Secondary menu

Adviesbasis voor de bemesting van akkerbouwgewassen - Kali

20/03/2013 - J.J. de Haan en W. van Geel - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de adviesbasis vindt u de meest actuele kalibemestingsadviezen. De hoogte van de kalibemesting hangt af van de kalitoestand van de bodem en de gewasbehoefte.

Algemeen

Evenals bij fosfaat hangt de hoogte van de kalibemesting af van de kalitoestand van de bodem en de gewasbehoefte. Het kaligehalte van de grond wordt uitgedrukt m.b.v. de K-HCl (mg K2O/100 g grond). De extractiemethode staat hier vermeld. Op zand-, dal-, veen- en kleigrond wordt de K-HCl omgerekend tot een kali-getal (voor omrekening K-HCl in kaligetal zie tabel 1). Op löss wordt geadviseerd op basis van K-HCl.
Het advies bestaat uit een gewasgericht advies voor het behalen van een economisch optimale opbrengst en uit een bodemgericht advies voor handhaving van de streeftoestand van de bodem en eventuele reparatie daarvan. Beide adviezen worden in de volgende paragrafen toegelicht.
De twee adviezen leiden doorgaans tot verschillende uitkomsten. Er moet worden voldaan aan beide adviezen. Het gewasadvies geldt voor het specifieke gewas dat op dat moment wordt geteeld. Bij het bodemadvies gaat het erom dat er op rotatieniveauaan wordt voldaan. Veelal is het bodemadvies hoger dan het gewasadvies en moet er meer kali worden gegeven dan volgens het gewasadvies. De kaligift wordt dan zo verdeeld over de gewassen in de rotatie dat elk gewas minimaal het gewasadvies krijgt. De extra kali kan worden toegediend aan de gewassen met de hoogste kalibehoefte of hoogste onttrekking. Een rekenvoorbeeld is hier te vinden.

In tabel 1 is weergegeven hoe het kaligetal wordt berekend.

Tabel 1. Formules voor berekening van het kaligetal.
GrondsoortFormule
Dekzand-, dal- en veengrondK-getal = (20 x K-HCl)/(10 + %-organische stof)
Zeeklei < 10% organische stof, rivierklei en zeezandK-getal = (K-HCl x b)/(0,15 x pH-KCl - 0,05)
b* = een door lutum bepaalde factor. Bij een lutumgehalte < 11% en bij zeezand wordt gerekend met een waarde van 1,513.
Als pH wordt genomen de gewenste pH, of indien deze hoger is, de actuele pH. Bij pH > 7,0 wordt gerekend met 7,0.
Zeeklei > 10% organische stofK-getal = K-HCl x b1
Bij een lutumgehalte <5% wordt gerekend met een waarde van 1,513.
Op deze gronden wordt geen correctie voor de pH toegepast.

*: b = 1,75 - 0,040*(lutum/LS) + 0,00068*(lutum/LS)2 - 0,0000041*(lutum/LS)3, waarbij LS = lutum-slib-verhouding
Zeezand, zeeklei en kleiïg veen: LS = 0,67
Rivierklei (uitgezonderd maasklei): LS = 0,61
Maasklei: LS = 0,55
Löss: LS = 0,50

Bodemgericht advies

De waardering van de kalitoestand van de bouwvoor is afhankelijk van de grondsoort (tabel 2). Bij het bodemgerichte advies wordt gestreefd naar de toestand voldoende.

Tabel 2. Waardering van de kalitoestand (uitgedrukt in het kaligetal m.u.v. löss) in de akkerbouw (1971).
WaarderingGrondsoort
Dekzand, zeezand, dal-, veengrondZeeklei < 10% organische stof, rivierkleiZeeklei > 10% organische stofLöss (K-HCl)
Zeer laag< 7< 11 < 9
Laag7-911-12< 139-10
Voldoende10-1213-1513-1511-12
Ruim voldoende13-1716-2016-2013-15
Vrij hoog18-2521-2621-3016-20
Hoog> 2527-3431-3721-25
Zeer hoog > 34> 37> 25

Op veeljarige proefvelden is gevonden dat op klei en löss de kalitoestand van de grond invloed heeft op de opbrengst en de kwaliteit van met name aardappelen. In tabel 3 zijn de streefwaarden vermeld voor de kalitoestand waarboven dit effect niet meer optreedt. Op zandgrond heeft de kalitoestand geen duidelijke invloed op de opbrengst van aardappelen. Om te voorkomen dat in extreme jaren de kalivoorziening geheel afhangt van een verse bemesting, wordt ook op deze gronden gestreefd naar een bepaald kalitoestand (tabel 3). Naast streefwaarden zijn ook trajecten genoemd waarbinnen wordt geadviseerd de toestand te handhaven (tabel 3).

Tabel 3. Het voor een bouwplan met aardappelen gewenste kaligetal en het traject waarbinnen wordt geadviseerd om de toestand te handhaven (1984).
GrondsoortStreefgetalToestand handhaven
Dekzand- en dalgrond1111-17
Zeezand (<5% lutum)1111-15
Zeeklei< 12% lutum1414-20
≥ 12% lutum1818-26
Rivierklei< 8% lutum1414-20
8-18% lutum1818-26
≥ 18% lutum1414-26
Löss15 (K-HCl)15-20 (K-HCl)

Hoeveel kali nodig is om een bepaalde streefwaarde te bereiken kan worden berekend met behulp van de formules in tabel 4. Voor het handhaven van de streeftoestand moet gemiddeld over het bouwplan minstens de onttrekking plus onvermijdbare verliezen worden gegeven. Door de opbrengst van de verschillende gewassen te vermenigvuldigen met een gemiddeld kaligehalte kan de gemiddelde afvoer worden geschat. Bij een gemiddeld akkerbouwbouwplan kan worden gerekend met een afvoer van circa 150 kg K2O/ha/jaar. Door de grote diversiteit aan gewassen op groentenbedrijven kan moeilijk een gemiddelde afvoer worden gegeven. Voor de onvermijdbare verliezen kan worden uitgegaan van 0 en 50 kg K2O/ha/jaar op resp. klei- en zandgrond.

Tabel 4. Formules voor berekening van de hoeveelheid kali (kg K2O/ha) die boven de onttrekking nodig is om de toestand te verhogen (1984).
GrondsoortFormule*
Zeezand, dekzand en dalgrond(streefgetal - K-getal) x ((10+%-org. stof)/20) x 71
Zeeklei**((streefgetal - K-getal)/b) x 111
Rivierklei((streefgetal - K-getal)/b) x 250
Löss(streefgetal - K-HCl) x 143

*: Voor b zie formule onder tabel 1;
**: Bij kalifixerende zeekleigronden (overgangsgronden tussen zeeklei en rivierklei), zoals deze voorkomen op Oost IJsselmonde, het Eiland van Dordrecht en de Biesbosch, kan voor het bereiken van de gewenste toestand meer kali nodig zijn dan het advies aangeeft.

Gewasgericht advies

In de tabellen 5 t/m 8 worden de kaligiften vermeld die nodig zijn om gegeven de kalitoestand de economisch optimale opbrengst te bereiken. De gewassen zijn ingedeeld in gewasgroepen. De indeling staat onder de adviestabellen vermeld.

Bij de uiteindelijke bemesting gaat het erom dat aan zowel het bodem- als het gewasgerichte advies wordt voldaan. Neem daartoe de volgende stappen:

  1. Bepaal het gewasgerichte advies van de afzonderlijke gewassen in de gewasrotatie op het perceel en bereken vervolgens hoeveel kali bij opvolging van het advies op rotatieniveau wordt aangevoerd.
  2. Indien de aanvoer op rotatieniveau volgens gewasgerichte advies lager is dan het bodemgerichte advies (dat geldt op rotatieniveau), dient laatstgenoemde te worden gevolgd. De extra kali (bovenop het gewasgerichte advies) kan dan het beste aan de meest kalibehoeftige gewassen binnen de rotatie worden gegeven.
Tabel 5. Geadviseerde kaligiften (kg K2O/ha) op zeezand-, dekzand-, dal- en veengrond (1984).
K-getalGewasgroep*
1234
< 4320280430220
6280230380190
8250200350160
10220170320130
12180130280110
1416011026090
161409023070
181207019060
201106017050
221005014040
24803012030
26700900
2860 70 
3050 50 
3240 30 
3430 0 
360   

* Indeling in gewasgroepen:
1. Consumptieaardappelen, suikerbieten, zaadbieten, klaver, wikken, luzerne, uien, bladspinazie, spruitkool, wortelen, waspeen, kroten, prei, augurken, witlof, knolselderij, schorseneren, aardbeien, kunstweide (2x maaien), vlas, karwij, rode kool, witte kool, bloembollen en overige groentengewassen;
2. Zetmeelaardappelen, aardappelen voor industriële verwerking en bloemkool;
3. Voederbieten;
4. Asperge, granen, maïs, stamslabonen, tuinbonen, veldbonen, bruine bonen, conservenerwten, landbouwerwten, graszaad en andere zaadgewassen.

Opmerkingen bij tabel 5:

  1. Pootaardappelen kunnen zwaarder met kali worden bemest dan consumptieaardappelen.
  2. Stoppelknollen na granen met circa 80 kg K2O/ha bemesten.
  3. Bij voeder-  en suikerbieten naast de geadviseerde kaligift nog 200 kg Na2O/ha toedienen.
  4. De bepaling van het kaligetal is op zandgrond slechts voor 1 à 2 jaar geldig, omdat het kaligetal hier betrekkelijk snel kan veranderen. Zijn er geen nieuwe gegevens van grondonderzoek beschikbaar dan kan men het beste uitgaan van het advies behorend bij K-getal 11 (streefwaarde).
  5. De geadviseerde gift voor kunstweide is bedoeld voor twee maaisneden. Wordt meer of minder gemaaid dan deze gift met 80 kg K2O/ha/snede vermeerderen of verminderen.
  6. Zetmeelaardappelen niet meer kali dan volgens advies geven.
  7. Het advies voor luzerne is gebaseerd op een opbrengst van 12,5 ton droge stof per ha. Indien de opbrengst aanmerkelijk hoger is, kan 80 kg K2O per ha extra worden gegeven.
Tabel 6. Geadviseerde kaligiften (kg K2O/ha) op rivierklei en zeeklei met < 10% organische stof (1984).
K-getalGewasgroep*
12345
< 6440200330160530
8400180290130490
10360160250100460
1232014021070420
1428012017050390
1625010014030350
18230801200320
2021060100 280
221805080 250
241604070 210
26140050 180
28130 40 150
30110 0 130
32100   120
3490   100
3680   90
3860   80
4050   60
4240   50
4430   30
460   0

Indeling in gewasgroepen:
1. Consumptieaardappelen, uien, wortelen, waspeen, kroten, prei, knolselderij, rode kool, witte kool, augurken, schorseneren, aardbeien en overige groentengewassen;
2. Suikerbieten, zaadbieten, vlas, karwij en asperge;
3. Zetmeelaardappelen, aardappelen voor industriële verwerking, voederbieten, conservenerwten, landbouwerwten, stamslabonen, tuinbonen, veldbonen, bruine bonen, klaver, wikken, luzerne, witlof, bloemkool, spruitkool, kunstweide (2x maaien) en bloembollen;
4. Granen, maïs, blauwmaanzaad, graszaad, spinaziezaad, kanariezaad en andere zaadgewassen;
5. Bladspinazie.

Opmerkingen bij tabel 6:

  1. Voor beperking van de kans op blauw wordt geadviseerd om een groot deel van de hoeveelheid kali in een bouwplan aan de aardappelen te geven. Hierbij is het aan te bevelen een deel van de kali in de late winter of vroege voorjaar toe te dienen. Alleen wanneer het derde gewas na aardappelen een sterk kalibehoeftig gewas is (bijvoorbeeld uien of spinazie) moet dit gewas ook worden bemest. Op kalifixerende gronden is het eveneens gewenst een groot deel van de kali aan de aardappelen te geven, maar de andere gewassen dienen op deze gronden ook nog enige kali te ontvangen.
  2. De geadviseerde gift voor kunstweide is bedoeld voor twee maaisneden. Wordt meer of minder gemaaid dan moet deze gift met 80 kg K2O/ha/snede worden vermeerderd of verminderd.
  3. Pootaardappelen kunnen zwaarder met kali worden bemest dan consumptieaardappelen.
  4. Het advies voor luzerne is gebaseerd op een opbrengst van 12,5 ton droge stof per ha. Indien de opbrengst aanmerkelijk hoger is, kan 80 kg K2O per ha extra worden gegeven.
Tabel 7. Geadviseerde kaligiften (kg K2O/ha) op zeeklei met > 10% organische stof (1984).
K-getalGewasgroep*
12345
< 6350260290180530
8320240260160490
10290210230130460
12270190200110420
1424016017080390
1622014015060350
1820012013040320
201701101100280
22150100100 250
241309090 210
261208080 180
281107070 150
30906060 130
32805050 120
34704040 100
36604040 90
38403030 80
403000 60
420   50
44    30
46    0

*: Voor gewasindeling zie tabel 6.

Opmerkingen bij tabel 7: zie onder tabel 6.

Tabel 8. Geadviseerde kaligiften (kg K2O/ha) op löss (1984).
K-HClGewasgroep*
123
< 4420340160
6390310150
8330270130
10270220110
1220016090
1416012070
161208040
18100600
208030 
22500 
2430  
260  

*: Indeling in gewasgroepen:
1. Consumptieaardappelen, suikerbieten, voederbieten, zaadbieten, vlas, karwij, uien, bladspinazie, wortelen, waspeen, kroten, prei, augurken, knolselderij, schorseneren, rode kool, witte kool, bloembollen en overige groentengewassen;
2. Zetmeelaardappelen, aardappelen voor industriële verwerking, conservenerwten, landbouwerwten, stamslabonen, tuinbonen, veldbonen, bruine bonen, luzerne, bloemkool, spruitkool, witlof en kunstweide (2x maaien);
3. Asperge, granen, maïs, blauwmaanzaad, graszaad, kanariezaad en andere zaadgewassen.

Opmerkingen bij tabel 8: zie onder tabel 6.