Secondary menu

Erwinia: veldproef teeltvervroeging

- -
11/11/2014 - H. Velvis - HZPC

Het doel van de proef was om na te gaan of een vervroeging van de teelt, en daardoor een eerder tijdstip van loofvernietiging, zou kunnen leiden tot minder Erwinia. En daarnaast of er door het langer uitstellen van het rooien, mogelijk gemaakt door teeltvervroeging, ook minder kans op verspreiding van de besmetting zou zijn.

Uit de resultaten kunnen de volgende conslusies worden getrokken:

  • Het vervroegen van de teelt, door het eerder poten, door voor te kiemen, door een verminderde stikstofgift, of door een 'vroeger' ras te gebruiken, heeft in dit onderzoek niet geleid tot een significant lagere besmetting van het 'Erwinia' type Pectobacterium wasabiae in het loof vlak vóór loofvernietiging, en
  • heeft evenmin geleid tot een significant lagere besmetting van de dochterknollen.
  • Het effect dat wél gevonden is op de stengelbesmetting, het gecombineerde effect van poottijdstip en voorkieming, heeft waarschijnlijk meer te maken met afgeleide factoren zoals de verminderde poterkwaliteit bij laat poten van niet voorgekiemde knollen, en het kwetsbaarder zijn voor koudeschade bij vroeg gepoot voorgekiemd materiaal.
  • Het aantal zichtbaar aangetast planten in het veld was te laag om daar conclusies aan te verbinden.
  • Er is wel een sterk significant effect gevonden van het tijdstip van rooien na loofvernietiging op de besmetting van de dochterknollen met P. wasabiae. Hoe langer er gewacht wordt met rooien, hoe lager de besmetting.
  • Bij de in deze proef gebruikte potermaten (tot 55 mm) duurde het, onder de vigerende proefomstandigheden, tot 9 weken na loofvernietiging voordat vrijwel alle moederknollen verdwenen waren. Door voorkiemen wordt dit proces weliswaar versneld, maar een periode van 9 weken lijkt een veilige marge.
  • Ook de besmetting van de moederknolresten met P. wasabiae neemt in de periode na de loofvernietiging geleidelijk aan af.

De eindconclusie is, dat teeltvervroeging zeker zin heeft in de beheersing van Erwinia. Door een combinatie van vroeg poten en voorkiemen wordt bereikt dat er eerder loofvernietiging kan plaatsvinden. Dat schept ruimte voor een langere periode tussen loofvernietiging en rooien, waarin: a) de moederknollen kunnen verdwijnen, b) ook de besmettingsgraad van de moederknolresten afneemt, en c) (wellicht mee ten gevolge hiervan) de besmettingsgraad van de dochterknollen bij de rooi afneemt. Het is verstandig daarbij te streven naar een marge van 9 weken tussen loofvernietiging en rooien.