Secondary menu

Kennisakker - thema/gewas: Techniek

Gemengde rijentoepassing gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen

Het is onvoldoende bekend hoe de werking van Rhizoctonia-middelen is wanneer deze gemengd aan meststoffen als rijenbemesting worden toegediend. In 2011 en 2012 zijn Subliem en Amistar daarom in een proef getoetst op hun werking wanneer deze gemengd met Humifirst en APP als rijenbemesting worden toegediend. Omdat het insecticide Actara veelal ook in de rij wordt toegepast, is dit middel eveneens in de proeven opgenomen.

Bij het mengen van APP met Subliem, Actara en met name Amistar was er enige vlokvorming te zien, wat echter geen problemen gaf. De volgorde van menging is uitermate belangrijk; APP dient aan water te worden toegevoegd en niet andersom. Pas nadat water en APP goed gemengd zijn, kan er Amistar, Subliem of Actara aan worden toegevoegd.
Het gemengd toedienen van Amistar of Subliem met APP of Humifirst leidde niet tot een aantoonbaar verminderde werking op Rhizoctonia. Humifirst leek meer (een mogelijk negatief) effect te hebben op de werking van Actara dan APP.

Plaatsing als strategie voor een efficiënte fosfaatbemesting

Fosfaatplaatsing is een bemestingsstrategie waarbij relatief kleine hoeveelheden fosfaat lokaal aangeboden worden in de nabijheid van plantenwortels. In het kader van strengere regelgeving (aanscherping van gebruiksnormen) is onderzocht in hoeverre fosfaatplaatsing een mogelijkheid is om evenwichtsbemesting te realiseren.

Modeluitkomsten gaven aan dat met plaatsing relatief kleine hoeveelheden fosfaat genoeg zijn om de gevraagde opname toch te realiseren. Ook gaven modelberekeningen aan dat een verhoging van het Pw-getal van 25 naar 35 veel minder effectief is dan plaatsing, terwijl voor deze verhoging vele malen meer fosfaat nodig zou zijn.
Uit veldproeven bleek ook dat plaatsing een effectieve manier is om de fosfaatgift sterk te reduceren en toch fosfaat aan te bieden in voldoende hoge concentraties bij de wortel.
Over de bemestende waarde van struviet konden geen uitspraken worden gedaan.

Effect van toepassing effectieve micro-organismen in de akkerbouw

Op de PPO-locatie Westmaas is in een driejarig project onderzoek uitgevoerd naar het perspectief van de toepassing van effectieve micro-organismen (EM) in de akkerbouw. De EM zijn toegevoegd aan kippenmest en compost of gespoten op het veld.

Een bespuiting met EM, toevoeging van Biofilm®+ aan kippenmest of toediening van Bokashi had geen of nauwelijks positief effect.

Toetsing van meststoffen en bemestingssystemen in de aardappelteelt

Er wordt in de praktijk veel informatie verspreid over de positieve aspecten van bepaalde 'nieuwe' meststoffen en bemestingssystemen. In opdracht van o.a. het Productschap Akkerbouw hebben NMI en PPO-agv daarom de gebruikswaarde (o.a. effect op opbrengst en kwaliteit) van een aantal van die meststoffen en bemestingssystemen voor de teelt van poot-, zetmeel- en consumptieaardappelen vastgesteld. In aanvulling daarop is in de veldproeven met zetmeel- en consumptieaardappelen op zandgrond ook het effect op de efficiëntie van de toegediende stikstof onderzocht.

In totaal betrof het 9 veldproeven die zijn uitgevoerd in de jaren 2006, 2007 en 2008. Uit dit onderzoek bleek dat de meerwaarde van 'nieuwe' meststoffen voor het realiseren van de optimale opbrengst bij een verlaagde N-gift beperkt was, dat verlaging van de N-gift met kalkammonsalpeter tot 2/3e van het N-advies bij aardappelen gemiddeld leidde tot een opbrengstderving van 4% en dat een verbeterd N-bijmestsysteem de beste mogelijkheden biedt om een hoge N-benutting bij behoud van opbrengst en kwaliteit te realiseren.

Perspectieven van verschillende gewassen als stikstofvanggewas na de oogst van maïs

Vanaf 2006 is het verplicht om op zand- en lössgrond na maïs een stikstofvanggewas te telen. Op dit moment zijn winterrogge, bladrammenas, grassen en bladkool daarvoor toegelaten. Andere gewassen die misschien ook als stikstofvanggewas na maïs zouden kunnen dienen zijn wintertarwe, wintergerst, Triticale en Japanse haver.

Voor een goede beoordeling van de huidige en van de potentiële stikstofvanggewassen, is nagegaan welke teeltkundige en nematologische informatie er van deze gewassen beschikbaar is en vervolgens zijn de gewassen op deze aspecten met elkaar vergeleken. Daarnaast is aangegeven welk onderzoek bij de verschillende gewassen nodig is om meer betrouwbare informatie te verkrijgen bij een teelt als stikstofvanggewas na maïs.

Sensingsystemen voor bodem en gewas ten behoeve van precisielandbouw

In dit literatuuronderzoek zijn diverse systemen geïnventariseerd die de bodemvruchtbaarheid of gewastoestand plaatsspecifiek in kaart brengen. De beschikbare systemen worden vergeleken en er wordt een overzicht gegeven van enkele kenmerken van de diverse systemen. Beoordeling van de praktische bruikbaarheid, de kosten, de wetenschappelijke basis en nauwkeurigheid van de systemen komen eveneens aan bod. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Kennis op de Akker (KodA).

Overzicht van sensingtechnieken voor precisiebemesting

In dit overzicht worden de beschikbare technieken voor het plaatsspecifiek meten van de bodemvruchtbaarheid of de gewastoestand weergegeven. Diverse kenmerken van deze technieken worden opgesomd.

Voorjaarstoepassing drijfmest op onbeteelde kleigrond

Vanwege het risico op bodemstructuur- en gewasschade is er op de kleigrond huiver om in het voorjaar drijfmest te gebruiken. Onderzoek en praktijkervaring geven aan dat er wel mogelijkheden zijn, zeker op de wat lichtere gronden.

Dierlijke mest in Engels raaigras

Het gebruik van dierlijke mest in plaats van kunstmest kan een aanzienlijke kostenreductie geven. Als gevolg van de weersomstandigheden en de daarmee samenhangende berijdbaarheid van het land is het toepassingsmoment van drijfmest in het voorjaar onzeker. De doelstelling van dit onderzoek was vaststellen in hoeverre een voorjaarstoediening van drijfmest in de stikstofbehoefte van de zaadteelt van Engels raaigras (gedifferentieerd naar type en doorschietdatum) kan voorzien en welke toedieningstechniek het meest geschikt is. Hiermee kunnen de gebruiksmogelijkheden van drijfmest in de zaadteelt van Engels raaigras worden vastgesteld.

Varkensdrijfmest kon in het voorjaar meestal goed worden toegepast. Het deels vervangen van kunstmest door dierlijke mest kostte wel opbrengst. Door de hoge vergoedingen voor het accepteren van dierlijke mest leverde het vervangen van een deel van de kunstmest door organische mest veelal toch een financieel voordeel op van € 20 tot € 200 per ha.
Bij vroeg doorschietende rassen was het gunstiger de mest in maart toe te dienen, mits de gewasontwikkeling voldoende was en de grond een goede draagkracht had. Bij middenvroege en late rassen was het vanwege de latere gewasontwikkeling gunstiger de mest in april aan te wenden.

Inwerken van drijfmest in wintertarwe

Deze tip gaat in op het toepassen van drijfmest in wintertarwe. Stilgestaan wordt bij de techniek en regelgeving.

Effect van effectieve micro-organismen (EM) in slachtkuikenmest op suikerbieten

Het gebruik van slachtkuikenmest in de akkerbouw stuit bij de teelt van suikerbieten op problemen, omdat de stikstof veelal vrij laat beschikbaar komt. Dit gebruik heeft daardoor een nadelige invloed op het suikergehalte en op de winbaarheid. EM (= Effectieve Micro-organismen, zoals bacteriën, schimmels en gisten) zouden toegevoegd kunnen worden aan de mest, zodat een deel van de stikstof al tijdens de stalperiode wordt omgezet in microbiële stikstof. Deze microbiële stikstof zou tijdens het groeiseizoen sneller beschikbaar moeten komen voor de plant.

Op de PPO-locatie Kooijenburg te Rolde zijn gedurende twee jaar proeven aangelegd. Tijdens het groeiseizoen was er alleen een duidelijk effect van het totale stikstofaanbod op de gewasgroei en bij de oogst ook op de wortelopbrengst en het suikergehalte. Het toevoegen van EM aan de mest had geen positief effect op de beschikbare stikstof. Het gebruik van ± 6 ton/ha slachtkuikenmest (met of zonder EM) in combinatie met 25-50 kg kunstmest-N/ha in 2003 en 0-25 kg kunstmest-N/ha in 2004 leverde de hoogste financiële opbrengst. Deze opbrengst was ruim €200,- per hectare hoger dan bij het gebruik van alleen kunstmest. Het gebruik van slachtkuikenmest had geen nadelige invloed op het suikergehalte of de winbaarheid.

Alternatieven voor ontijdige toediening van dierlijke mest in de akkerbouw

Op PPO-proefbedrijf in Westmaas is in 2003/2004 onderzoek uitgevoerd om de stikstofwerking van dierlijke mest op de kleigrond te verbeteren. Er is een aantal mestsoorten en producten van mestscheiding op verschillende tijdstippen toegediend om het effect op de opbrengst en de stikwerking van de mest vast te kunnen stellen.

Voorjaarstoediening van mest voor het poten van de aardappelen heeft in dit onderzoek goed voldaan. De stikstofwerking van de najaarstoepassingen was erg laag.

Naar andere aanwending van mest op kleigrond

In seizoen 2005/2006 wordt het uitrijden van drijfmest op kleigrond in de maanden december en januari verboden. Bovendien wordt de najaarstoepassing ontmoedigd door het hanteren van een forfaitaire werkingscoëfficiënt voor stikstof in drijfmest van 30% . Deze werkingscoëfficiënt wordt de volgende jaren verhoogd tot die van voorjaarstoepassing. De verbodsperiode wordt bovendien de komende jaren uitgebreid tot een verbodsperiode van 15 september tot 1 februari. De nieuwe wetgeving heeft grote gevolgen voor de mesttoepassing op kleigrond. Nu wordt bijna alle dierlijke mest op kleigrond immers juist in het najaar uitgereden.
Het is nog onduidelijk hoe in de nieuwe mestwetgeving wordt omgegaan met toepassing van vaste mestsoorten en met de vaste, rulle fractie van gescheiden mest. In dit artikel wordt ingegaan op de mogelijkheden die de akkerbouwer op kleigrond heeft om ook in de toekomst dierlijke mest te gebruiken. Voorjaarstoepassing van mest en toepassing van de vaste, rulle fractie van gescheiden drijfmest in het najaar bieden het meeste perspectief.

Effect DMPP op reductie van stikstofuitspoeling na herfsttoediening van dierlijke mest

Doel van het onderzoek was vast te stellen hoeveel stikstof er door toediening van DMPP aan drijfmest bij najaarstoepassing extra beschikbaar komt voor het volggewas. Het Nmin-gehalte in de grond in het voorjaar werd hiervoor als criterium gebruikt.

Het toevoegen van DMPP aan varkensdrijfmest, uitgereden in november, heeft in de 2 onderzoeksjaren in deze proef geleid tot een 40 tot 50 kg hogere Nmin per ha in april t.o.v. het niet toevoegen van DMPP aan varkensdrijfmest. Bij bemonstering in maart wordt de hogere N-levering door toevoeging van DMPP niet altijd teruggevonden. Houdt dus na het gebruik van drijfmest met DMPP bij het bepalen van de kunstmestgift rekening met bemonsteringstijdstip en mineralisatieomstandigheden na bemonstering.

Maatregelen voor de akkerbouw op lossgrond om met inzet van dierlijke mest aan Minas- en nitraatnormen te voldoen

Dit project richtte zich op het ontwikkelen van pakketten van maatregelen voor akkerbouwbedrijven op lössgrond die bedrijfseconomisch het meest aantrekkelijk zijn om met inzet van dierlijke mest aan Minas-normen en aan de nitraatnorm van 50 of 25 mg/liter (nitraatgehalte in het bodemvocht op 150 cm beneden maaiveld) te voldoen.

Belangrijkste conclusie is dat akkerbouwbedrijven in Zuid-Limburg bij toepassing van Goede Landbouwpraktijk op een duurzame wijze met behoud van opbrengstniveau kunnen voldoen aan de eindnormen van Minas en aan de nitraatnorm van 50 mg/liter in het bodemvocht. Dan kan nog steeds dierlijke mest worden ingezet.

Pages

Subscribe to Kennisakker - thema/gewas: Techniek