Secondary menu

Teelthandleiding wintertarwe - gewasbescherming

15/03/1997 - A. Darwinkel - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding wordt ingegaan op de gewasbescherming bij de teelt van wintertarwe.

Legering

In granen kan legering tot aanzienlijke opbrengstverliezen leiden. Legering treedt vooral op in zware en dichte gewasbestanden, veelal ontstaan door een ruime stikstofbemesting. De stengelvoet kan zich dan niet volledig ontwikkelen, wat de stevigheid ervan beperkt. Bij zware neerslag en veel wind kan de zwakke stengelvoet gemakkelijk gaan knikken. Legering kan al plaatshebben, wanneer de aar te voorschijn komt. Vaak treedt legering echter op na de bloei, wanneer het gewas nog bladrijk is en het aargewicht door korrelvulling toeneemt.
In gelegerde gewassen blijft de fotosynthese sterk achter. De schade aan de korrelproductie is groter, naarmate de legering eerder en ernstiger plaats heeft. Veelal beperkt legering de korrelvulling en als zodanig het 1000-korrelgewicht. Bij zeer vroegtijdige legering worden ook de bloei en bevruchting en daarmee de korrelzetting nadelig beïnvloed. De schade van legering komt verder tot uiting in een slechtere korrelkwaliteit, moeilijkheden bij de oogst, geringe oogstcapaciteit en problemen met onkruiden.
Het optreden van legering hangt in sterke mate samen met de stevigheid en de lengte van het stro. Beide kenmerken zijn sterk rasgebonden. Ook een ruime stikstofvoorziening en veel zaaizaad bevorderen een dichte, zware gewasontwikkeling en vergroten de kans op legering. Verder kunnen voetziekten, m.n. oogvlekkenziekte (Pseudocercosporella herpotrichoides) de stengelvoet verzwakken, wat legering kan veroorzaken.
Het optreden van legering zal in eerste instantie moeten worden tegengegaan door een juiste teeltwijze aangaande rassenkeuze, zaaidichtheid en stikstofbemesting. Daarnaast is voor hoge, oogstzekere opbrengsten de inzet van een groeiregulator onontbeerlijk. De groeiregulator werkt remmend op de lengtegroei van de stengel en bevordert de diktegroei ervan. Dientengevolge wordt een korter en steviger gewas verkregen. De werking van de groeiregulator is sterk afhankelijk van de temperatuur. Voor een juiste bespuiting moet behalve met gewasstadium ook met de temperatuur rekening worden gehouden.
Als groeiregulator zijn in tarwe de volgende middelen beschikbaar:

  • chloormequat (merknamen: CeCeCe, CCC, chloormequat, Stabilan)
  • trinexapac-ethyl (merknaam: Moddus)
  • ethefon (merknaam: o.a. Cerone, Ethefon, Ethrel)

De werkzame stof chloormequat is actief bij 8 à 10°C , trinexapac-ethyl bij 10 à 12°C en ethefon eerst bij 12 à 15°C.
Bij gebruik van chloormequat-bevattende producten bedraagt het percentage werkzame stof tegenwoordig 750 g/l. ; ten aanzien van de dosering moet daarmee rekening worden gehouden in vergelijking tot de oudere producten met 460 g/l !
De verbetering van de strostevigheid moet in de eerste plaats gezocht worden in een versteviging van de halm door verdikking van de stengelvoet. Hiervoor kan chloormequat of een combinatie van chloormequat en trinexapac-ethyl gebruikt worden. Naarmate later wordt gespoten wordt het effect op halmversteviging minder en op halmverkorting groter. Ethefon is pas later tijdens de stengelstrekking effectief en geeft uitsluitend een verkorting van de stengel. Ethefon wordt echter in wintertarwe niet gadviseerd en alleen in noodgevallen in gerst en rogge toegepast.
Voor percelen met een opbrengstverwachting lager dan 8 ton/ha kan normaliter worden volstaan met de keuze van een stevig ras. Om opbrengsten boven 8 ton/ha, en zeker boven 10 ton/ha, te kunnen produceren zijn gewasbestanden nodig, die riskant zijn uit oogpunt van legering. Eén effectieve bespuiting is afdoende; echter bij hoge opbrengstniveaus en minder stevige rassen verdient toediening in twee keer de voorkeur. Als leidraad kan gelden:

  • korte, (vrij) stevige rassen:

1 l/ha chloormequat in eerste knoopstadium (GS 31)

  • langere, wat meer legeringsgevoelige rassen:

0,5 l/ha chloormequat: bij einde uitstoeling (GS 29-30)

+ 0,5 l/ha chloormequat + 0,25 l/ha trinexapac-ethyl in 1 à 2-knopenstadium (GS 31-32)

Van chloormequat en trinexapac-ethyl mag een goede werking verwacht worden, als de temperatuur niet te laag is; nooit bij nachtvorstverwachting spuiten. Groeizaam weer tussen half april en half mei is niet alleen gunstig voor het gewas, maar ook gunstig voor de werking van groeiregulatoren.
Toepassing van groeiregulatoren op wintertarwe heeft vooral plaats op gronden met hoge opbrengstverwachtingen, zoals (rivier)klei-, löss-, en dalgronden. Op zandgronden kan een groeiregulator veelal achterwege blijven.

Bestrijding van onkruiden

Onkruiden kunnen direct en indirect schade of problemen veroorzaken. De directe schade ontstaat door concurrentie om water, licht en mineralen. De tarwe beschikt over een sterk onkruidonderdrukkend vermogen. Opbrengstverliezen komen eigenlijk alleen voor bij een hoge onkruidbezetting en bij hoogopgroeiende onkruiden als duist, windhalm en kleefkruid. Indirect kunnen onkruiden problemen geven bij het oogsten en het vochtgehalte en de onzuiverheid van het oogstproduct verhogen.
In granen, dus ook in tarwe, wordt de bestrijding van onkruiden vooral bekeken uit oogpunt van het bouwplan. Ten behoeve van de volggewassen worden onkruiden zo volledig mogelijk bestreden, ook als de onkruidbezetting niet schadelijk is voor het graangewas zelf. Onkruiden kunnen in granen goed en goedkoop worden bestreden met chemische middelen. Op dit moment is een groot aantal middelen met een uiteenlopend werkingsspectrum voorhanden. Vanuit milieuoogpunt wordt echter kritisch naar alle gewasbeschermingsmiddelen gekeken en verdwijnen er stoffen die als te milieubelastend worden beschouwd. Daardoor heeft de mechanische onkruidbestrijding in de afgelopen jaren, met name in de biologische landbouw, steeds meer aandacht gekregen.

Chemische onkruidbestrijding

Bij granen is een uitgebreid sortiment van chemische middelen (herbiciden) beschikbaar, waarmee de uiteenlopende onkruiden in diverse gewasstadia in (winter)tarwe kunnen worden bestreden. Er kan daarbij onderscheid worden gemaakt tussen bodemherbiciden, contactherbiciden, groeistoffen en diverse mengcombinaties. Bij de keuze van het middel moet vooral gelet worden op de meest schadelijk aanwezige onkruiden, de ontwikkeling van de onkruiden, het gewasstadium van de wintertarwe en een eventueel ingezaaide ondervrucht. Weersomstandigheden spelen in de chemische bestrijding een grote rol. Dit betreft niet alleen de keuze van de middelen en de spuittechniek, maar ook de dosering. Binnen de chemische onkruidbestrijding zal het gebruik van aangepaste doseringen in de komende jaren in toenemende mate aandacht krijgen.
In het verleden zijn bij wintertarwe voor een rendabele onkruidbestrijding wel schadedrempels ontwikkeld, maar deze hebben in de praktijk niet of nauwelijks ingang gevonden. Onkruiden, die in meerdere gewassen problemen (kunnen) geven, mogen in een tarwegewas niet tot zaadzetting komen en moeten volledig worden bestreden. Het betreft met name onkruiden als duist, wilde haver, distel, kleefkruid en kamille.

Onkruidbestrijding in de herfst
Na de inzaai van de wintertarwe kunnen zich in de herfst onkruiden ontwikkelen die in het voorjaar niet of moeilijk meer te bestrijden zijn. Het betreft met name grasachtige onkruiden en in mindere mate kamille en kleefkruid. In de herfst worden vooral bodemherbiciden ingezet. Deze middelen hebben een langdurige werking tegen kiemende zaden en ondiep wortelende (kiem)planten en kunnen het tarwegewas in herfst, winter en vroege voorjaar vrijwaren van onkruiden. De inzet van bodemherbiciden is een preventieve bestrijdingswijze en vindt meestal kort na het inzaaien plaats op percelen die (jaarlijks) problemen met eerder vermelde onkruiden geven. De meeste middelen kunnen echter zowel voor als na opkomst van de tarwe worden gespoten; sommige kunnen ook nog in het vroege voorjaar worden ingezet.

Onkruidbestrijding in het voorjaar
In het voorjaar worden onkruiden overwegend bestreden met contactherbiciden en groeistoffen; vroeg in het voorjaar kunnen ook nog bodemherbiciden worden ingezet. Veel herbiciden bevatten een combinatie van verschillende actieve stoffen, zodat een brede werking tegen onkruiden wordt verkregen.
De keuze en dosering van het middel wordt in sterke mate bepaald door grondsoort en onkruidbezetting. Vooral probleemonkruiden als duist, kleefkruid en kamille zijn vaak bepalend in de middelenkeuze. Verder moet bij de uitvoering van een onkruidbestrijding rekening worden gehouden met het gewasstadium van tarwe en een aanwezige of nog te zaaien groenbemester. Het bestrijdingseffect is daarbij sterk afhankelijk van de weersomstandigheden voor, tijdens en na het spuiten. Informatie omtrent dosering, weersomstandigheden, waterhoeveelheid en druppelgrootte staat ook vermeld op het etiket van het bestrijdingsmiddel.
Bodemherbiciden kunnen alleen vroeg in het voorjaar bij lage temperaturen worden ingezet. Kiemende en jonge onkruiden worden bestreden. De bestrijding is met name gericht op duist, windhalm en straatgras, maar neemt ook diverse dicotyle onkruiden mee.
Contactherbiciden worden met name ingezet tegen jonge dicotyle onkruiden tijdens de uitstoeling en het begin van de stengelstrekking. De werkzame stof in deze herbiciden blokkeren de fotosynthese, ook bij lage temperaturen. De werkingsduur is weliswaar vrij kort, maar nieuwe kiemplanten krijgen in goed ontwikkelende gewasbestanden nauwelijks kans.
De werking van groeistoffen berust op een verstoring van fysiologische processen in de onkruidplant. Het bestrijdende effect van grasachtigen is gering, maar fors ontwikkelde dicotylen en wortelonkruiden kunnen goed worden bestreden. Om schade aan het tarwegewas te voorkomen moet de bespuiting met groeistoffen voor het te voorschijn komen van de aar zijn uitgevoerd.
De bestrijding van lastige wortelonkruiden (kweek, veenwortel) en aardappelopslag kan ook later plaatshebben door een bespuiting met glyfosaat 1 à 2 weken voor de oogst of in de stoppel na de oogst.

Herbiciden
Bij wintertarwe is een groot aantal chemische bestrijdingsmiddelen of herbiciden toegelaten. Het sortiment aan chemische middelen verandert voortdurend door opname van nieuwe en afvoer van oude middelen. Actuele informatie over gewasbeschermingsmiddelen wordt jaarlijks samengebracht in de handleiding "Gewasbescherming in de Akkerbouw en Veehouderij", uitgegeven door de Dienst Landbouw Voorlichting (DLV). In deze handleiding is ook informatie te vinden over de werking van de meest gebruikte middelen op de meest van belang zijnde onkruiden.

Mechanische onkruidbestrijding

Binnen de geïntegreerde en biologische landbouw heeft de mechanische onkruidbestrijding gestalte gekregen door in het voorjaar te eggen en, indien mogelijk, te schoffelen. Droge bodem en weersomstandigheden zijn voorwaarde voor een goed bestrijdingsresultaat. In de herfst is dit meestal niet het geval en kan dientengevolge vaak geen mechanische bestrijding worden uitgevoerd; meestal kan pas in maart/april worden geëgd.
Mechanische onkruidbestrijding is gebaat bij laat zaaien van de tarwe; een (chemische) bestrijding in de herfst kan dan achterwege blijven. Bovendien zijn de onkruiden in het voorjaar minder ver ontwikkeld. Door eggen worden alleen kleine onkruiden effectief bestreden door ze uit te trekken of onder te dekken. Met eggen zal zo vroeg mogelijk in het voorjaar moeten worden begonnen. Onkruidgrootte noch onkruidbezetting zijn criteria voor de uitvoering van een bestrijding; door tijdig en herhaald eggen (met tussenpozen van 10 à 14 dagen) worden onkruiden in een kwetsbaar stadium getroffen. Met eggen moet niet worden gewacht totdat de onkruidbezetting daartoe aanleiding geeft. Gunstige weers- en bodemomstandigheden moeten worden benut om de mogelijkheden van eggen te optimaliseren.
Het bestrijdingseffect wordt in sterke mate bepaald door weersomstandigheden. Langere perioden met nat weer beletten het eggen en resulteren vaak in een teleurstellende bestrijding. Een nabespuiting met een herbicide is dan vaak onontbeerlijk.
Uit onderzoek is echter gebleken, dat herhaald eggen geen wezenlijke schade toebrengt aan het tarwegewas. Door herhaald eggen worden echter nooit alle onkruiden bestreden, ook niet als de omstandigheden gunstig zijn. De overblijvende onkruiden veroorzaken weliswaar geen schade aan de korrelopbrengst maar kunnen in volggewassen door zaadproductie nog wel problemen geven.

Bestrijding van ziekten

Wintertarwe kan door een groot aantal schimmelziekten worden aangetast. De schade daarvan uit zich in lagere korrelopbrengsten, welke afhankelijk van de ziektedruk meer dan 50 % kan bedragen. Preventieve maatregelen, zoals gezond zaaizaad en 'resistente' rassen, kunnen de aantasting door ziekten beperken, maar in de praktijk zal een aanvullende ziektebestrijding meestal nodig zijn om hoge opbrengsten te bereiken. Infectie van schimmelziekten kan plaatshebben vanuit het zaaizaad, vanuit de grond of door sporen vanuit de lucht. Schimmelziekten worden dan ook onderscheiden in kiemschimmels, voetziekten en blad- en aarziekten.

Kiemschimmels

Tot de kiemschimmels behoren o.a. stuifbrand (Ustilago nuda), steenbrand (Tilletia caries) en enige fusarium-soorten (o.a. sneeuwschimmel). Deze schimmels infecteren de groeiende korrels tijdens de korrelvulling en gaan met het zaad over. Tijdens de kieming sterft de kiem van de aangetaste zaden vaak af, wat resulteert in een slechte opkomst. Door het zaaizaad te ontsmetten kunnen de kiemschimmels vrijwel volledig worden bestreden. Ontsmet zaaizaad geeft een goede opkomst met krachtige kiemplanten en vormt als zodanig de basis voor een goed plantenbestand.

Voetziekten

Voetziekten komen voor op wortels en op de stengelvoet. Het zijn meestal bodemgebonden ziekten die in bouwplannen met veel granen sterk kunnen optreden. Bij wintertarwe betreft het tarwehalmdoder (Gaeumannomyces graminis), oogvlekkenziekte (Pseudocercosporella herpotrichoides), scherpe-oogvlekkenziekte (Rhizoctonia cerealis) en enkele fusarium-soorten.
De tarwehalmdoder tast de stengelvoet en met name de wortels aan. Bij het optrekken van de planten breken de wortels af; de stengelvoet is vaak zwartglimmend. De schimmel kan met name in continue-teelten wintertarwe schade veroorzaken. Chemisch is de tarwehalmdoder niet te bestrijden.
De oogvlekkenziekte komt op de stengelvoet voor als een ovale vlek met een lichtbruine onscherpe rand en een geelwit centrum. De vlek lijkt op een oog. Meestal is er slechts één vlek onderaan de stengel aanwezig. Bij een zware aantasting vergroot het oog zich rondom de stengelvoet en kleurt donkerder. Bij legering knikt de halm op deze plaats om en kunnen daarbij naar alle kanten omvallen. Bij zware aantasting kan de opbrengst aanzienlijke schade oplopen. De oogvlekkenziekte is chemisch goed te bestrijden. Een bestrijding wordt zinvol geacht, als bij het begin van de stengelstrekking 15 à 20 % van de stengels zijn aangetast. Een ruime vruchtwisseling en niet te vroeg zaaien kunnen het optreden van oogvlekkenziekte beperken. Een goede bodemstructuur, ondiep en niet te dicht zaaien zijn eveneens gunstig.
De scherpe-oogvlekkenziekte wordt vooral aangetroffen op lichtere klei-, dal- en zandgronden. De vlekken kenmerken zich door een scherp begrensde donkere rand en een wit centrum. Vaak is er meer dan één vlek per stengel aanwezig, welke tot 30 cm boven de grond voorkomen. In tarwe kan deze schimmel met chemische middelen niet worden bestreden.
Fusarium-voetziekten laten op de stengelvoet en het onderste stengellid vaak donkerbruine strepen en vlekken zien, die later geheel kunnen verbruinen. Deze schimmels zijn niet te bestrijden.

Afbeelding 1. Tarwehalmdoder; een zwart schimmelmatje op de stengel en weinig wortels.
Afbeelding 2. Oogvlekkenziekte tijdens de afrijping. In eerste instantie zijn de vlekken slechts vaag begrensd.
Afbeelding 3. Fusarium voetziekte; bruine strepen en vlekken bij volwassen planten.

Bladziekten

Tot de bladziekten wordt een groot aantal schimmels gerekend, welke voor de bloei bladeren en stengels aantasten. Reeds vroeg in het voorjaar kunnen meeldauw (Erysiphe graminis) en bladvlekkenziekte of bladseptoria (Septoria tritici) voorkomen. Tijdens de fasen van stengelstrekking en uitaren kan tarwe door gele roest (Puccinia striiformis), bruine roest (Puccinia recondita), kafjesbruin (Septoria nodorum) en, in mindere mate, door de sneeuwschimmel (Gerlachia nivalis) worden aangetast. De laatste jaren wordt steeds vaker ook de gele bladvlekkenziekte (Drechslera triticirepentis) op tarwe aangetroffen. Het voorkomen van elk dezer schimmels is sterk afhankelijk van weersomstandigheden (vocht, temperatuur) en de structuur van het gewas.

Meeldauw toont zich bij een jonge aantasting als puistjes met witgrijs schimmelweefsel op bladeren en bladscheden. Later verkleurt dit bruinachtig en in het schimmelweefsel ontstaan kleine, zwarte bolvormige vruchtlichamen. De sporen kunnen met de wind over grote afstand worden verspreid. Meeldauw is sterk gespecialiseerd; dit betekent dat meeldauw niet van de ene naar een andere graansoort kan overgaan. Meeldauw wordt het meest aangetroffen in haarden, gekenmerkt door een hoge plantdichtheid en/of een zware gewasstand. Meeldauw kan zich vooral snel uitbreiden in perioden met warm en droog weer. Later kan ook de aar aangetast worden.
Meeldauw kan de korrelopbrengst van tarwe aanzienlijke schade toebrengen. De aantasting van meeldauw kan worden tegengegaan door te kiezen voor mindergevoelige rassen. Ook chemisch kan meeldauw goed worden bestreden.

Bladseptoria komt uitsluitend voor op tarwe en kan vaak al in de winter op bladeren worden aangetroffen. Op jonge planten ontstaan ronde tot ovale vlekken met lichtgroen weefsel, waarbinnen vruchtlichamen als zwarte puntjes (pycniden) zichtbaar worden. De ziekte kan zich over het gehele blad verspreiden. Bij vochtig weer komen de sporen uit de pycniden vrij. Tijdens de strekkingsfase wordt bladseptoria door spattende regendruppels van onder naar boven in de plant verspreid. De vlekken zijn dan meer langgerekt en grijs en bezet met zwarte pycniden. De aantasting blijft vaak beperkt tot de bladeren; stengels worden weinig en aren vrijwel nooit aangetast.

Afbeelding 4. Mycosphaerella graminicola en Septoria tritici.

Alhoewel bladseptoria vrijwel steeds in het jonge gewas aanwezig is, is uitbreiding tijdens de strekkingsfase sterk afhankelijk van weersomstandigheden. Bij droog weer vinden nauwelijks infecties plaats, in natte weersperioden kunnen zware aantastingen ontstaan. De meeste schade wordt dan ook aangericht in koele, natte groeiseizoenen. Alle rassen worden, in meer of mindere mate, door bladseptoria aangetast. Een effectieve bestrijding van deze schimmel is alleen met chemische middelen mogelijk.

Gele roest wordt meestal waargenomen tijdens de strekkingsfase. Op het blad ontstaat eerst een lichtgroene vlek, waarbinnen zich snel sporenhoopjes met gele tot oranje gekleurde sporen ontwikkelen. De ziekte breidt zich tussen de bladnerven in de lengterichting uit, waardoor de karakteristieke rijen met sporenhoopjes ontstaan. De ziekte komt vooral op de bladeren voor, maar ook stengels en aren worden bij een zware ziektedruk aangetast. Na infectie ontwikkelt de schimmel zich eerst in de aangetaste plant en in de directe omgeving waardoor in het veld haarden van gele roest ontstaan. De verspreiding van sporen, over kleine zowel als grote afstanden, vindt voornamelijk door de wind plaats. De ziekte ontwikkelt zich vooral bij matige temperaturen (10 à 20 °C); hoge temperaturen (>30 °C) worden slecht verdragen. Aangetaste bladeren verliezen hun fotosynthetische activiteit en sterven vervroegd af zodat grote opbrengstverliezen kunnen optreden. Gele roest is fysiospecifiek, d.w.z. sterk rasgebonden. Gevoelige rassen worden van de rassenlijst geweerd. Gele roest kan gemakkelijk nieuwe fysio’s ontwikkelen, waardoor aanvankelijk resistente rassen, na een aantal jaren alsnog door een nieuwe roestpopulatie kunnen worden aangetast. Behalve door rassenkeuze kan gele roest door chemisch middelen effectief worden bestreden.

Afbeelding 5. Gele roest (Puccinia striiformis tritici).

Bruine roest is een ziekte, die vaak wat later in het groeiseizoen optreedt. Op bladeren en bladscheden ontstaan ronde, bruine sporenhoopjes in een lichtgroene hof. De sporenhoopjes liggen vaak verspreid over het blad. De aantasting is meestal verspreid over het perceel, maar haarden komen voor. Sporen worden met de wind verspreid, ook over grote afstanden. Hoge temperaturen (20 à 30 °C) zijn gunstig en kunnen een explosieve uitbreiding van bruine roest geven. Door rassenkeuze en inzet van fungiciden kan schade door bruine roest worden tegengegaan. Door het optreden van nieuwe fysio’s kunnen aanvankelijk weinig vatbare rassen toch ernstig worden aangetast door bruine roest.

Kafjesbruin kan bladeren en aren aantasten. Bij aantasting van het blad wordt deze ziekte vaak als bladvlekkenziekte aangeduid. Op het blad groeien donkerbruine puntjes uit tot vlekken met een bleek, okerachtig centrum. De vlekken groeien uit, vloeien samen en doen het blad afsterven. In de vlekken ontwikkelen zich de vruchtlichamen of pycniden, die echter met het blote oog moeilijk te zien zijn. Verwarring met andere ziekten (bladseptoria en gele bladvlekkenziekte) kan gemakkelijk voorkomen. De ziekte kan ook in langgerekte bruine vlekken op de stengel voorkomen. Bij zware aantasting verschrompelen de knopen en de halmen kunnen op deze plaats breken. De ziekte is door rassenkeuze niet afdoende tegen te gaan. Een tijdige bestrijding met chemische middelen kan de ziekte goed bestrijden.

De sneeuwschimmel veroorzaakt op bladeren onregelmatige bleekgroene waterige vlekken, die later bruin verkleuren. Door voortgaande schimmelgroei ontstaan grote vlekken, wat tot bladsterfte leidt. De infectie ontstaat vanuit het zaad en vanuit de grond en kan niet worden voorkomen; wel kan door ontsmetten van zaaizaad de aantasting worden tegengegaan.

De gele bladvlekkenziekte wordt de laatste jaren steeds vaker geconstateerd, op vrij uitgebreide schaal in het graanrijke bouwplan op de zware klei in Groningen. Op bladschijven ontstaan kleine, ovale, geelbruine vlekken met een donkere punt. Later zijn het onregelmatig begrensde verbruiningen, meestal met een geel hof rondom een donker centrum. Bij ernstige aantasting treedt afsterving en indroging van de bladpunten op. Tussen rassen bestaan verschillen in gevoeligheid. De schimmel infecteert het gewas vanuit stroresten of vanuit het zaaizaad. De ziekte kan worden tegengegaan door gebruik te maken van gezond c.q. ontsmet zaaizaad en geen tarwe na tarwe te zaaien. De ziekte kan door chemische middelen goed worden bestreden.

Aarziekten

Een aantal van de bladziekten kunnen na de bloei de pakjes (meeldauw, gele roest) of de korrels (kafjesbruin, sneeuwschimmel) aantasten. Ziekten, die uitsluitend op de aar voorkomen zijn de rode kafschimmel of kafjesrood (Fusarium culmorum en Fusarium graminearum) en in mindere mate moederkoren (Claviceps purpureum). Verder komen diverse schimmels voor die geen schade doen en algemeen worden aangeduid met 'zwartschimmels'.
In de aar worden meeldauw en gele roest aangetroffen op de kelk- en kroonblaadjes van de pakjes; meeldauw zit vooral aan de buitenkant, gele roest vooral aan de binnenkant. Beide schimmels penetreren niet in de korrel. Dit laatste is wel het geval met kafjesbruin en de sneeuwschimmel. Voor een beschrijving van deze ziekten wordt verwezen naar de bladziekten.

De rode kafschimmel of aarfusarium infecteert de pakjes, die afzonderlijk of in groepjes vroegtijdig verbleken terwijl de rest van de aar groen blijft. De aangetaste pakjes verkleuren op den duur rose tot oranjeachtig. De spil van een aangetast pakje wordt eveneens aangetast en verkleurt donker. Bij tarwe wordt soms de centrale aarspil aangetast; het gedeelte van de aar dat er boven zit verbleekt dan. Bij aantasting door de rode kafschimmel worden de korrels slecht gevuld. Aangetaste aren blijven vaak rechtop staan, terwijl de gezonde aren gaan buigen. Op de aangetaste aren ontwikkelen zich gemakkelijk saprofytische schimmels, die de aren een zwartkleuring geven. De rode kafschimmel blijft over op zaad en op organisch materiaal in grond. Alle fusarium schimmels komen sterker naar voren, naarmate het weer in winter en zomer vochtiger is. Vooral bij vochtig weer tijdens bloei en rijping kan een zware besmetting ontstaan. Beperking van de infectie kan bereikt worden door zaaizaadontsmetting. Tijdens de bloei kan een bestrijding met een fungicide worden uitgevoerd, maar hiermee kan fusarium meestal niet afdoende bestreden worden. Binnen het rassensortiment bestaan aanzienlijke verschillen in gevoeligheid voor fusarium. Met behulp van een juiste rassenkeuze kan dan ook veel bereikt worden. Andere aspecten die een rol spelen bij het optreden van fusarium zijn de vruchtwisseling en de grondbewerking. In een graanrijk bouwplan kan men meer fusarium verwachten. Ook na maïs kan de infectiedruk hoog zijn. Het uitvoeren van een kerende grondbewerking waarbij aangetaste gewasresten van maïs of tarwe goed worden ondergewerkt, geeft een verlaging van de infectiedruk.

Afbeelding 6. Rode kafschimmel (Fusarium).

Moederkoren komt hoofdzakelijk bij rogge voor. Tarwe wordt meestal niet of in zeer geringe mate aangetast. De infectie heeft plaats via de bloemetjes en de geïnfecteerde vruchtbeginsels groeien uit tot opvallende, gekromde, paarse tot donkerbruine sclerotiën die uit de aar steken. Het verwijderen van sclerotiën uit het zaaizaad kan gewasaantasting in belangrijke mate voorkomen. Overigens is in tarwe de schade te gering om te bestrijden.

Zwartschimmels zijn zwakteparasieten, die zich op dode of afstervende plantedelen ontwikkelen. Vaak zijn het volgparasieten na een aantasting van voetziekten, meeldauw en andere blad- en aarziekten. De aren krijgen daardoor een enigszins zwarte kleur. Vochtig weer en hoge temperaturen (ca. 25 °C) zijn gunstig voor zwartschimmels. Een bestrijding is niet zinvol.

Fungiciden

In wintertarwe zijn diverse fungiciden toegelaten, die één of meerdere ziekten kunnen bestrijden. Het sortiment aan chemische middelen verandert voortdurend door opname van nieuwe en afvoer van oude middelen. Actuele informatie over gewasbeschermingsmiddelen wordt jaarlijks samengebracht in de handleiding "Gewasbescherming in de Akkerbouw en Veehouderij", uitgegeven door de Dienst Landbouw Voorlichting (DLV). In deze handleiding is ook informatie te vinden over de werking van de meest gebruikte middelen op de verschillende ziekten.

Bestrijding van plagen

Wintertarwe geldt als waardplant voor meerdere organismen. Het zijn niet alleen insecten, maar ook gewervelde dieren als muizen, hazen, ganzen en andere vogels, alsmede slakken die tarwe gebruiken als voedselgewas en die daarbij aanzienlijke schade kunnen veroorzaken.

Gewervelde dieren

Vanaf de inzaai wordt door muizen en vogels als fazanten en duiven naar het gezaaide zaad gespeurd. Vooral na het tevoorschijn komen van de coleoptiel worden planten door genoemde dieren en vogels losgetrokken om het opgezwollen zaad te bemachtigen. Gewoonlijk kan het gewas deze schade gemakkelijk compenseren. Percelen die op een afwijkend tijdstip worden gezaaid, hebben een verhoogde kans op schade. Later in de herfst zijn het met name hazen en reeën, die de bovengrondse bladmassa afgrazen. Omdat het groeipunt in tact blijft kan de plant zich hiervan meestal goed herstellen. Anders ligt het ten aanzien van grote vogels als eenden, ganzen en zwanen. Niet alleen worden de planten veelal volledig uit de grond getrokken, onder natte omstandigheden wordt de grond vertrapt, verdicht en verslempt, wat problemen met luchtvoorziening in de bodem geeft. Vooral vertrapping kan pleksgewijs leiden tot aanzienlijke plantverliezen. Bovendien verloopt de ontwikkeling van de overgebleven planten gebrekkig als gevolg van de slechte bodemstructuur waardoor de korrelopbrengst zal achterblijven.

Insecten

In wintertarwe komen meerdere insecten voor die in uiteenlopende omvang schade veroorzaken. Zo treden bladluizen en graanhaantjes vrijwel jaarlijks op, terwijl fritvlieg en tarwestengelgalmug minder frequent in grote aantallen voorkomen. Van de overige schadelijke insecten mag gezien hun geringe voorkomen alleen in incidentele gevallen enige schade worden verwacht.
In een tarwegewas zijn doorgaans ook een groot aantal natuurlijke vijanden van de schadelijke insecten aanwezig, zoals het lieveheersbeestje, sluipwespen en gaasvliegen. Toch zijn deze natuurlijke vijanden niet in staat om een sterke uitbreiding van een schadelijk insect tegen te houden. Een chemische bestrijding is dan vaak noodzakelijk.

Bladluizen
Bij wintertarwe zijn drie bladluissoorten van belang, t.w. de grote graanluis (Sitobion avenae), de roos-grasluis (Metopolophium dirhodum) en de vogelkersluis (Rhopalosiphum padi). De roos-grasluis zit vrijwel uitsluitend op het blad; na het uitaren migreert met name de grote graanluis naar de aar. Alle drie bladluissoorten zuigen aan de plant. De bladluizen scheiden honigdauw uit, welke als een glimmende en kleverige massa achterblijft en waarop zich zwartschimmels ontwikkelen. Aangeprikte bladeren vertonen door het zuigen gele plekken en sterven versneld af. Daardoor vermindert de fotosynthese, wat opbrengstverliezen tot gevolg heeft. Vooral in gewasbestanden met een hoge opbrengstpotentie (> 10 ton/ha) kan veel schade optreden. Door bladluizen kan schade worden aangericht tot aan het eind van de melkrijpe fase; nadien is deze meestal van weinig betekenis meer.
Bij wintertarwe bestaat al heel lang het advies om tot bestrijding van bladluizen over te gaan als vóór en tijdens de bloei 30 %, en na de bloei 70 % van de halmen bezet is. In hoogproductieve wintertarwebestanden zal de bestrijdingsdrempel echter moeten worden verlaagd.
In herfst en vroege voorjaar kunnen bladluizen het gerstevergelingsvirus overbrengen. Om verspreiding van deze ziekte over het perceel tegen te gaan, kan een bestrijding (in het voorjaar) nodig zijn.

Graanhaantje
In alle wintertarwepercelen kan in de zomer het graanhaantje (Lema cyanella) worden aangetroffen. Het zijn de larven van kevers die de bovenzijde van het blad streepsgewijs wegvreten. De larven zijn geel van kleur, maar zijn bedekt door een zwarte, kleverige massa, waardoor ze op slakjes lijken. In de laatste jaren wordt een toename van het voorkomen van graanhaantjes geconstateerd. Onduidelijk is of de aantasting van het graanhaantje de korrelopbrengst (wezenlijk) schaadt. Bestrijding van het graanhaantje is met chemische middelen mogelijk.

Tarwestengelgalmug
De tarwestengelgalmug (Haplodiplosis equestris) komt uitsluitend voor in graanrijke bouwplannen en wel bij voorkeur in zomergerst en in zomer- en wintertarwe. Deze mug legt van half mei tot eind juni eitjes in rijtjes aan de onder- en bovenkant van de bladeren. De daaruit komende witte larven kruipen tussen de bladschede en de stengel en vreten de stengel aan. Door de vorming van gallen ontstaan ribbels op de stengel. De larven verkleuren via roze naar oranjerood. De larven kruipen eind juli/begin augustus in de grond en een gedeelte verpopt in het voorjaar, waaruit in de loop van mei de muggen vrijkomen. De andere larven kunnen meerdere jaren in de grond overblijven en vormen een voortdurende infectiebron. De plaag is binnen een graanrijk bouwplan sterk perceelsgebonden. Meestal is de schade gering; soms is de eiafzetting erg groot en is een chemische bestrijding noodzakelijk. Deze moet uitgevoerd worden voordat de larven tussen de bladschede en de stengel zijn verdwenen.

Afbeelding 7. Eieren van de tarwestengelgalmug in tarwe.
Afbeelding 8. Larven van de tarwestengelgalmug en gallen op de stengel van wintertarwe. Deze larven verkeren in een vrij laat larvestadium. In de vroegste larvestadium zijn de larven vrijwel geheel wit.

Fritvlieg
Door de fritvlieg (Oscinella frit) worden in de vroege herfst eieren gelegd op de jonge tarweplant. De larven kruipen in de plant en overwinteren. De aantasting wordt zichtbaar aan het slap en geel worden van het hartblad. Vaak wordt het groeipunt weggevreten en sterft de spruit en soms de gehele plant af. Bij een zware aantasting ontstaat vaak een holle stand; een lichte aantasting kan door een sterke uitstoeling worden gecompenseerd. De aantasting kan worden tegengegaan door niet te vroeg te zaaien.

Overige insecten
Van de overige insecten komen een aantal elk jaar op bescheiden schaal voor, zoals de graanmineervlieg (Hydrellia griseola) en thripsen. Andere insecten, zoals de smalle graanvlieg (Hylemya coarctata), de gele tarwegalmug (Contarinia tritici), de oranje tarwegalmug (Sitodiplosis mosellana) en de Hessische mug (Mayetiola destructor) komen in sommige jaren in meer of minder grote aantallen voor. De aantasting van deze insecten levert vaak geen schade van enige betekenis op. Een bestrijding is veelal niet nodig en vaak ook niet mogelijk.

Slakken

Met name op zware kleigronden kan de opkomst van wintertarwe ernstig worden geschaad door slakkenvraat, waarbij regelmatig tot overzaaien moet worden besloten. De schade wordt vooral veroorzaakt door de akkeraardslak (Deroceras reticulatum) en, in mindere mate, door de grauwe wegslak (Arion circumscriptus) en de boswegslak (Arion silvaticus). Het zijn naaktslakken die na de kieming zowel onder als bovengronds schade kunnen veroorzaken. Het kiemende zaad en de jonge kiemplant gaan vaak volledig verloren. Vanaf het 2-bladstadium worden uitsluitend bladeren aangevreten en kan de plant zich veelal herstellen.
Slakken prefereren vochtige omstandigheden. Ruigten en bladrijke gewassen bieden slakken goede mogelijkheden om zich sterk uit te breiden. Slakken zijn tweeslachtig en kunnen zich dientengevolge snel vermeerderen. Ze leggen meerdere keren eieren, welke bij gunstige omstandigheden grote aantallen jonge slakken opleveren. In groenbemesters en bladrijke voorvruchten (koolzaad en vollegrondsgroenten) kan een sterke vermeerdering plaatsvinden, waarvan het volggewas wintertarwe ernstige schade kan ondervinden.
De meeste schade wordt gewoonlijk aangetroffen aan de zijkanten van percelen. In dat geval penetreren de slakken vanuit ruige perceelsranden en slootkanten. Maar ook midden op het perceel kan bij een grove zaaibedligging soms ernstige schade optreden. Na een gunstige voorvrucht kunnen veel slakken aanwezig zijn en de grofkluiterige grond voorziet de slak van goede schuilplaatsen om te ontsnappen aan zijn natuurlijke vijanden.
Slakkenschade zal in de eerste plaats moeten worden tegengegaan door een goede zaaibedbereiding. Op zware gronden (> 50 % afslibbaar) zal daarbij naar een fijnkluiterig zaaibed gestreefd moeten worden. Het gebruik van een zware rol na het zaaien kan daaraan bijdragen. Ook het (herhaald) strooien van slakkenkorrels beperkt de schade, maar is duur en arbeidsintensief. DE laatste jaren zijn in het onderzoek goede resultaten bereikt met zaaizaadontsmetting, waaraan een slakkendodend middel is toegevoegd. Dergelijk ontsmet zaaizaad en een goede zaaibedbereiding zullen het slakkenprobleem bij de opkomst grotendeels kunnen oplossen.

Afbeelding 9. Door slakken aangetast tarwezaad. Vraat begint gewoonlijk bij de kiem.

Virusziekten

Bij wintertarwe wordt alleen het gerstevergelingsvirus als schadelijk voor de korrelopbrengst gezien. Dit virus wordt in de herfst door besmette bladluizen overgebracht. De besmetting blijft in de herfst beperkt tot de geïnfecteerde planten, omdat de ingevlogen bladluizen en hun nakomelingen zich niet of nauwelijks naar andere planten verspreiden. Pas bij stijgende temperaturen in het voorjaar verspreiden de bladluizen zich en besmetten de omringende planten. Zo ontstaan de haarden, welke later als gele plekken in het gewas zichtbaar worden. Meestal blijft de aantasting tot haarden beperkt, maar onder gunstige omstandigheden kan het hele perceel geïnfecteerd raken. In dergelijke gevallen zijn opbrengstdervingen van meer dan 30 % mogelijk.
Normaliter zijn er na oktober door de lage temperaturen geen vluchten van bladluizen meer. Tarwe die in november opkomt ontloopt daardoor een besmetting met het gerstevergelingsvirus. Vooral vroeggezaaide percelen worden aangetast, zeker wanneer bladluizen lang blijven vliegen door hoge temperaturen in de herfst. De infectie in de herfst kan en hoeft niet te worden tegengegaan; de verspreiding vindt immers vooral in het voorjaar plaats. De virusziekte zelf kan niet worden bestreden. De bestrijding is gericht op het voorkomen van de verspreiding van de bladluizen.
Bladluizen kunnen in het voorjaar het virus alleen verspreiden als zij de winter overleven. Bladluizen zijn erg gevoelig voor vorst, maar zachte winters kunnen zij vaak goed doorstaan. Temperaturen tot -5 °C worden goed verdragen. Bij lagere temperaturen hangt de overleving ook af van vochtigheid en wind. Temperaturen van -5 tot -10 °C kunnen bij mooi vorstig weer (droog en weinig wind) goed worden doorstaan; bij vochtig en winderig weer is deze matige vorst al gauw fataal. Strenge vorst (< -10 °C) kan slechts korte tijd worden verdragen.
Heeft in de herfst een besmetting plaatsgevonden en hebben de bladluizen de winter doorstaan, dan kan in het voorjaar een bestrijding worden uitgevoerd. Om verspreiding tegen te gaan zal deze kort na de winter moeten worden uitgevoerd.

Andere informatie over virusziekten van tarwe
Er is geen andere informatie beschikbaar.

Aaltjes

Op wintertarwe kunnen meerdere aaltjessoorten of nematoden worden aangetroffen, maar de schade die aan de tarwe wordt aangericht is van geen betekenis. Wintertarwe fungeert dan wel als waardplant en houdt het aaltje binnen het bouwplan in stand. Wintertarwe wordt niet aangetast door stengelaaltjes (Ditylenchus-soorten) en cystenaaltjes (Globodera- en Heteroderasoorten), m.u.v. het havercysteaaltje (Heterodera avenae). Van de wortellesieaaltjes (Pratylenchus-soorten), de vrijlevende wortelaaltjes (o.a. Paratrichodorus-soorten) en de wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne-soorten) wordt een aantal in stand gehouden of vermeerderd. Dit geldt onder meer voor Paratrichodorus teres, het graswortelknobbelaaltje (Meloidogyne naasi) en het maiswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi).

Andere informatie over aaltjes in tarwe
Er is geen andere informatie beschikbaar.