Secondary menu

Teelthandleiding groenbemesters - Gele mosterd

01/05/2004 - R.D. Timmer, G.W. Korthals en L.P.G. Molendijk - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit hoofdstuk van de teelthandleiding groenbemesters worden de eigenschappen van gele mosterd beschreven.

Algemeen

Gele mosterd (Sinapis alba) behoort, evenals bladrammenas, tot de kruisbloemigen. Onder gunstige groeiomstandigheden kan het gewas in korte tijd veel organische stof produceren. Gele mosterd vormt dan een lang (1-2 m) en massaal gewas met een beperkte stevigheid. Meestal is een voorbewerking nodig (klepelen, maaien) om het gewas goed te kunnen onderploegen. Zijn de omstandigheden minder gunstig dan zal de groei tegenvallen. Gele mosterd wordt veelal gebruikt als groenbemester op laat vrijkomend land. Het gewas heeft een stevige penwortel die zich niet verdikt. In zes weken tijd is de grond tot zo'n 70 cm doorworteld. Gele mosterd is sterk (nacht)vorstgevoelig. Bij een flinke nachtvorst vriezen de waterige stengels en bladeren al kapot. Gele mosterd stelt niet veel eisen aan de grond en kan op de meeste grondsoorten geteeld worden. Alleen zure gronden zijn niet erg geschikt voor de teelt. Gele mosterd wordt vooral voor de toevoer van organische stof verbouwd en als antistuif-gewas, vrijwel nooit voor voederdoeleinden. Voor bestrijding van bietencysteaaltjes is de zaaitijd van het gewas meestal te laat.

Zaaien

Gele mosterd is gevoelig voor verdichtingen in de grond. Sporen van de oogstmachine van het cultuurgewas en sporen van het zaaien zijn nadelig. De grond moet voor het zaaien goed losgetrokken en verkruimeld worden. De optimale zaaitijd is augustus-september; gele mosterd kan nog iets later gezaaid worden dan bladrammenas. De hoeveelheid zaaizaad bedraagt 15-25 kg per ha, afhankelijk van zaaitijdstip en duizendkorrelgewicht (5-10 gr). De rijenafstand is 10-25 cm en de zaaidiepte 2-3 cm. Dichter zaaien geeft een snellere grondbedekking.
Gele mosterd is niet geschikt als zomergewas op braakpercelen. Het komt te snel in bloei en vertoont geen hergroei na maaien.

Rassenkeuze

Bij gele mosterd zijn de snelheid van grondbedekking en de laatheid van de bloei de belangrijkste raseigenschappen. Vooral bij late zaai is een snelle ontwikkeling gewenst. Alle rassen van gele mosterd die op de Rassenlijst staan zijn resistent tegen het witte bietencysteaaltje (bca); er bestaan echter verschillen tussen de rassen. Omdat de zaaitijd van gele mosterd vrijwel altijd (ruim) na 1 augustus ligt zijn deze rasverschillen niet zo relevant.

Bemesting

De N-bemesting kan beperkt blijven tot een startgift van 30-50 kg per ha, al naar gelang de voorvrucht, zaaitijdstip en bodemvruchtbaarheid. Gele mosterd is geschikt als N-vanggewas, het gewas neemt de beschikbare stikstof gemakkelijk op. Omdat de vertering van het gewas echter heel snel op gang komt na het afsterven of onderploegen, kan een groot deel van de vastgelegde stikstof gedurende de winter en vroege voorjaar verloren gaan. Hierdoor kan de stikstofbesparing op het volggewas lager zijn dan de benodigde stikstofgift voor de gele mosterd, en de stikstofbalans negatief uitvallen.

Ziekten

Gele mosterd is sterk vatbaar voor knolvoet. Aangezien deze schimmelziekte in de grond kan overblijven kunnen er problemen ontstaan in gevoelige cultuurgewassen. Gele mosterd is dan ook minder geschikt in een bouwplan met koolsoorten. Gele mosterd is net als bladrammenas ongevoelig voor Pythium.

Plagen

In tegenstelling tot bladrammenas zal gele mosterd vanwege de teeltperiode geen gevaar vormen als uitvalsbasis van het koolmotje. Problemen met naaktslakken kunnen wel door gele mosterd worden versterkt.

Onkruiden

Onkruidontwikkeling hoeft geen probleem te zijn; gele mosterd heeft een snelle beginontwikkeling en een zeer goede grondbedekking.

Aaltjes

Evenals bladrammenas is gele mosterd waardplant voor het witte en het gele bietencysteaaltje. Alle rassen op de rassenlijst zijn echter resistent. Omdat gele mosterd vrijwel uitsluitend na 1 augustus gezaaid wordt, mag er van aaltjesbestrijding niet veel verwacht worden. Vergeleken met bladrammenas is gele mosterd een betere waardplant voor maïswortelknobbelaaltjes en het tabaksratelvirus. Voor het Trichodorus-aaltje geldt dat deze soort, net als bij bladrammenas, weinig vermeerderd op gele mosterd, maar dat het tabaksratelvirus zich wel sterk kan vermeerderen.

Onderwerken

Meestal is voor het ploegen in de herfst een voorbewerking nodig. Bij een tijdige zaai ontwikkelt zich een lang en massaal gewas dat eerst geklepeld of gemaaid moet worden om het volledig onder te kunnen werken. Ploegen na de winter kan zonder voorbewerking worden uitgevoerd; het gewas is zeer gevoelig voor vorst en zal gedurende de winter volledig afsterven.

Opslag

Gele mosterd komt snel in bloei maar de kans op zaadvorming en opslag is niet erg groot door het late zaaitijdstip en de vorstgevoeligheid. Alleen wanneer heel vroeg gezaaid wordt (voor 1 augustus) kan zich kiemkrachtig zaad vormen en moet het gewas tijdig geklepeld en ondergeploegd worden.

Droge stofopbrengst

Een geslaagd gele mosterdgewas brengt ca. 4.500 kg per ha aan droge stof op. Hiervan is 3,5 ton eventueel oogstbaar als veevoeder. Dit gebeurt echter zelden vanwege de slechte smakelijkheid van het gewas; bovendien is gele mosterdzaad giftig voor vee.

Afbeelding. Onder gunstige groeiomstandigheden kan gele mosterd in korte tijd veel organische stof produceren

Teeltkosten

Het telen van gele mosterd als groenbemester is iets goedkoper dan van bladrammenas. De kosten bestaan eveneens vooral uit de zaaizaadkosten en de kosten voor een stikstofbemesting, maar van beiden is iets minder nodig. Ook is de prijs van het zaaizaad iets lager. De arbeidsbehoefte bestaat uit een grondbewerking en/of een zaaibedbereiding, het zaaien en een voorbewerking voor het ploegen.
Materiële kosten:
zaaizaad: 20 kg à € 2,90 (incl. BTW) = € 58
N-bemesting: 30 kg à € 0,50 = € 15