Secondary menu

Teelthandleiding pootaardappelen - onkruidbestrijding

15/07/1996 - C.B. Bus - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding pootaardappelen wordt ingegaan op de bestrijding van onkruid.

Algemeen

Op een belangrijk deel van de pootgoedpercelen vormt onkruid nauwelijks een probleem. Dit komt doordat het meeste pootgoed op klei- en zavelgronden wordt geteeld waar de onkruiddruk veelal lager is dan op zandgronden en humeuze gronden. Voorts wordt bij de pootgoedteelt gestreefd naar een snelle grondbedekking met loof. Dit gebeurt door gebruik te maken van voorgekiemd pootgoed, grote poters en veel poters per oppervlakte-eenheid. Tenslotte wordt het loof veelal al vroeg vernietigd, voordat de loofbedekking sterk is teruggelopen en het late onkruid een kans krijgt om uit te groeien.

Duidelijke onkruidontwikkeling in aardappelen is ongewenst, vanwege de concurrentie met het gewas om licht, vocht en voedingsstoffen. Ook kunnen onkruiden waardplanten zijn voor pathogenen. Tenslotte kunnen onkruiden het rooien bemoeilijken en tot verontreiniging en beschadiging van het produkt leiden.

Bestrijding van onkruid kan mechanisch, chemisch of gecombineerd (mechanisch/chemisch) worden uitgevoerd. Het resultaat van zowel mechanische als chemische bestrijdingen is sterk afhankelijk van het weer. Mechanische onkruidbestrijding vindt vaak plaats in combinatie met de rugopbouw.

Mechanische onkruidbestrijding

Vele pootgoedtelers bestrijden het onkruid alleen mechanisch. Dit gebeurt vaak alleen door een uitgestelde rugopbouw. Hierbij worden de ruggen gevormd zodra het pootgoed bovenkomt. Een uitgestelde rugopbouw heeft als bijkomend voordeel dat Rhizoctonia minder kans krijgt de stengels te vernietigen. Als er toch nieuw onkruid tot ontwikkeling komt kunnen ruggen worden afgeëgd of geschoffeld en weer opnieuw aangeaard. Op het gebied van eggen, schoffels, aanaarders en dergelijke zijn er de laatste jaren duidelijk nieuwe ontwikkelingen. De moderne eggen zoals veertand en neteggen, die goed instelbaar zijn, geven weinig beschadiging aan de opkomende aardappelplanten. Toch wordt het gebruik van eggen in pootaardappelen, zodra de planten boven staan, afgeraden in verband met de kans op het, met plantesap, overbrengen van de contactvirussen X en S. Dit risico is bij schoffels en aanaarders veel geringer. Voorwaarde voor een goede mechanische onkruidbestrijding is dat de poters voldoende diep en midden in de rug liggen. Er moet rekening mee worden gehouden dat het gewas na een grondbewerking gevoeliger is voor vorst of winderosie. Ook kan bij elke bewerking in de grond beschadiging van wortels ontstaan en treedt er na bewerking vochtverlies op. Dit kan op droogtegevoelige grond de gewasgroei vertragen. Om dit zoveel mogelijk te beperken, moeten de bewerkingen dan ook zo oppervlakkig mogelijk worden uitgevoerd. Voor een goede mechanische onkruidbestrijding is slagvaardigheid vereist om in te spelen op gunstige weers en bodemomstandigheden.

Afbeelding. Onkruidbestrijding met een hoekschoffel en aanaarder.

Chemische onkruidbestrijding

Bij de chemische onkruidbestrijding kan onderscheid worden gemaakt tussen een volvelds-onkruidbestrijding vóór opkomst van de aardappelen en een onderbladbespuiting tussen de rijen tot het sluiten van het gewas.

Onderbladbespuitingen worden ondermeer toegepast indien bodemherbiciden onvoldoende hebben gewerkt als gevolg van een eerdere verkeerde middelenkeuze of droogte tussen rugopbouw en opkomst. Een onderbladbespuiting is ook een oplossing als de mechanische onkruidbestrijding onvoldoende effectief is geweest.

De chemische onkruidbestrijding op klei- en zavelgrond wijkt af van die op zand- en dalgrond. Laatstgenoemde gronden worden gekenmerkt door een veelal hogere onkruiddruk. Op gronden met hoge organische stofgehaltes is de werking van bodemherbiciden dikwijls onvoldoende. Een nadeel van chemische onkruidbestrijding is dat dit soms tot schade aan de stand van het gewas kan leiden en de selectie kan bemoeilijken. Daarom is een aantal in consumptie en zetmeelaardappelen bekende middelen niet in pootaardappelen toegelaten.

Klei- en zavelgronden

Met het pootklaar maken van de grond, veelal met behulp van een aangedreven eg, kan het eerste onkruid worden vernietigd. Bij een strategie waarbij het onkruid zoveel mogelijk mechanisch wordt bestreden moet met de definitieve rugopbouw worden gewacht tot rond opkomst of kort na opkomst. Om een vertraagde opkomst en daardoor opbrengstderving te voorkomen, moet de rugopbouw in elk geval plaatsvinden voordat de blaadjes van de bovenkomende stengels zich hebben ontvouwd. Met deze werkwijze kunnen de aanwezige onkruiden worden ondergedekt en blijkt het veelal mogelijk pootaardappelpercelen zonder bodemherbicide voldoende onkruidvrij te houden.

Bij een volledig chemische onkruidbestrijding wordt na het poten meestal binnen twee weken een definitieve rug gevormd en wordt vervolgens na bezakken van de rug volvelds een bodemherbicide toegepast. Verdere onkruidbestrijding is dan veelal overbodig; zonodig kan een onderbladbespuiting worden uitgevoerd.

Zandgrond

Als men onkruid op zandgrond mechanisch wil bestrijden dan zijn na het poten veelal meerdere bewerkingen nodig om een goed resultaat te behalen. De eerste bewerking moet plaatsvinden zodra kiemend onkruid aanwezig is. Er kan dan worden geëgd. Hoe kleiner het onkruid, hoe beter het effect is van de eg. Meestal is het nodig nogmaals te eggen voordat de aardappelen boven komen. Vervolgens kan een keer licht worden aangeaard. De definitieve rugopbouw dient plaats te vinden voordat de aardappelen stolonen gaan vormen. Net als op kleigronden moet men bij de laatste keer aanaarden schoffels gebruiken als het onkruid al meer blaadjes heeft. Het hangt vooral van de onkruidrijkdom van een perceel af of en zoja hoe vaak geëgd en/of geschoffeld en aangeaard moet worden.

Chemisch kan het onkruid, kort voor opkomst van het gewas, worden bestreden met behulp van een bodemherbicide met contactwerking of een contactherbicide. Na opkomst kan ook op zandgrond eventueel een onderbladbespuiting worden uitgevoerd.