Secondary menu

Teelthandleiding pootaardappelen - bemesting

15/07/1996 - C.B. Bus - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding pootaardappelen wordt ingegaan op de bemesting.

De bemesting van pootaardappelen moet gericht zijn op een vroege gewasontwikkeling, die van belang is voor het verkrijgen van voldoende opbrengst bij de als regel vroege loofdoding van pootgoedgewassen.

Stikstof

Het vaststellen van de optimale stikstofbemesting is niet goed mogelijk. Dit komt doordat er op de momenten waarop nutriënten moeten worden toegediend niet of weinig rekening kan worden gehouden met het nog onbekende weersverloop gedurende de rest van het groeiseizoen. Deze effecten bepalen het verloop van processen als mineralisatie, denitrificatie en immobilisatie. De resultante van al deze processen is de voor het gewas beschikbare hoeveelheid stikstof. De mineralisatie is een belangrijke factor die altijd optreedt. Ze wordt bepaald door het organischestofgehalte van de grond, de teelt van groenbemesters, het (langdurig) gebruik van organische mest en het weersverloop. In eerdere jaren opgedane ervaring helpt de teler de effecten van zoveel mogelijk factoren te schatten en te betrekken bij de vaststelling van de uiteindelijk bemesting.

Effecten op gewas en omgeving

Opbrengst
De productie van droge stof is direct afhankelijk van de beschikbaarheid van stikstof. Dit komt doordat stikstof een onderdeel is van de eiwitten in het bladgroen (chloroplasten). Deze eiwitten "vangen" de energie uit het zonlicht en gebruiken die voor de productie van koolhydraten. Stikstof beïnvloedt daarnaast ook indirect de productie van droge stof. Stikstof versnelt de loofgroei, waardoor eerder volledige grondbedekking en daardoor de maximale productie per dag wordt bereikt. De maximale versnelling van de loofgroei wordt echter al bij een stikstofgift van ± 100 kg N/ha bereikt. Een nog hogere gift geeft geen extra versnelling van het bereiken van volledige grondbedekking.

Stikstof zorgt er ook voor dat de loofgroei langer doorgaat en het loof langer groen blijft. Door de langere groeiperiode kan gedurende het seizoen meer licht worden onderschept, waardoor de productie van droge stof hoger wordt. De lengte van de groeiperiode voor pootgoedgewassen wordt echter beperkt door de meestal vroegtijdige loofdoding. Daar de groeiperiode van een gewas in grote lijnen van tevoren bekend is - afhankelijk van ras, klasse en grond - moet niet meer stikstof worden toegediend dan voor het voltooien van deze periode nodig is. Een overmaat aan stikstof kent namelijk nadelen.

Wanneer de stikstofgift te hoog wordt opgevoerd, wordt er meer loof gevormd dan voor een maximale knolproduktie noodzakelijk is. Wanneer door een hoge stikstofgift extra veel loof wordt gevormd, wordt tegelijk het begin van de knolgroei vertraagd. Vooral bij een vroeg tijdstip van loofvernietiging zoals bij pootgoed vaak het geval is, kan hierdoor de knolopbrengst belangrijk lager zijn.

Voor een goede selectie is een rechtopstaand, regelmatig gewas vereist. Teveel loof kan legering veroorzaken, wat de selectie bemoeilijkt. Bovendien kan er minder licht worden onderschept, waardoor de opbrengst wordt verlaagd. Gelegerd loof bemoeilijkt bovendien de mechanische loofdoding.

Kwaliteit
Een ander nadeel van een te hoge stikstofgift is dat het risico op virusbesmetting onnodig wordt vergroot. Een hoge stikstofgift vertraagt namelijk het optreden van de ouderdomsresistentie (zie hoofdstuk Ziekten en Plagen) en maakt het gewas aantrekkelijker voor bladluizen.

Inzet van bestrijdingsmiddelen
Een verhoogde inzet van bestrijdingsmiddelen is het derde nadeel van een hoge stikstofbemesting. Naarmate een gewas onrijper is, kost het meer moeite het loof te doden en nieuwe uitloop te voorkomen. Een hoge stikstofbemesting veroorzaakt op deze manier een hoger verbruik van chemische loofdodingsmiddelen. Hetzelfde geldt voor de inzet van bestrijdingsmiddelen tegen Phytophthora. Een loofrijk gewas wordt immers makkelijker door Phytophthora aangetast.

Richtlijn

De richtlijn voor de stikstofbemesting op pootaardappelen is gebaseerd op proeven op klei en lössgrond en bedraagt 140 kg N/ha minus 0,6 maal de bodemvoorraad in de laag 0-60 cm in februari/maart. Door het korte groeiseizoen is echter het verband tussen bodemvoorraad en opbrengst zwak.

Bij gelijke voorvrucht en een winter met een normale hoeveelheid neerslag zal in de regel in het voorjaar een bodemvoorraad worden aangetroffen die jaarlijks in dezelfde orde van grootte ligt. Het kan voorkomen dat de voorraad veel hoger is dan normaal. Dat kan het geval zijn na een droge winter waardoor minder stikstof uit de bemonsteringslaag is gespoeld dan in andere jaren. Ook kan de bodemvoorraad hoger uitvallen door in het najaar toegediende dierlijke mest of een ondergewerkte groenbemester. Vooral in deze situaties is het goed de bodemvoorraad te laten vaststellen.

De ervaring leert dat op bepaalde gronden de nalevering sterker of zwakker is dan het gemiddelde waar in de richtlijn van wordt uitgegaan. Zo is op gronden met een hoog organischestofgehalte de nalevering relatief hoog. De correctiefactor in de richtlijn is in deze gevallen niet bruikbaar. De eigen ervaring is dan de beste bron om de richtlijn aan te passen.

Aftrekposten

Ras en keuringsklasse
De stikstofrichtlijn moet voor sommige rassen worden aangepast. Rassen die later afrijpen dan Bintje (vroegrijpheidscijfer kleiner dan 6) hebben wat minder stikstof nodig (30-50 kg N/ha), rassen die vroeger afrijpen (vroegrijpheidscijfer groter dan 7) wat meer. Voor een advies op maat is het goed contact op te nemen met de vertegenwoordiger van uw handelshuis of de landbouwvoorlichting.

Naarmate de keuringsklasse hoger is, is het groeiseizoen korter. De stikstofgift moet dan iets lager zijn, bijvoorbeeld klasse S of SE 20 kg N/ha lager. De gift op lagere klassen en de zogenaamde uitgroeiteelt moet hoger vanwege de langere groeiperiode.

Plantdichtheid
Een hogere plantdichtheid en dus een hogere dichtheid van stengels stuurt in de richting van een vroeger gewas. Het gewas heeft de grond wat eerder volledig bedekt, de knolgroei komt sneller op gang en het gewas sterft ook iets eerder af. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat er per stengel wat minder stikstof beschikbaar is. Deze invloed is bij normale stengelaantallen evenwel klein. Daar komt bij dat het uiteindelijke stengelaantal moeilijk is te voorspellen. Slechts wanneer men streeft naar extreem hoge stengelaantallen (meer dan 30 à 40 stengels/m2) verdient het aanbeveling hiervoor 20 kilo kg N/ha extra toe te dienen.

Groenbemester
Als in het najaar de teelt van een groenbemester plaatsvindt, mag hiervan in het volgende jaar een stikstofnalevering worden verwacht. De groenbemester neemt, afhankelijk van de stand, een zekere hoeveelheid stikstof op. Van een vroeg gezaaide, goed geslaagde groenbemester mag - afhankelijk van het tijdstip van onderwerken - een nalevering worden verwacht van ± 25 kg N/ha.

Dierlijke mest
Ook de stikstofbijdragen uit dierlijke mest mogen niet worden verwaarloosd. Bij de werking van dierlijke mest moet onderscheid worden gemaakt tussen minerale stikstof (direct beschikbaar) en stikstof die in de loop van het seizoen door mineralisatie vrijkomt uit de organische stof in de mest. Daarnaast is voor de bepaling van de stikstofwerking van belang of de mest in het najaar of in het voorjaar wordt toegediend.

Bij najaarstoediening moet geen rekening worden gehouden met de minerale stikstof die de mest bevat op het moment van uitrijden. Immers, het grondmonster dat in het voorjaar wordt genomen voor de bepaling van N-min bevat reeds de minerale stikstof die van de dierlijke mest is overgebleven. Wel moet de uit de mest te verwachten mineralisatie van de richtlijn worden afgetrokken.

Bij voorjaarstoepassing moet het bodemmonster voor de bepaling van N-mineraal vóór het uitrijden van de mest worden genomen. De richtlijn moet dan worden verminderd met de minerale stikstof die in de mest zit en de hoeveelheid mineralisatie die tijdens de groeiperiode uit de mest mag worden verwacht.

Meststoffen en toediening

Dierlijke mest bemoeilijkt een optimale stikstofbemesting van pootaardappelen. Dierlijke mest kan hooguit worden gebruikt als een gedeeltelijke vervanger (max. 50 %) van kunstmest. De mineralen die uit de mest beschikbaar komen voor het gewas moeten worden betrokken bij het vaststellen van de gift. Met het zogenaamde "rest-effect" wordt tegenwoordig geen rekening meer gehouden, omdat het bij de hoge niveaus van mineralenvoorziening in ons land niet meer wordt aangetroffen.

Wanneer kunstmest wordt gebruikt is dat in de regel één gift, vaak in de vorm van een mengmeststof (bijv. 23-23-0) of in de vorm van kalkammonsalpeter. Deze wordt bij voorkeur minimaal enige weken voor het poten toegediend.

Deling van de stikstofgift, al of niet afhankelijk van de bladsteeltjesmethode of NBS, is in de pootaardappelteelt over het algemeen niet zinvol als gevolg van het korte groeiseizoen. Doordat een deling van de stikstofgift het gewas verlaat, is de kans reëel dat het effect negatief is. Alleen wanneer pootgoed uit mag groeien en qua lengte van groeiseizoen op de consumptieteelt begint te lijken, kan men overwegen om van deze methoden gebruik te maken. De methoden worden beschreven in de teelthandleiding van consumptieaardappelen.

Fosfaat

Het element fosfor is een belangrijk bestanddeel van eiwitten in de plant. Het speelt ook een rol in de overdracht van energie in de fotosynthese en ademhaling. De dosering wordt uitgedrukt in kilogrammen P2O5.

Alhoewel een gewas pootaardappelen in de regel niet meer dan 50 kg P2O5/ha opneemt, stelt het toch hoge eisen aan de fosfaatvoorziening. Dit komt doordat aardappelen als gevolg van een relatief beperkt wortelstelsel niet zo gemakkelijk fosfaat opnemen. Daarom moet worden gezorgd voor voldoende opneembaar fosfaat in de grond in de omgeving van de wortels.

Een onvoldoende fosfaatvoorziening geeft vertraging in opkomst en beginontwikkeling en kan er voor zorgen dat minder knollen per plant worden aangelegd. Naarmate de fosfaattoestand van de bodem minder goed is, zal het effect van de bemesting groter zijn. Het blijkt dat wanneer pootaardappelen ruim boven de onttrekking met fosfaat worden bemest, deze giften toch economisch aantrekkelijk zijn. Het is echter de vraag in welke mate de overschotten die dit tot gevolg heeft in de toekomst verantwoord zullen zijn.

Er zijn twee soorten adviezen voor de fosfaatbemesting; een bodemgericht en een gewasgericht advies. Uit deze beide moet een keuze worden gemaakt. Hiervoor wordt verwezen naar de 'Adviesbasis voor de bemesting van akkerbouwgewassen'. Samengevat komen ze op het volgende neer.

Adviezen voor bodemgerichte fosfaatbemesting

Voor het handhaven van een bestaande toestand moet gemiddeld over het bouwplan minstens de onttrekking worden gegeven.

De onttrekking kan met behulp van de mineralenbalans worden berekend. Is de onttrekking over het bouwplan niet bekend dan kan voor een bouwplan met goede opbrengsten als onttrekking 70 kg P2O5/ha/jaar worden gehanteerd.

Adviezen voor de gewasgerichte fosfaatbemesting

Vroeger werd voor pootaardappelen een hogere fosfaatgift aanbevolen dan voor consumptie-aardappelen. Daar tegenwoordig de fosfaattoestand van de bodems over het algemeen (ruim) voldoende is, is er op deze bodems geen aanleiding pootaardappelen meer fosfaat te geven dan consumptie-aardappelen. Doet men dit toch, dan moet men daarvoor elders in het bouwplan compenseren.

Slechts bij een lage fosfaattoestand van de bodem is er in verband met het effect van fosfaat op het knolaantal aanleiding om meer fosfaat toe te dienen. In een verhoging van het Pw-getal is al voorzien in het gewasgerichte advies. Om een mogelijk sterker positief effect van een hogere fosfaatgift op het knolaantal te benutten kan voor een extra verhoging worden gekozen. Met deze extra verhoging schuift men op in de richting van het bodemgerichte advies dat gericht is op het snel bereiken van het streefgetal.

Fosfaat kan zowel in de vorm van dierlijke mest als kunstmest worden gegeven. Als fosfaat als dierlijke mest wordt gegeven moet rekening worden gehouden met de mestwetgeving. Als fosfaat als kunstmest wordt toegediend, bestaat in ons land een voorkeur voor gemakkelijk oplosbare en snelwerkende fosfaatmeststoffen zoals die voorkomen in mengmeststoffen, superfosfaat en tripelsuperfosfaat.

Bij voorkeur moeten deze in water oplosbare fosfaatmeststoffen in de maand februari (eventueel maart) over het geploegde land worden gestrooid. Wanneer ze worden gestrooid voor het ploegen in de herfst komt het fosfaat diep te liggen, waardoor het minder goed bereikbaar is voor de plant en iets minder goed werkt. Daar komt bij dat fosfaat gedurende de winter kan worden omgezet in voor de plant minder goed opneembare vormen. Ook bij toediening kort voor het poten werkt het vaak minder goed dan bij toepassing in februari, in dit geval als gevolg van droogte.

Van gewasbespuitingen met diverse fosfaatvormen wordt gezegd dat ze het aantal knollen dat wordt gevormd of uitgroeit tot afleverbare opbrengst kunnen verhogen. Onderzoek (1994, 1995) heeft dit niet kunnen bevestigen.

Kalium

Het element kalium speelt onder andere een belangrijke rol bij enzymatische omzettingen en het transport van stoffen door de plant. De dosering wordt uitgedrukt in kilogrammen K2O.

Voor de opbrengst van aardappelen zijn twee bronnen van kali van belang: de kali in de bodem en de kalibemesting die voor het gewas wordt toegediend. Voor de verschillende grondsoorten gelden streefgetallen voor de kalitoestand. De kalitoestand van de grond is bepalend voor de hoeveelheid kali die op aardappelen moet worden gestrooid. Wanneer de kalitoestand van de grond niet aan de streefwaarde voldoet, moet extra kali worden gestrooid om de kalitoestand richting streefwaarde te verhogen. Op kalifixerende gronden is de hoeveelheid kali die nodig is om de kalitoestand te verhogen groter dan op nietfixerende grond.

Kali wordt als regel in het najaar gestrooid. De kans op chloorschade in aardappelen wordt echter vaak overdreven. Wanneer ongeveer 200 kilo kali moet worden gestrooid, kan dat in het voorjaar in de vorm van kali-60, mits ze minimaal enkele weken voor het poten wordt gestrooid. De chloor kan zich dan verdelen door de bouwvoor, zodat geen zoutschade hoeft te worden verwacht. Alleen op zeer lichte grond van minder dan 15 % afslibbaar en zandgrond wordt aangeraden in het voorjaar patentkali te gebruiken.

Magnesium

Magnesium is - evenals stikstof - onderdeel van de bladeiwitten die de fotosynthese verzorgen. Het is daarom een essentieel element voor het functioneren van de plant.

Gebrek aan magnesium komt met name voor op zand-, dal- en veengronden met een lage pH. Het komt ook voor op lichte, kalkrijke kleigronden, met name wanneer de structuur van de grond slecht is. Een tekort aan magnesium wordt het eerst zichtbaar in de oudste bladeren. Het blad wordt tussen de nerven, vanuit het midden van het blad, lichtgroen. De rand van het blad blijft het langst groen. Bij ernstig gebrek vergeelt het blad snel en krijgt het dode plekken tussen de nerven, tenslotte sterft het blad geheel af. Gewassen kunnen als gevolg van magnesiumgebrek zelfs vervroegd afsterven, hetgeen opbrengst kost. Naarmate minder stikstof is gegeven treden de gebreksverschijnselen eerder op. Er zijn duidelijke rasverschillen in gevoeligheid voor magnesiumgebrek.

Op kleigrond is magnesiumgebrek veelal het gevolg van een slechte bodemstructuur. Zodra magnesiumgebrek wordt waargenomen kan dit het best worden bestreden met een bespuiting van het gewas met 80 kg bitterzout per ha, verspoten met veel water. Zonodig moet de bespuiting na 10 dagen worden herhaald. Bespuitingen met magnesiumchelaten geven vaak te weinig effect. Verhogen van de magnesiumtoestand van de grond is op kleigrond niet zinvol.

Op zand-, dal- en veengronden kan het gebrek van het gewas ook met bovengenoemde bespuitingen worden bestreden. Het kan na grondonderzoek ook nodig blijken door een gerichte bemesting de magnesiumtoestand te verhogen. Hiervoor kan kieseriet of een magnesiumhoudende mengmeststof worden gebruikt. Wanneer ook een kalkbemesting nodig is kan magnesium bevattende kalk worden gebruikt. Voor het bepalen van de benodigde gift van deze meststoffen wordt verwezen naar de Adviesbasis voor de Bemesting van Akkerbouwgewassen.

Sporenelementen

Sporenelementen zoals borium, koper, molybdeen en mangaan zijn weliswaar noodzakelijk voor de groei van aardappelen, maar ze zijn slechts in kleine hoeveelheden nodig en komen veelal van nature in voldoende mate voor in de bodem. Alleen mangaangebrek wordt een enkele maal waargenomen, vooral op kalkrijke klei en zavelgronden. Het komt sterker voor naarmate deze gronden lichter zijn en meer organische stof bevatten. Ook op zandgronden met een pH-KCl hoger dan 5,4 kan mangaangebrek optreden.

In tegenstelling tot magnesiumgebrek wordt mangaangebrek het eerst zichtbaar in de top van de plant. De topblaadjes krijgen een bronsgele tint, waarin later bruine vlekjes zichtbaar worden.