Secondary menu

Vreterij in consumptieaardappelen

03/04/2015 - Rozen, K. van en Huiting, H.F. - WUR

Waar gaat dit over?

Vreterij in Nederlandse consumptieaardappelen staat in een toenemende belangstelling. De aanname is dat het probleem toeneemt, maar de werkelijke omvang van de schade is onbekend. Ook zijn de oorzaken van de aangetroffen gaten vaak niet helder; gaat het om vreterij, aantasting of mechanische schade? Het doel van dit project is om de omvang van de problematiek en de oorzaken van “vreterij” in kaart te brengen. Het verkregen beeldmateriaal kunnen de telers en adviseurs direct gebruiken om symptomen in het veld of in de schuur te vergelijken. Zowel omvang (hoe vaak worden de telers geconfronteerd met (economische) schade) als oorzaak (welk veroorzaker moet wanneer worden beheerst of bestreden) zijn van groot belang voor een efficiënt, rendabel en duurzaam teeltmanagement.

Inleiding

Het project richt zich op het vaststellen op welke schaal het optreden van vreterij in Nederlandse consumptieaardappelen leidt tot financieel verlies voor de teler/leverancier. Een voorbeeld zijn de problemen met ritnaalden; verwachte problemen worden in de praktijk voorkomen door een bodeminsecticide preventief voor of tijdens het poten toe te passen. Ritnaalden worden wereldwijd als een incidenteel probleem beschouwd, een deel van de bodembehandelingen blijkt achteraf niet noodzakelijk. De vraag is of het jaarlijks inzetten van een middel wel een kosteneffectieve strategie is. Aanvullend is het onderscheid in schade tussen organismen geregistreerd. Met beeldmateriaal is getracht om dit onderscheid helder te krijgen.

Uitvoering

Landelijk zijn acht aardappelverwerkers benaderd om aan het onderzoek deel te nemen. Uiteindelijk zijn door vijf aardappelverwerkers percelen en aardappelmonsters aangereikt voor beoordeling. Hiermee is een voor Nederland representatief netwerk gevormd om de regionale effecten in kaart te brengen. De globale beoordelingssystematiek van de aardappelverwerkers is beschreven. Het onderzoek richtte zich vooral op veldonderzoek. Verwerkers beoordelen “vreterij” vooral na het schillen, maar dan is de oorzaak van een gat lastig vast te stellen. Van oude gaten of vervormingen is ook lastig vast te stellen wat de oorzaak is. Via een simuleringsproef is daarom na het aanbrengen van kunstmatige schade in jonge/kleine knollen gekeken naar de vormverandering. Van alle bezochte percelen is een lijst met kenmerken aangelegd waarin o.a. ras, grondsoort, voorvrucht(en) en pesticidegebruik m.b.t. ritnaald-/rhizoctoniabestrijding is beschreven.

Resultaten

Oost-Nederland (zand) is de regio waar de meeste schade is vastgesteld, gevolgd door de klei in het zuidwesten. Het ging vooral om ritnaaldschade. Ook drycore komt voor en is vergeleken met ritnaaldschade. Enkele percelen met engerlingen en slakken zijn aangetroffen. Van enkele andere aantasters zijn de symptomen beschreven. In 2012 en 2013 viel het mee met de schade. Het aantal door de verwerkingsbedrijven aangeleverde adressen met verdachte percelen en beschadigde monsters was beperkt. Op een deel van de percelen was het percentage gaten fors, maar op één partij na waren er geen financiële consequenties, omdat de vraag naar aardappelen in beide jaren groot was en vrijwel alle partijen werden afgezet zonder korting of afkeuring. Wel zijn enkele partijen voor bepaalde afzetkanalen ongeschikt gebleken, maar zijn via andere kanalen toch verkocht. Gemiddeld kan bij een individuele teler ritnaaldschade echter tot een fors verlies leiden. De uitdaging ligt in het van tevoren identificeren van deze percelen met hoge plaagdruk. Hiervoor zijn aanbevelingen aangedragen.

Ritnaaldschade (links) ten opzichte van drycore symptomen met een verkurkt propje in het gat (rechts).