Secondary menu

Teelthandleiding pootaardappelen - vruchtopvolging

15/07/1996 - C.B. Bus - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding pootaardappelen wordt ingegaan op de invloed van vruchtopvolging en teeltfrequentie op de opbrengst en kwaliteit van aardappelen.

Zowel de voorvrucht als de frequentie in het bouwplan kunnen opbrengst en kwaliteit van pootaardappelen beïnvloeden. Daarnaast heeft de teeltfrequentie ook effect op de ...

Teeltfrequentie

Naarmate het aandeel van aardappelen in het bouwplan groter is, neemt de netto knolopbrengst in het algemeen af, zoals in vruchtwisselingsonderzoek is aangetoond. Dit geldt in mindere mate voor pootaardappelen, die een relatief korte groeiperiode hebben. Naarmate later wordt geoogst is de opbrengstreductie als regel wat groter.

Gebleken is, dat de opbrengstdaling bij een frequentere teelt op kleigrond vooral wordt veroorzaakt door bodemgebonden ziekten als Verticillium, netschurft en in mindere mate Rhizoctonia. Als rassen worden geteeld die tolerant zijn voor Verticillium en/of resistent tegen netschurft dan is de opbrengstdaling als gevolg van frequente teelt gering, zo is uit onderzoek gebleken. Verder speelt ook de verslechterende bodemstructuur bij nauwe rotaties een rol bij de opbrengstdaling.

Behalve de opbrengst wordt ook de kwaliteit van pootaardappelen negatief beïnvloed bij toenemende teeltfrequentie. Pootaardappelen worden in Nederland nog vrij vaak in een 1 op 3-rotatie geteeld. Dit betekent ten opzichte van een ruimere vruchtwisseling grotere risico's ten aanzien van aardappelmoeheid en ziekten als netschurft, poederschurft en Rhizoctonia. Zo bleek op 'de Feddemaheerd' de lakschurftbezetting bij een driejarige rotatie betrouwbaar groter dan bij een vierjarige rotatie. Ook werd hier een toename van door netschurft aangetaste knollen in de oogst gevonden bij de hogere teeltfrequentie.

Wettelijk is geregeld, dat pootaardappelen niet vaker dan eenmaal per drie jaar op hetzelfde perceel mogen worden geteeld. De teelt van pootaardappelen mag bovendien uitsluitend op AM-vrije grond plaatsvinden. Hiertoe dient voorafgaand aan de teelt aan de NAK een geldig AM-vrij bewijs van de PD of van de daartoe door de PD aangewezen instantie, te worden overlegd.

Voorvrucht

De meeste gewassen zijn in principe geschikt als voorvrucht van pootaardappelen. Erg rijke stoppels, zoals luzerne, klaver en gescheurd grasland zijn iets minder geschikt. Zij kunnen aanleiding geven tot later afrijpende, loofrijke gewassen, waarin pas laat ouderdomsresistentie tegen virusziekten optreedt.

Verder is uit onderzoek van Hoekstra op onder meer 'De Schreef" gebleken, dat een aantal voorvruchten aanleiding kan geven tot opbrengstverlaging. Suikerbieten en vlinderbloemigen als peulvruchten, rode klaver en luzerne kunnen ten opzichte van bijvoorbeeld granen een wat lagere opbrengst geven. Voor luzerne, droge erwten en veldbonen is aangetoond dat deze opbrengstreductie werd veroorzaakt door Verticillium.

Na graszaad en kunstweide treedt als regel meer lakschurft op dan na andere voorvruchten. Ook het inwerken van stro kan leiden tot een toename van de lakschurftbezetting. Daarentegen kunnen maïs en haver als voorvrucht de lakschurftbezetting van pootaardappelen soms beperken. Kunstweide en grasland bevorderen het optreden van netschurft en oppervlakkige gewone schurft.

Er zijn aanwijzingen dat de bacterieziekten stengelnatrot en zwartbenigheid in de grond kunnen overleven op gewasresten van kool, maïs en witlof. Er is echter nog niet aangetoond dat dit tot een bacteriebesmetting met Erwinia spp. leidt van direct na genoemde gewassen geteelde pootaardappelen.

Stoppelgewassen en groenbemesters die worden ondergeploegd, hebben dikwijls een opbrengstverhogend effect op (poot)aardappelen. Dit effect zal als regel groter zijn naarmate de groeiperiode van het gewas langer is.

Andere informatie over vruchtopvolging voor pootaardappelen