Secondary menu

Teelthandleiding zetmeelaardappelen - rassenkeuze

15/12/2003 - A. Veerman - Agrobiokon / PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding zetmeelaardappelen wordt ingegaan op de rassenkeuze van zetmeelaardappelen.

Belangrijke criteria voor rassenkeuze van zetmeelaardappelen zijn:

AM-situatie

Het meest bepalend voor de rassenkeuze van zetmeelaardappelen is de aardappelmoeheidssituatie: de mate van besmetting van het perceel en het type populatie van het aardappelcysteaaltje. Het te kiezen ras zal bij voorkeur voldoende resistent moeten zijn tegen de op het perceel aanwezige populatie, zodat -zo mogelijk- geen verdere vermeerdering optreedt. Verder zal het te kiezen ras, met name bij zwaardere AM-besmettingen, voldoende tolerant moeten zijn. Dit laatste betekent dat het ras ook bij een zware AM-besmetting een goede opbrengst kan geven.

Wratziekte-situatie

In bufferzones, rondom besmette percelen, is uitsluitend de teelt van resistente rassen toegestaan. Om de wratziekte in het zetmeelaardappelteeltgebied te kunnen beheersen, wordt geadviseerd om alleen resistente- of matig tot hoog veldresistente (resistentiecijfer 7 t/m 9) aardappelrassen te telen.

Grondsoort

Sommige zetmeelrassen leveren op dalgrond een hoger uitbetalingsgewicht dan op zandgrond en omgekeerd. Zo gedijen Elkana en Karida het beste op dalgrond, terwijl Seresta op zandgrond de hoogste zetmeelopbrengst geeft.

pH van de grond

Onderzoek heeft aangetoond, dat de pH van de grond bij bepaalde rassen in belangrijke mate bepaalt hoe groot de opbrengstschade bij een bepaalde aaltjesdichtheid is. Naarmate de pH hoger is, bleek de opbrengstschade doorgaans groter te zijn. Daarom speelt ook de pH van de grond een rol bij de rassenkeuze voor een bepaald perceel.

Gewenste rijptijd van het gewas

Voor aflevering als voormalers zijn uitsluitend vroeg(er) rijpende rassen met een vroege knolzetting geschikt.
Laat rijpende rassen geven in de periode half augustus tot half september niet alleen een te lage opbrengst, maar voldoen ook kwalitatief minder goed. Dit geldt bijvoorbeeld voor de kwaliteit van het zetmeel: te kleine korrels en verontreiniging vanwege een grotere kans op beschadiging en daardoor vuilinsluiting.

Bewaarbaarheid

Lang niet alle rassen zijn geschikt voor langdurige bewaring. Dit kan worden veroorzaakt door te grote zetmeelverliezen of de vatbaarheid voor bacterieziekten of voor bewaarziekten, zoals Fusarium-droogrot.
Erg laat rijpende rassen zijn in principe ook minder geschikt voor bewaring. Ze zijn eind september meestal nog onvoldoende afgerijpt om vóór half oktober met een goed afgeharde schil te kunnen worden gerooid. Rassen met een (vrij) goede bewaarbaarheid zijn ondermeer: Karida en Karnico.