een gemengde populatie van jongere en oudere bladluizen in één week vijf keer zo groot worden. Bij aanwezigheid van veel bladluisvijanden, zoals lieveheersbeestjes, zweef en gaasvliegen, kan een populatie in één week echter ook tien keer zo klein worden.

De NAK gebruikt verschillende methoden om een indruk te krijgen van de bladluissituatie in het voorjaar en tijdens het groeiseizoen. Zo worden ieder jaar omstreeks begin mei enkele keren op verschillende plaatsen in Nederland dezelfde winterwaardplanten bezocht om een indruk te krijgen van ontwikkeling van de groene perzikluis op de winterwaarden. In de loop van mei, zodra dit in verband met de grootte van de aardappelplanten mogelijk is, worden enkele keren series vroege planten afgeklopt op het vóórkomen van bladluizen; de zogenaamde duizendplantentellingen. Ook wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ruim 50 gele vangbakken die verspreid over de pootgoedgebieden in aardappelpercelen staan opgesteld. Deze vangbakken worden tijdens het groeiseizoen dagelijks afgetapt en op enkele effectief virusoverbrengende soorten bladluizen geanalyseerd. Daarnaast wordt tijdens het groeiseizoen, vanaf begin mei, op drie plaatsen, namelijk Colijnsplaat (Zeeland), Tollebeek (Flevoland) en Zoutkamp (Groningen) met zuigvallen, op 13 m hoogte dagelijks de hoeveelheid vliegende bladluizen vastgesteld. De soorten worden onderscheiden en geteld. Per soort is de effectiviteit waarmee YN-virus wordt overgebracht, vastgesteld. Deze effectiviteit vermenigvuldigd met het aantal geeft vervolgens de vectordruk per vangplaats per dag. Als de vectordruk per dag wordt opgeteld ontstaat de geaccumuleerde (opgetelde) vectorendruk; een maat voor de bladluisdruk. Deze cijfers, en die van de gele vangbakken, worden ook gebruikt bij het opstellen van de loofvernietigingsdata.

Voorkomen/bestrijden
Vooral jonge planten zijn zeer vatbaar voor virusbesmetting. Daarom moeten pootgoedpercelen vooral vroeg in het seizoen zo goed mogelijk vrij worden gehouden van bladluizen.

Voor de teelt van basispootgoed verdienen bladluisarme gebieden hierbij sterk de voorkeur. Ook teeltmaatregelen die de gewasontwikkeling vervroegen, zoals voorkiemen, zijn belangrijk. Ook moet selecteren en verwijderen van viruszieke planten zo vroeg mogelijk en onder bladluisvrije omstandigheden plaatsvinden. Voor het bestrijden van bladluizen zijn verschillende insekticiden beschikbaar; zie hiervoor de Handleiding Gewasbescherming in de akkerbouw.

Indien tegen bladluizen wordt gespoten, is het belangrijk dat dit gebeurt onder gunstige omstandigheden; dat wil zeggen bij een voldoende hoge relatieve luchtvochtigheid. Op zonnige dagen is 's avonds laat en 's morgens vroeg de kans hierop het grootst. Voorts moet minimaal 400 liter water per hectare worden gebruikt en een fijne druppel.

Als wordt gespoten, is het belangrijk om de parasieten en roofvijanden van de bladluizen zoveel mogelijk te sparen. Zij helpen mee de bladluispopulatie laag te houden. In dit verband verdienen de middelen op basis van pirimicarb en heptenofos de voorkeur.

Coloradokever

De coloradokever is een kever van ongeveer 1 cm lang en 0,7 cm breed en duidelijk te herkennen aan 10 overlangse zwarte strepen op gele dekschilden. De kever overwintert in de grond. Eind april/begin mei verschijnt de kever en legt geel/oranje gekleurde eieren op de onderkant van de bladeren van de aardappelplant. De jonge larven zijn donkerrood, maar worden later meer oranjerood. Aan weerszijden van het lichaam hebben ze twee rijen zwarte stippen. Deze larven zijn in ongeveer drie weken volwassen. Zij kruipen dan in de grond om zich te verpoppen. Deze poppen komen nog dezelfde zomer uit en de nieuwe kevers kunnen dan bij goed zomerweer zorgen voor een tweede generatie. De schade die coloradokevers en hun larven veroorzaken, bestaat uit het vreten aan de bladeren. Bij grootschalig optreden kan het gehele gewas worden kaalgevreten. Alleen stengels en bladstelen blijven dan over. Om deze reden was de coloradokever tot in de vijftiger jaren gevreesd, maar komt nu in Nederland weinig meer voor. Uitbreiding kan echter elk moment weer optreden, zodat bestrijding noodzakelijk blijft. Om de belangen van de export te waarborgen, is de bestrijding wettelijk geregeld. Iedere aardappelteler is dan ook verplicht de coloradokever zo goed mogelijk te bestrijden; niet alleen in aardappelen, maar ook in andere gewassen.

Voorkomen/bestrijden
Het beste tijdstip voor de bestrijding is het moment waarop jonge larven op het gewas worden aangetroffen. Hiervoor zijn verschillende middelen beschikbaar. Een deel van de toegelaten middelen tegen bladluizen is tegelijkertijd effectief tegen coloradokevers.

Ritnaalden

Ritnaalden zijn de harde, geelbruine larven van de kniptor. Deze larven vreten gaatjes en soms ook gangen in de knollen waardoor de waarde van aardappelen sterk achteruit kan gaan. Ze vreten ook aan het pootgoed en aan kiemen en jonge stengels waardoor een onregelmatig gewas kan ontstaan. Een eventuele bestrijding dient voor het poten te worden uitgevoerd. Hiervoor zijn verschillende middelen beschikbaar.

Afbeelding 18. Verschillende soorten ritnaalden, kniptorren en een pop.
Afbeelding 19. Detail schade aan een aardappelknol door ritnaalden