Secondary menu

Adviesbasis voor de bemesting van akkerbouwgewassen - Stikstof

20/03/2013 - J.J. de Haan en W. van Geel - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de adviesbasis vindt u de meest actuele stikstofbemestingsrichtlijnen. Deze geven de door de jaren heen gemiddelde optimale stikstofgift. De optimale stikstofgift is echter van veel factoren afhankelijk, zoals voorvrucht, bemestingsverleden, vochtvoorziening en ziektedruk. Op basis van de eigen ervaringen en kennis van percelen en gewassen kan de richtlijn dan ook aan de eigen situatie worden aangepast.

Algemeen

De stikstofbemestingsrichtlijnen geven de door de jaren heen gemiddelde optimale stikstofgift. De optimale stikstofgift is echter van veel factoren afhankelijk, zoals voorvrucht, bemestingsverleden, vochtvoorziening en ziektedruk. Op basis van de eigen ervaringen en kennis van percelen en gewassen kan de richtlijn dan ook aan de eigen situatie worden aangepast. Daar waar mogelijk zijn in deze adviesbasis richtlijnen gegeven voor dergelijke aanpassingen (o.a. onderwerken van groenbemesters en oogstresten en gebruik van dierlijke mest).
In de adviesbasis worden ook informele bemestingsrichtlijnen gegeven. Ze zijn als zodanig in de tekst aangemerkt. Dit zijn richtlijnen die in het algemeen met weinig onderzoek zijn onderbouwd of berusten op praktijkervaringen. Bij een voldoende onderbouwing kunnen deze informele richtlijnen op termijn worden omgezet in formele richtlijnen.
De meeste stikstofbemestingsrichtlijnen zijn gebaseerd op de hoeveelheid minerale bodem-N (Nmin). Hieronder wordt verstaan de hoeveelheid oplosbare minerale stikstof (NO3 + NH4) in de bemonsterde laag van het profiel. Nadere informatie over de analysemethodiek is hier te vinden. De bemonsteringsdiepte is afhankelijk van het geteelde gewas en is weergegeven in de adviesformules. Wanneer door omstandigheden het gewas minder diep wortelt dan de geadviseerde bemonsteringsdiepte, dient tot de actuele bewortelingsdiepte te worden bemonsterd. De formule bij de geadviseerde bemonsteringsdiepte blijft in dat geval gelden. De bemonsteringswijze moet overeenstemmen met die, welke bij erkende laboratoria gangbaar zijn.
Naast de N-bemestingsrichtlijnen is voor een aantal gewassen, waaronder aardappelen, een stikstofbijmestsysteem (NBS) in de adviesbasis opgenomen.

Granen

In tabel 1 staan de N-bemestingsrichtlijnen voor diverse graangewassen weergegeven.

Tabel 1. N-bemestingsrichtlijnen voor granen (kg N/ha).
GewasEerste giftTweede gift
Maximaal
Derde gift
Maximaal
AdviesMaximaal
Wintergraan
Wintertarwe klei/löss - voertarwe140-Nmin1009040
Wintertarwe klei/löss - baktarwe140-Nmin1008080
Wintertarwe zand140-Nmin10090 
Wintergerst120-Nmin8060 
Wintergerst löss100-Nmin8060 
Rogge120-Nmin 50 
Triticale140-Nmin10060 
Zomergraan
Zomertarwe120-Nmin8050 
Zomergerst klei/löss - brouwgerst90-Nmin   
Zomergerst klei/löss - voergerst110-Nmin   
Zomergerst zand120-Nmin   
Haver100-Nmin8030 

Opmerkingen bij tabel 1:

  1. Bemonsteringsdiepte
    • Zomergranen: 0-60 cm
    • Wintergranen: 0-100 cm
  2. Eerste gift
    • In geval van zeer lage Nmin-voorraden in het voorjaar kan de berekende adviesgift volgens de Nmin-formule hoger zijn dan de maximale gift. In dat geval blijft bij wintertarwe de tweede (maximale) gift gehandhaafd. Bij de overige granen kan het verschil bij de tweede (maximale) gift worden opgeteld.
    • In geval van zeer hoge Nmin-voorraden in het voorjaar wordt voor wintertarwe, wintergerst en triticale een minimumgift van 30 kg N/ha geadviseerd (als de berekende gift volgens de Nmin-formule lager is dan 30). Voor wintertarwe op löss geldt een minimumgift van 20 kg N/ha.
  3. Tweede gift
    • Tijdstip 2e gift: 1-2 knopen (DC 31-32) m.u.v. wintergerst-löss 3-knopen (DC 33).
    • De hoogte van de 2e N-gift bij wintertarwe geldt voor opbrengstniveaus van ≥11 ton/ha op klei- en lössgrond respectievelijk 9,5 ton/ha op zandgrond. Voor een lagere verwachte opbrengst dan 11 ton/ha op klei/löss dan wel 9,5 ton/ha op zand kan de 2e N-gift worden verlaagd met 20 kg N/ha per ton korrelopbrengst.
    • Als de Nmin-voorraad in het voorjaar zo hoog is dat de berekende 1e gift volgens de Nmin-formule lager is dan 30 kg (wintertarwe, wintergerst en triticale) dan wel lager is dan nul (wintergerst op löss, rogge, zomertarwe en haver), dan moet de 2e gift worden berekend volgens de onderstaande Nmin-formules. Hierbij moet worden uitgegaan van de Nmin-voorraad die voorafgaand aan de 1egift is vastgesteld.
      • wintertarwe: 200-Nmin
      • wintergerst: 150-Nmin
      • wintergerst löss: 160-Nmin
      • rogge en triticale: 170-Nmin
      • zomertarwe: 170-Nmin
      • haver: 130-Nmin
      Er wordt een minimale 2e gift van 20 kg N/ha geadviseerd (als de berekende gift volgens bovenstaande Nmin-formules lager is dan 20).
  4. Derde gift
    • Tijdstip 3e gift: in het vlagbladstadium (DC 41-45).
  5. Aanpassing N-gift aan groeiomstandigheden
    • Slechte structuur: Eerste gift met circa 10 kg N/ha verhogen.
    • Schraal gewas: Blijft het gewas na een eerste gift (of ondanks een voldoende voorraad in het profiel) te schraal, dan een tussengift van circa 30 kg N/ha geven en de tweede gift volgens advies toedienen.
    • Hoge opbrengst: als voor zomertarwe bij een goede gewasontwikkeling in het voorjaar en gunstige groeiomstandigheden een opbrengst hoger dan 9 ton/ha wordt verwacht, kan een extra bemesting van 25-30 kg N/ha zinvol zijn. Deze kan worden toegediend als 3e gift.
  6. De N-nawerking van groenbemesters en oogstresten is hier te vinden.

Aardappelen

Richtlijn

In tabel 2 staan de N-bemestingsrichtlijnen voor aardappelen vermeld.

Tabel 2. N-bemestingsrichtlijnen aardappelen.
GewasRichtlijn (kg N/ha)
Consumptieaardappelen
  • klei/löss
  • zand/dal
285 - 1,1 * Nmin (0-60)
300 - 1,8 * Nmin (0-30)
Zetmeel- en industrieaardappelen (zand/dal)275 - 1,8 * Nmin (0-30)
Pootaardappelen*140 - 0,6 * Nmin (0-60)

*: Er bestaat geen goede relatie tussen de Nmin-voorraad in de bodem en de opbrengst van pootaardappelen. Bij een te hoge Nmin-voorraad bestaat echter het gevaar dat door een te hoge N-gift een te sterke loofgroei plaatsvindt en onvoldoende ouderdomsresistentie tegen virusziekten optreedt. Indien de Nmin-voorraad is vastgesteld, wordt daarom geadviseerd de in de tabel vermelde richtlijn te gebruiken.

Opmerkingen bij tabel 2:

  1. Op basis van de vroegheid van het ras kan een correctie worden ingevoerd, nl. een korting van 20 kg N/ha per 0,5 punt vroegheidsverschil voor rassen met een vroegrijpheidscijfer lager dan 6,5 (consumptieaardappelen) of 4,5 (zetmeelaardappelen).
    Als geen vroegheidscijfer van het ras bekend is, kan op basis van de vroegheidsomschrijving de volgende korting worden gehanteerd (kg N/ha):
     middenlaatlaatzeer laat
    Consumptieaardappelen60100140
    Zetmeelaardappelen-2060
  2. Bij consumptieaardappelen is de richtlijn uitsluitend gebaseerd op de knolopbrengst, bij zetmeelaardappelen is ook rekening gehouden met het onderwatergewicht. Bij de vaststelling van de richtlijnen is gerekend met een prijsverhouding tussen aardappelen en N-meststof van 1:10.
  3. Bij consumptieaardappelen op löss, met mogelijk hoge uitvalpercentages door afwijkende knolvorm, groeischeuren e.d., kan het aanbeveling verdienen de N-richtlijn met bijvoorbeeld 50 kg N/ha te verlagen.
  4. In verband met zoutschade wordt geadviseerd vóór het poten niet meer dan 150-200 kg N/ha te geven. Wanneer de adviesgift hoger is, kan het resterende deel circa één week na knolzetting worden gegeven.
  5. De berekende gift wordt afgerond op eenheden van 5 kg N/ha. Voor berekende giften kleiner dan 30 kg N/ha gelden de volgende richtlijnen:
    Berekende gift (kg N/ha)Toe te dienen gift (kg N/ha)
    1-2930
    30Nmin < 250: 30
    Nmin > 250: 0
  6. De N-nawerking van groenbemesters en oogstresten is hier te vinden.

Sturing N-bemesting via nitraatgehalte bladsteeltjes en NBS-bodem

Door meer rekening te houden met perceelsspecifieke omstandigheden (zoals mineralisatie) gedurende het groeiseizoen kan mogelijk worden bespaard op de N-gift. Dit is mogelijk door vóór het poten circa 2/3e deel van de adviesgift volgens tabel 2 toe te dienen en vervolgens bij te bemesten op basis van het nitraatgehalte in bladsteeltjes of op basis van de hoeveelheid minerale bodem-N (NBS-bodem).

Nitraatgehalte bladsteeltjes
In figuur 1 staan de normtrajecten weergegeven voor zowel consumptie- als zetmeelaardappelen.

Figuur 1A. Normtraject voor het nitraatgehalte in het perssap van bladsteeltjes gedurende het groeiseizoen voor consumptieaardappelen.

Figuur 1B. Normtraject voor het nitraatgehalte in de drogestof van bladsteeltjes gedurende het groeiseizoen voor consumptieaardappelen.

Figuur 1C. Normtraject voor het nitraatgehalte in het perssap van bladsteeltjes gedurende het groeiseizoen voor zetmeelaardappelen.

Figuur 1D. Normtraject voor het nitraatgehalte in de droge stof van bladsteeltjes gedurende het groeiseizoen voor zetmeelaardappelen.

Wanneer het nitraatgehalte onder de onderkant van het normtraject komt, dient direct een aanvullende bemesting te worden toegediend. Er zijn zowel normtrajecten gegeven voor het nitraatgehalte in de droge stof als in het perssap. Bepaling op basis van droge stof heeft de voorkeur boven een bepaling in het perssap.

Opmerkingen:

  1. De bemonsteringen dienen ongeveer vier weken na opkomst van het gewas te worden begonnen en 4-5 weken lang wekelijks te worden uitgevoerd. Verdere bemonsteringsvoorschriften zijn hier te vinden.
  2. Wanneer bij aanvullende giften gebruik wordt gemaakt van een vaste meststof, dan bijmesten met 40-50 kg N/ha. In geval van een bladbemesting wordt geadviseerd, afhankelijk van de mate van afharding, niet meer te geven dan 10-20 kg N/ha per keer i.v.m. gewasschade. Bladbespuitingen kunnen worden gecombineerd met een phytophthorabespuiting.
  3. Een te laag gehalte betekent niet altijd een tekort aan stikstof. Onder droge omstandigheden is de plant namelijk minder goed in staat stikstof op te nemen. In dat geval is het beter een grondmonster te nemen en gebruik te maken van het NBS-bodem.

NBS-bodem

Met een stikstofbijmestsysteem kan beter worden ingespeeld op de actuele groeiomstandigheden, waaronder mineralisatie en uitspoeling. De stikstofgift wordt gedeeld en er wordt bijbemest naar behoefte. Uitgangspunten van NBS-bodem zijn het globale N-opnameverloop van een gewas gedurende de teeltperiode, een buffervoorraad aan minerale N in de grond en eventueel de mineralisatie van de bodem in de wortelzone. Naast de gebruikelijke bepaling van de Nmin-voorraad voorafgaand aan de teelt, wordt ook tijdens de teelt nog één of meerdere keren een Nmin-bepaling uitgevoerd. De N-gift op een bepaald moment wordt dan als volgt worden berekend:

N-gift,t1 = (NOG,t2 - NOG,t1) - Nmin,t1 + BUF - MIN

waarbij:
t1 = moment van meting
t2 = geplande moment van de volgende meting
N-gift,t1 = N-gift op tijdstip t1
NOG,t1/t2 = opgenomen hoeveelheid N door het gewas op tijdstip t1 en t2 (NOG,t2 - NOG,t1 is de N-opname tussen t1 en t2)
Nmin,t1 = hoeveelheid minerale bodem-N op tijdstip t1
BUF = buffer
MIN = verwachte mineralisatie tussen tijdstip t1 en t2

Er is een NBS-bodem voor aardappel en een aantal groentengewassen. Alleen bij aardappel en vermeerderingsplanten van aardbeien wordt bij de berekening van de N-gift rekening gehouden met de mineralisatie.

Opmerkingen bij toepassing van NBS-bodem:

  1. Indien de bepaling van de Nmin-voorraad wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium, moet rekening worden gehouden met een wachttijd van enkele werkdagen. Geadviseerd wordt daarom het bemonsteringstijdstip 2 à 3 dagen voor het geplande meettijdstip te laten vallen. De bepaling van de Nmin-voorraad kan ook zelf worden uitgevoerd m.b.v. nitraatsnelteststrookjes.
  2. Het is belangrijk dat de Nmin-voorraad in de bodem betrouwbaar wordt vastgesteld. Met name bij niet-uniforme verdeling van stikstof in de grond, na rijenbemesting of beddenbemesting, is de kans groot dat de gemeten Nmin afwijkt van de werkelijke Nmin-voorraad in de bodem. Dit vraagt om een gedegen, intensieve bemonstering.
  3. De bijmestgiften dienen te worden uitgevoerd met goed oplosbare, snelwerkende minerale N meststoffen. Als een basisgift is uitgevoerd met langzaamwerkende meststoffen, moet worden ingeschat hoeveel N in een bepaalde periode vrijkomt. Informeer hiernaar bij de leverancier van de meststof.
Figuur 2. Stikstofopname (kg/ha) van een gewas aardappelen.

Opmerkingen en uitgangspunten NBS-bodem aardappel:

  1. De N-opname is gebaseerd op een knolopbrengst van 50 ton per ha voor consumptie¬aardappelen en 45 ton per ha voor zetmeelaardappelen. Voor een hogere of lagere opbrengst kan de N-opname naar rato worden aangepast.
  2. De 1e bemonstering vindt plaats 3-4 weken na opkomst: 0-30 cm op zandgrond en 0-60 cm op kleigrond.
  3. De buffer bedraagt 80 kg N per ha voor kleigrond en 60 kg N per ha voor zandgrond. Wanneer meerdere keren wordt bemonsterd, kan in de loop van het groeiseizoen de buffer worden verlaagd met circa 10 kg N per ha per twee weken.
  4. Wat betreft de bijdrage van mineralisatie kan worden gerekend met 1 (±0,2) kg N per ha per dag tot 1 augustus voor consumptieaardappelen en tot 15 augustus voor zetmeelaardappelen.
  5. Op basis van vroegheid van het ras kan een correctie worden ingevoerd, namelijk een korting van 5 kg N per ha per 0,5 punt vroegheidsverschil voor rassen met een vroegrijpheidscijfer lager dan 6,5 (consumptieaardappelen) of 4,5 (fabrieksaardappelen).

Suikerbieten

De stikstofbemestingsrichtlijn (kg N/ha) voor suikerbieten luidt:

200 - 1,7 * Nmin (0-60)

Opmerkingen:

  1. De stikstofbemestingsrichtlijn is gericht op het bereiken van een zo optimaal mogelijk financieel resultaat, waarbij rekening is gehouden met zowel de opbrengst en kwaliteit van de bieten als de kosten van de stikstofmeststoffen.
  2. Op dal- en veengronden is de voorspellende waarde van de Nmin-voorraad gering. Het advies is daarom om op deze gronden in ieder geval niet meer te geven dan 150 kg N/ha.
  3. In verband met zoutschade wordt geadviseerd vóór het zaaien niet meer dan 120 kg N/ha te geven. Wanneer de adviesgift hoger is, kan het resterende deel na opkomst (4-6 blaadjes) worden gegeven.
  4. Voor een Nmin-voorraad hoger dan 100 kg N/ha gelden de volgende richtlijnen:
    Nmin-voorraad (kg/ha)Toe te dienen gift (kg N/ha)
    100 ≤ Nmin ≤ 14030
    Nmin > 1400
  5. 5. De N-nawerking van groenbemesters en oogstresten is hier te vinden.

Andere informatie over stikstofbemesting van suikerbieten

Voedergewassen

Dit betreft de gewassen maïs, voederbieten, GPS (Gehele Plant Silage) granen en luzerne.
In tabel 3 staan de N-bemestingsrichtlijnen voor de voedergewassen maïs, voederbieten en GPS van triticale weergegeven. De adviezen zijn vastgesteld door de Commissie Bemesting Grasland en Voedergewassen. Luzerne heeft geen stikstof nodig doordat het gewas zelf luchtstikstof bindt.

Tabel 3. N-bemestingsrichtlijnen voor maïs (1998, alle grondsoorten), voederbieten (1994, alle grondsoorten) en GPS triticale (2002.)
GewasTijdstipRichtlijn (kg N/ha)
MaïsAdvies vóór zaai205 - Nmin (0-30)
Bijmestadvies juni210 - Nmin (0-60)
VoederbietenAdvies vóór zaai215 - 1,7*Nmin(0-60)
GPS triticale, wintertarwe *1e gift110-140 - Nmin (0-60) **, ***
2e gift60
GPS zomergerst1e gift110 - Nmin (0-30)

*: bij wintergerst 1e gift 20 kg N/ha lager
**: 110, 120 en 140 - Nmin voor resp. zand, löss en klei
***: maximaal 100 kg N/ha

Opmerkingen bij tabel 3:
Algemeen
1. De bemonstering voor de vroege Nmin-bepaling dient zo kort mogelijk vóór het zaaien plaats te vinden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de tijd die nodig is voor analyse en rapportage van de uitslag.
Maïs
2. Op zandgrond, waarop in voorgaande maanden geen mest is uitgereden, is de hoeveelheid Nmin vóór zaai in de laag 0-30 cm doorgaans niet veel hoger dan circa 20 kg per ha. Een aparte Nmin-bepaling is dan weinig zinvol, zodat uitgegaan kan worden van een vaste gift van 185 kg N/ha. Alleen na droge winters kan het zinvol zijn een bemonstering uit te voeren, omdat er dan waarschijnlijk minder stikstof is uitgespoeld. Op zandgrond waarop in februari wél mest is uitgereden én op klei- en veengrond wordt wel een Nmin-bepaling geadviseerd.
3. De bemonstering voor de Nmin-bepaling na opkomst dient in het 3-4-bladstadium plaats te vinden en 15-20 cm naast de rij, zodat een eventuele bijbemesting vóór het 6-bladstadium kan worden uitgevoerd. Een Nmin-bepaling is alleen zinvol als het voorjaar uitzonderlijk nat en koud is geweest en er door verwachte geringe mineralisatie en/of uitspoeling twijfels bestaan over de beschikbaarheid van voldoende stikstof. Het uitvoeren van een bijbemesting is alleen lonend als de hoeveelheid Nmin bij late bemonstering lager is dan 175 kg per ha. In het algemeen wordt een strategie met gedeelde giften niet aanbevolen.
4. Voor ondersteuning van de jeugdgroei is het raadzaam om 20-30 kg N/ha van de adviesgift als rijenbemesting met kunstmest toe te dienen. Rijenbemesting met stikstof kan tot een niveau van 120 kg per ha worden uitgevoerd zonder grote gewasschade. Wanneer tevens fosfaatkunstmest in de rij wordt toegediend, kan het beste een niveau van maximaal 120 kg stikstof en fosfaat per ha gezamenlijk worden aangehouden.
5. Rijenbemesting met stikstof (zowel kunstmest als dierlijke mest) geeft een 1,25 maal betere stikstofwerking dan volvelds toediening. Dit betekent dat, voor zover de stikstof via rijenbemesting wordt toegediend, met 80% van de adviesgift uit tabel 3 kan worden volstaan. Dit geldt ook voor een eventuele startgift.
6. Wanneer drijfmest in de rij wordt toegediend is het mogelijk dat het stikstofadvies niet volledig gedekt wordt. Momenteel is het technisch niet mogelijk om tegelijkertijd met de drijfmestrijenbemesting een rijenbemesting met kunstmest uit te voeren. Het wordt echter afgeraden om eventuele kunstmestaanvullingen volvelds toe te dienen, omdat deze weinig effectief zijn bij dergelijke bemestingsniveaus.
7. Bij rijenbemesting met drijfmest dient niet meer dan 30-35 m3 per ha te worden toegediend, omdat anders de mest onvoldoende wordt ondergewerkt. Doordat met relatief zware machines over geploegd land wordt gereden, is op lagere en/of zwaardere gronden de kans op structuurschade aanwezig. Voorkom dat zaad in de drijfmest terechtkomt; dit heeft een slechtere opkomst tot gevolg.
8. De N-nawerking van groenbemesters en oogstresten is hier te vinden.
GPS
9. De 1e gift toedienen in het vroege voorjaar (februari/maart).
10. De 2e gift toedienen bij begin stengelstrekking (groeistadium 6-7 volgens Feekes, DC 31-32).

Uien

In tabel 4 staan de N-bemestingsrichtlijnen voor uien vermeld.

Tabel 4. N-bemestingsrichtlijnen uien.
GewasRichtlijn (kg N/ha)
Zaaiuien *

175

In meerdere keren toedienen om zoutschade te voorkomen:

  • bij zaai: 30-40 kg N/ha
  • de rest in twee gelijke delen:
    • als 2 pijpjes zichtbaar zijn (gewashoogte ca. 10 cm)
    • enkele weken na de 2e gift
1e Jaars plantuien **0-40, afhankelijk van gewasstand bij 10 cm lengte
2e Jaars plantuien **200 - Nmin(0-60), maximaal 170 kg N/ha
Bosuien **100-130 - Nmin(0-60)
Winteruien **najaar30-40 kg N/ha
voorjaar100-110 kg N/ha

*: Gebaseerd op proeven op kleigrond waarbij sterk mineraliserende percelen zijn vermeden en bij lage Nmin-voorraad bij zaai (<25 kg N/ha in de laag 0-30 cm). Bij een hogere Nmin kan de formule 190 - Nmin(0-30) worden gehanteerd, te verdelen als: 30-40 kg N/ha bij zaai en de rest in twee gelijke delen: als 2 pijpjes zichtbaar zijn en enkele weken na de 2e gift.
**: Het betreft informele N-bemestingsrichtlijnen.

Graszaad

In tabel 5 staan de N-bemestingsrichtlijnen voor de teelt van graszaadgewassen weergegeven. Benadrukt moet worden dat alleen de adviezen voor Engels raaigras, roodzwenkgras (normaal en met fijne uitlopers) en veldbeemdgras redelijk zijn onderbouwd met onderzoek. Bij de overige soorten betreft het informele adviezen die op weinig onderzoek en soms alleen op praktijkervaringen zijn gebaseerd.

Tabel 5. N-bemestingsrichtlijnen graszaad.
GewasNazomer *Voorjaar
EerstejaarsOverjarig
Engels raaigras0-30195 - Nmin(0-90)**160 ***,****
Roodzwenkgras
  • gewoon en met fijne uitlopers
  • met forse uitlopers
30-45
0-30
85
45-80
85
45-80
Veldbeemdgras60-90 *****110110
Italiaans raaigras
  • zonder voedersnede
  • met voedersnede *****
0-30
80 + 30-45
60
100 + 80
 
Westerwolds raaigras 50-60 
Beemdlangbloem30-6075 
Kropaar30-6090 
Rietzwenkgras30-50 *******75-100100-125
Timothee30-4575 

*: Wanneer eerstejaarsgewassen slecht ontwikkeld onder de dekvrucht vandaan komen of laat worden gezaaid (na half september), wordt geadviseerd de bovengrens van het traject te hanteren, in alle andere gevallen de ondergrens.
**: Nmin(0-90) op klei/löss en Nmin(0-60) op zandgrond.
***: Omdat de hoeveelheid minerale bodem-N in het voorjaar in de meeste gevallen erg laag is bij overjarige gewassen, kan het beste worden uitgegaan van een vast advies van 160 kg N/ha.
****: Wanneer in de herfst is beweid, bedraagt de gift 180-200 kg N/ha.
*****: Bij een zeer goede ontwikkeling of na een rijke dekvrucht kan worden volstaan met 30 kg N/ha.
******: 1e gift: 2e helft augustus (herfstsnede) of februari (voorjaarssnede); 2e gift: na de voedersnedewinning.
*******: 50 kg N/ha bij grasveldtypen.

Opmerkingen bij tabel 5:

  1. Voor de bemesting kunnen de volgende tijdstippen worden aangehouden:
    • Nazomerbemesting
      • Bij gewassen voor de eerste oogst zo vroeg mogelijk na de oogst van de dekvrucht bemesten (met name veldbeemd). Bij roodzwenk is bij goed ontwikkelde gewassen uitstel tot begin oktober geen bezwaar.
      • Bij overjarige gewassen kan de stikstof het beste na de laatste maaibehandeling worden gegeven, meestal eind september (roodzwenk) of oktober (veldbeemd).
    • Voorjaarsbemesting
      • Bij vroege soorten als veldbeemd en roodzwenk zo vroeg mogelijk (februari) de stikstof toedienen. Latere soorten/typen kunnen wat later worden bemest (maart).
  2. Wanneer overjarige gewassen worden beweid, wordt vooraf een extra gift van circa 50 kg N/ha geadviseerd om de grasgroei te stimuleren. Na de beweidingsperiode kan worden bemest volgens tabel 5. Na 1 november is het echter niet meer zinvol N toe te dienen, omdat deze dan niet meer door het gras wordt opgenomen. Bij een langdurige beweidingsperiode die doorloopt tot na 1 november dient de stikstof al tijdens de beweidingsperiode te worden verstrekt.
  3. Wanneer het graszaadstro wordt gehakseld, dient in het najaar bij Engels raaigras 30-40 kg N/ha extra te worden gegeven.

Andere informatie over stikstofbemesting van graszaad

Overige akkerbouwgewassen

In tabel 6 staan N-bemestingsrichtlijnen van een aantal handelsgewassen en vlinderbloemigen. Het betreft hoofdzakelijk informele richtlijnen.

Tabel 6. Informele N-bemestingsrichtlijnen diverse handelsgewassen en vlinderbloemigen.
GewasTijdstipRichtlijn (kg N/ha)
Blauwmaanzaad 140 - Nmin(0-60) *
Bruine bonen 165 - Nmin(0-60)
Cichorei 60-80 - Nmin (0-60)
Conservendoperwten 40-60 - Nmin (0-60)
Droge erwten In principe is geen N-bemesting nodig, behalve:
bij slechte structuur: 40-60
bij slechte beworteling: bespuiting bij de bloei (max. 20 kg N/ha)
Karwijnajaar:

voorjaar:
40 (na dekvrucht conservenerwten)
80 (na dekvrucht wintertarwe)
110 - Nmin(0-100)
Koolzaadnajaar:
voorjaar:
45
170 - Nmin(0-100)**
Teunisbloem 0
Veldbonen in principe is geen N-bemesting nodig, behalve bij slechte structuur: 40-60
Vlas 70 - Nmin(0-60)***, ****

*: Bij deling van de gift kan 40 kg N/ha omstreeks een week vóór de bloei worden toegediend. Op sterk mineraliserende gronden kan aan de hand van de gewasstand beoordeeld worden of een 2e gift nog noodzakelijk is.
**: De voorjaarsgift dient zo vroeg mogelijk te worden toegediend (over de vorst in februari).
***: Wanneer het gewas in de loop van het groeiseizoen een duidelijk tekort aan stikstof heeft, kan door een gewasbespuiting worden bijbemest (maximaal 20 kg N/ha).
****: Indien de bodemvoorraad Nmin meer dan 100 kg N/ha bedraagt, moet de teelt van vlas worden ontraden.

Aromatische kruiden

In tabel 7 staan de N-bemestingsrichtlijnen voor een aantal aromatische kruiden vermeld. Ze zijn zeer globaal van aard en dienen ook als zodanig te worden gehanteerd. Met name bij hogere giften is een opdeling in basis- en bijbemesting(en) beslist noodzakelijk. Op dit moment ontbreekt hiervoor echter de juiste informatie.

Tabel 7. Informele N-bemestingsrichtlijnen enige aromatische kruiden.
GewasRichtlijn (kg/ha)
Basilicum200
Bladpeterselie200-280
Bladselderij200-280
Bonekruid150
Dille25-100
Dragon200
Kervel50-100
Kardon50-100
Koriander25-50
Maggi (wortel)300
Marjoraan150
Melisse300
Tijm100

N-korting na onderwerken van groenbemesters en oogstresten

Groenbemesters

In tabel 8 staat weergegeven hoeveel kan worden gekort op de N-gift wanneer groenbemesters zijn ondergewerkt.

Tabel 8. Korting op de N-gift na onderwerken van een groenbemester* (kg/ha).
Type groenbemester**Onderwerken/afsterving in de herfst***Onderwerken in het voorjaar****
zonder Nmin-meting in het voorjaarmet Nmin-meting in het voorjaar
Kruisbloemigen30040
Vlinderbloemigen604060
Graszachtigen en overige302040

*: De korting geldt voor een goed ontwikkelde groenbemester met een N-opname in de bovengrondse delen van circa 80 kg N per ha. Dit wordt bereikt bij een vroege zaai van de groenbemester (2e helft augustus) of oogst van de dekvrucht en gunstige groeiomstandigheden in de nazomer en herfst.
Voor een licht ontwikkelde groenbemester kan de helft van de in de tabel genoemde N-korting worden genomen, uitgaande van een N-opname in bovengrondse delen van circa 40 kg N per ha. Dit wordt bereikt bij een late zaai van de groenbemester of oogst van de dekvrucht en/of ongunstige groeiomstandigheden in nazomer en herfst.
**: Kruisbloemigen: bladrammenas, gele mosterd en bladkool
Vlinderbloemigen: klaversoorten en wikke
Grasachtigen: raaigrassen en winterrogge
***: Voor in de herfst afgevroren groenbemesters die pas in het voorjaar worden ondergewerkt, kan het beste worden uitgegaan van een korting behorend bij onderwerken in de herfst.
****: Bij onderwerken vóór half maart.

Opmerkingen bij tabel 8:

  1. Bij niet-vlinderbloemige groenbemesters is er vanuit gegaan dat 40 en 50% van de N in de bovengrondse delen bij resp. in de herfst en in het voorjaar onderwerken ter beschikking komt aan het volggewas. Bij vlinderbloemigen is gerekend met een bemestende waarde van 75% van de N in bovengrondse delen bij zowel in de herfst als in het voorjaar onderwerken. Dit hogere percentage komt omdat bij vlinderbloemigen met name de ondergrondse delen in verhouding veel N naleveren.
  2. De bovengrondse N-opname van een groenbemester kan bij een aantal soorten ook worden geschat met de lengte van het gewas. Hierbij gelden de volgende relaties:
    • Grassen/granen: 1 dm = 25 kg N/ha
    • Gele mosterd: 1 dm = 10 kg N/ha
  3. Wanneer wordt bemest op basis van een Nmin-monster in voorjaar, zal bij onderwerken in de herfst al een deel van de N worden teruggevonden in de Nmin. Hierbij kan er van worden uitgegaan dat bij niet-kruisbloemige groenbemesters (o.a. Italiaans raaigras en winterrogge) circa 1/3e van de bemestende waarde tot uiting komt in een hogere Nmin-voorraad in het voorjaar terwijl 2/3e gedurende het groeiseizoen tot beschikking komt voor het gewas. Bij kruisbloemigen (o.a. gele mosterd en bladrammenas) komt alle N al in de winter vrij.
  4. Bij teelten waar in de N-bemestingsrichtlijn een vermenigvuldigingsfactor voor de Nmin staat die groter is dan 1 (bijvoorbeeld 1,7 in geval van suikerbiet), moet na een in de herfst ondergewerkte of in de winter afgevroren groenbemester rekening worden gehouden met een overschatting van de N-korting indien de verhoogde Nmin-waarde na de winter wordt ingevuld in de formule van de richtlijn. In dat geval kan men beter eerst de N gift volgens de richtlijn berekenen op basis van de (geschatte) Nmin-voorraad die zou zijn aangetroffen zonder een groenbemester (gemeten Nmin minus 1/3 van de bemestende waarde van niet-kruisbloemige groenbemesters dan wel de volledige bemestende waarde van kruisbloemigen) en vervolgens de volledige bemestende waarde van de groenbemester (zie tabel 8) in mindering brengen op de gift.
  5. De N-nawerking in tabel 8 is afgeleid bij volggewassen waarbij tot 1 augustus actief N wordt opgenomen (o.a. aardappelen, maïs).

Oogstresten

In tabel 9 staat voor een aantal gewasresten weergegeven hoeveel kan worden gekort op de N-gift van het volggewas.

Tabel 9. Korting op de N-gift (kg/ha) na onderwerken van diverse oogstresten in de herfst of winter en na scheuren van grasland.
Type oogstrestN-nawerking (kg/ha)
1e jaar2e jaar3e jaar
Graan- en korrelmaïsstro000
Gewasresten van prei, knolvenkel en kroot2000
Bietenblad en gewasresten van bloemkool, brocolli, boerenkool en sluitkolen3000
Spruitkoolresten4000
Luzerne*756525
Gescheurd grasland*1-jarig5000
2-jarig10000
3-jarig en ouder100300

*: Vastgesteld door Commissie Bemesting Grasland en Voedergewassen.

Opmerkingen bij tabel 9:

  1. Wanneer wordt bemest op basis van een Nminmonster, kan ervan worden uitgegaan dat circa 1/3e van de bemestende waarde tot uiting in een hogere Nminvoorraad in het voorjaar, terwijl 2/3e gedurende het groeiseizoen tot beschikking komt voor het gewas. Dit geldt tevens voor in de herfst gescheurd grasland.
  2. Bij teelten waar in de N-bemestingsrichtlijn een vermenigvuldigingsfactor voor de Nmin staat die groter is dan 1 (bijvoorbeeld 1,7 in geval van suikerbiet), moet na in de herfst achtergebleven gewasresten rekening worden gehouden met een overschatting van de N-korting indien de verhoogde Nmin-waarde na de winter wordt ingevuld in de formule van de richtlijn. In dat geval kan men beter eerst de N gift volgens de richtlijn berekenen op basis van de (geschatte) Nmin-voorraad die zou zijn aangetroffen zonder achtergebleven gewasresten (gemeten Nmin minus 1/3e van de bemestende waarde van gewasresten) en vervolgens de volledige bemestende waarde van de gewasresten (zie tabel 9) in mindering brengen op de gift.

Optimalisering stikstofbenutting

De stikstofgebruiksnormen van 2013 zijn op zandgrond en löss voor veel teelten lager dan de stikstofbemestingsrichtlijnen. Dit maakt het noodzakelijk om zo efficiënt mogelijk met stikstof om te gaan, om opbrengstderving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Daartoe wordt hieronder een aantal aandachtspunten genoemd. Deze punten zijn ook relevant voor bedrijven op klei die moeite hebben om aan de N-gebruiksnormen te voldoen.

Perceelsgericht (bij)bemesten

Probeer zo goed als mogelijk is, perceelsgericht te bemesten. Door op percelen met een sterkere stikstoflevering te besparen op de stikstofgift, houdt men meer stikstof over om de schralere percelen wat extra te geven.
Houd zo mogelijk rekening met het N-leverend vermogen van de bodem op basis van eigen ervaring en kennis van perceel. Het is moeilijk om via bodemmetingen te voorspellen hoeveel stikstof er precies mineraliseert. De eigen ervaring van de teler en kennis van het perceel zijn daarom nog steeds belangrijke hulpmiddelen voor het vaststellen van de stikstofbehoefte.
Houd rekening met de stikstofnalevering uit stikstofrijke gewasresten van de voorvrucht of ingewerkte groenbemesters.
Houd op percelen waar frequent dierlijke mest wordt toegepast rekening met de lange-termijnwerking van dierlijke mest.
Met name bij een verwachte, hoge mineralisatie is het raadzaam om een stikstofbijmestsysteem (NBS) toe te passen, indien dat beschikbaar is voor het betreffende gewas (of ras). Een hoge mineralisatie levert een grote bijdrage aan de stikstofvoorziening van het gewas, waarvan men kan profiteren. Met een NBS kan hier beter op worden ingespeeld dan met een vaste gift volgens de N-bemestingsrichtlijn.

Hoge benutting stikstof uit dierlijke mest

Dien dierlijke mest op een zodanig tijdstip toe dat de stikstof zo goed mogelijk wordt benut. Dit is bij voorkeur in het voorjaar vlak vóór het zaaien of poten van het gewas (maart-april). Aanwending van dierlijk mest in februari geeft een hoger N-verlies door uitspoeling of denitrificatie.
Wanneer mest uit oogpunt van structuurbederf in de nazomer wordt toegediend in plaats van in het voorjaar, combineer de mestgift dan met een groenbemester. Dat vermindert het stikstofverlies en zorgt een hogere stikstofnalevering in de volgteelt. Bij toediening van drijfmest na 1 augustus is de teelt van een groenbemester wettelijk verplicht (inzaai uiterlijk 31 augustus), maar ook na toediening van vaste mest verdient het aanbeveling.
Beperk de mestgift (maximaal 80 kg werkzame N per ha), zodat de beschikbare stikstof zo veel mogelijk door de groenbemester wordt opgenomen. Teveel stikstof wordt niet meer opgenomen en gaat verloren. Voor de hoeveelheid werkzame stikstof die beschikbaar komt aan de groenbemester uit dierlijke mest die medio augustus wordt uitgereden, kunnen de volgende N-werkingspercentages worden gehanteerd (werking van N-totaal in de mest bij gemiddelde samenstelling):

varkensdrijfmest75%
rundveedrijfmest50%
vaste rundveemest20%
kippenmesten40-45%

Bij toediening in de graanstoppel kan ca. 15 kg werkzame N per ha extra worden gegeven, aangezien de verterende graanstoppel ook stikstof vastlegt.

Stikstofrijenbemesting

Stikstofrijenbemesting geeft een betere benutting in maïs, waardoor 20% kan worden bespaard op de stikstofgift ten opzichte van breedwerpige toediening (zie ook paragraaf 2.4).
Bij suikerbieten kan door rijenbemesting gemiddeld 15% worden bespaard ten opzichte van breedwerpige bemesting. Bij vroege zaai (maart – begin april) en dito lage temperaturen, op percelen met een hoge stikstofbehoefte, kan de besparing oplopen tot 30%. Bij latere zaai en hoge temperaturen, op percelen met een lage stikstofbehoefte, is een geringe tot geen besparing mogelijk.
In andere akkerbouwgewassen gaf N-rijenbemesting op Nederlandse gronden geen betere benutting of is dit niet onderzocht. In proeven met consumptieaardappel gaf het soms een betere benutting.

Op percelen waar wordt ervaren dat de gewassen structureel meer stikstof nodig hebben om de maximale opbrengst te behalen dan volgens de N-bemestingsrichtlijnen, kan proefondervindelijk worden nagegaan of stikstofrijenbemesting verbetering geeft. Hierbij moet in eerste instantie worden gedacht aan zwakwortelende gewassen en teelt op ruime rijenafstand (50-75 cm). Oorzaken van een bovengemiddelde N-behoefte zijn bijvoorbeeld een lage mineralisatie, een slechte bodemstructuur, een verzwakt wortelstelsel door aaltjesaantasting en een lage bodemtemperatuur tijdens de begingroei.

Emissiearme toediening ammoniummeststoffen

Breng meststoffen waarvan de stikstof geheel of voor het merendeel uit ammonium bestaat, in de grond door ze direct na toediening in te werken of ze te injecteren (vloeibare meststoffen). Bij oppervlakkige toediening kan ammoniakvervluchtiging optreden, waardoor de stikstofwerking lager is dan van KAS. Voor dierlijke mest, digestaat en mineralenconcentraten verkregen uit drijfmest geldt een inwerkplicht. Voor kunstmest en een reststroom als spuiloog (of spuiwater) geldt geen inwerkplicht. Goed inwerken of injecteren minimaliseert het N-verlies door ammoniakemissie, waardoor een gelijkwaardige werking als van KAS mag worden verwacht.

Vloeibare meststoffen onder droge omstandigheden

Onderzoeksresultaten laten vooralsnog geen duidelijke voordelen zien van gebruik van vloeibare meststoffen. Voor bijbemesting onder droge omstandigheden waarbij niet kan worden beregend, kunnen vloeibare meststoffen een voordeel bieden ten opzichte van korrelmeststoffen. De efficiëntie van vloeibare meststoffen is bij droogte tijdens en na toediening wat hoger dan van vaste meststoffen. Doordat korrelmeststoffen onder droge omstandigheden slecht oplossen, komen de nutriënten (te) langzaam beschikbaar.

Stikstofvanggewassen

Ga na of er in het bouwplan ruimte is of kan worden gecreëerd voor tijdig gezaaide groenbemesters en of dit past in verband met de aaltjessituatie in de bodem. Voor groenbemesters die vóór 1 september worden gezaaid en na 1 december worden ingewerkt (zand, löss en veen) dan wel na 8 teeltweken (klei) geldt een extra N-gebruiksruimte. Door die stikstof slechts ten dele aan de groenbemester te geven (of helemaal niet in geval de voorvrucht veel stikstof nalaat), creëert men extra stikstofruimte voor andere gewassen op het bedrijf. Bovendien kan men profiteren van de stikstofnawerking uit de ingewerkte groenbemester in het volggewas.

Bodemstructuur

Zorg naast een goede bodemvruchtbaarheid voor een goede bodemstructuur zonder storende lagen en een lage druk van bodemziekten en –plagen. Dit bevordert de beworteling van het gewas. Een slechte beworteling leidt doorgaans tot een slechtere benutting van stikstof en andere nutriënten.
Let op dat de pH in orde is (zie hoofdstuk 5), probeer daar waar mogelijk groenbemesters te telen of extra organische stof via gewasresten achter te laten bijvoorbeeld door stro onder te werken en probeer verdichting van de ondergrond te voorkomen.

Vochtvoorziening

Zorg voor een goede vochtvoorziening van het gewas; beregen op tijd. De vochtvoorziening heeft directe invloed op de productie, maar beïnvloedt ook de nutriëntenbenutting. In een droge bodem zijn stikstof en andere nutriënten moeilijker opneembaar voor het gewas.