Secondary menu

Kennisakker - thema/gewas: Vruchtopvolging

Ruimere vruchtwisseling: voor- en nadelen voor nutriëntenbenutting en bedrijfseconomie

Verruiming van de vruchtwisseling met meer graan is gunstig voor de bodemkwaliteit en vaak ook voor de mineralenbenutting, maar is ongunstig voor het economisch bedrijfsresultaat. Met name op bedrijven met pootgoedaardappelen zijn forse opbrengststijgingen nodig om het inkomensverlies te compenseren die op dit moment weinig realistisch lijken. In dergelijke situaties kan beter eerst worden gekeken naar alternatieve maatregelen zoals organische meststofkeuze, inwerken van stro en het telen van vroege rassen. Ook verruiming met vroeg geoogste bloembolgewassen of groenten of landruil met een melkveehouder kunnen aantrekkelijkere alternatieven zijn.

Beheersing aardappelmoeheid

De brochure aardappelmoeheid van het Actieplan Aaltjesbeheersing geeft veel informatie over de achtergronden, regelgeving, bemonstering, bestrijding en beheersing van aardappelcysteaaltjes. Met praktische voorbeelden worden maatregelen toegelicht om aardappelmoeheid te beheersen.

Inzaai rietzwenk als groenbemester

Op de DLV-nfo-avonden “Bouwvoor in beeld” is aandacht besteed aan de aanvoer van organische stof met o.a. rietzwenk als groenbemester. Kennis over deze werkwijze is tot op heden nog beperkt. Enkele belangrijke voordelen zijn:

Tarwe na tarwe?

Tarwe na tarwe is alleen goed mogelijk op die percelen waar meer dan 50% tarwe, gerst of rogge in het bouwplan zit. Dan mag verondersteld worden dat de grond ziektewerend is tegen de tarwehalmdoder. Wanneer nu vanwege de hogere prijs incidenteel tarwe na tarwe geteeld wordt, kan de schade in de tarwe oplopen tot 20%.

Bouwplan pas compleet met teelt van vanggewassen

Deze brochure gaat in op het belang van vanggewassen: voorkomen of beperken van stikstofverlies, verbetering bodemstructuur, erosiepreventie en onderdrukking van onkruiden.

Vlinderbloemigen brengen bemesting in evenwicht

Deze brochure gaat in op het belang van vlinderbloemigen voor een evenwichtige bemesting op het (biologische) akkerbouwbedrijf.

Rhizoctonia in suikerbieten

Bij te verwachten problemen met Rhizoctonia in suikerbieten zorgt u ervoor dat de besmetting van de grond met Rhizoctonia zo laag mogelijk is. Dat bereikt u met de teelt van gewassen die Rhizoctonia niet vermeerderen. Denk dan aan de teelt van graan, maar geen mais.

Keuze groenbemester en aaltjes

De teelt van een groenbemester heeft vanuit meerdere aspecten een positief effect op de bodem. Een groenbemester biedt bescherming tegen de ongunstige invloeden van regen en wind (verslemping, stuiven, uitspoeling en erosie) en is zeer gunstig voor het organische stofgehalte van de bodem.

Structuurherstellend vermogen van groenbemesters

In opdracht van HPA zijn PPO en Alterra in 2005 en 2006 nagegaan in welke mate een goed geslaagde groenbemester de bodemstructuur verbetert en wat het effect is op de opbrengst en kwaliteit van het volggewas.
Uit de bodemmetingen en -waarnemingen kon niet worden opgemaakt dat de eenmalige teelt van een goed geslaagde groenbemester een duidelijke verbetering gaf van de bodemstructuur. Niettemin was er wel een gunstig effect op de groei en opbrengst van de volgteelt.

(On)mogelijkheden van stikstofvanggewassen na maïs op akkerbouwbedrijven

Vanaf 2006 is het op zand- en lössgronden verplicht is om na maïs een vanggewas te telen. Dit om de nitraatuitspoeling na maïs te beperken. Toegestane vanggewassen zijn winterrogge, grassen, bladkool en bladrammenas. Op akkerbouwbedrijven kan dit knelpunten opleveren met het oog op de aaltjesvermeerdering.

In een korte bureaustudie zijn de aaltjesrisico's op een rij gezet. Ook is gekeken naar de slagingskansen van de genoemde vanggewassen na maïs.

Economische evaluatie van het vruchtwisselingsonderzoek in Noordoost-Nederland

Ter afsluiting van meerjarig vruchtwisselingsonderzoek in het Noordoostelijk zand- en dalgrondgebied in de periode 1990 tot 2001 was er behoefte aan een bedrijfseconomische evaluatie.
Hiervoor zijn 24 representatieve vruchtwisselingscenario's doorgerekend. Uit deze berekeningen komt naar voren dat het telen van resistente aardappelrassen in een intensieve rotatie (1:2), gecombineerd met grondontsmetting (1:5) een goede strategie kan zijn voor het Noordoostelijke zand- en dalgebied.

Groenbemesters en Pratylenchus in een bouwplan met zetmeelaardappelen

Het wortellessieaaltje P. penetrans vermeerdert op veel gewassen, waaronder aardappel en graan. Suikerbiet is een slechte waard voor dit aaltje. De meeste groenbemesters zijn een goede waard.

In opdracht van het HPA is onderzoek verricht naar de effecten van groenbemesters op het aaltje en de opbrengst van de aardappels het volgende teeltjaar. De vraag is welke groenbemester het best geteeld kan worden na granen, als voorvrucht van zetmeelaardappelen. Het gaat dan om de aaltjesvermeerdering, maar ook om het positieve effect van groenbemesters op de structuur en organische stof, en daardoor op de aardappelopbrengst. Tevens is onderzocht welk graangewas, wintertarwe of zomergerst, het aaltje het minst vermeerdert.

Zomergerst bleek een betere voorvrucht voor aardappel te zijn dan wintertarwe, doordat de aaltjespopulatie na gerst lager was. Tijdens zwarte braak daalde de wortellesieaaltjespopulatie, wat een positief effect had op de aardappelopbrengst.

Keuze groenbemester na mais

Met ingang van 2006 is het op zand- en lössgronden verplicht na de maïsteelt een groenbemester te telen, om de achtergebleven stikstof in de bodem de winter door te helpen.
In deze brochure worden diverse aspecten van de voor deze teelt toegelaten groenbemesters belicht.

Teelthandleiding graszaad - graszaad in het bouwplan

In dit hoofdstuk van de teelhandleiding graszaad is informatie te vinden over het belang van perceelskeuze, vruchtwisseling, bodemvruchtbaarheid en mechanisatie.

Teelthandleiding graszaad - dekvruchten

In dit hoofdstuk van de teelthandleiding graszaad is informatie te vinden over het gebruik van dekvruchten voor de graszaadteelt.

Pages

Subscribe to Kennisakker - thema/gewas: Vruchtopvolging