Resistentie tegen het maiswortelknobbelaaltje in bladrammenas

- Evaluatie van meetmethoden -
24/04/2009 - J. Visser - PPO-agv

Waar gaat dit over?

Het niveau van resistentie van bladrammenasrassen tegen het maiswortelknobbelaaltje, Meloidogyne chitwoodi, kan op verschillende manieren worden bepaald. Om het resistentieniveau van rassen objectief vast te kunnen stellen, is een betrouwbare en door een onafhankelijke instantie uit te voeren toetsmethode noodzakelijk.

In 2006 is een onderzoeksproject gestart, onderdeel uitmakend van het Actieplan Aaltjesbeheersing, waarin verschillende methodieken om resistentieniveaus te bepalen met elkaar werden vergeleken. Resultaten van de verschillende gebruikte lab- en kasproeven bleken sterk met elkaar en met de resultaten van veldonderzoek samen te hangen. Andere aspecten, zoals kosten en praktische uitvoerbaarheid, bepalen daarom voor een belangrijk deel de keuze voor de meest geschikte toetsmethode.

Het maïswortelknobbelaaltje Meloidogyne chitwoodi

Het maïswortelknobbelaaltje Meloidogyne chitwoodi is een quarantaineorganisme dat in Europa, maar ook daarbuiten, steeds vaker matige tot sterke economische schade veroorzaakt in goed renderende gewassen, zoals aardappel en verschillende industriegroenten. De schade die door Meloidogyne chitwoodi wordt veroorzaakt is voornamelijk kwalitatief van aard, door de knobbels die op knollen en pennen worden gevormd (zie afbeeldingen 1 en 2).

Afbeelding 1. Aantasting van M. chitwoodi op peen.

Afbeelding 2. Knobbels op aardappel als gevolg van aantasting door M. chitwoodi.

Omdat het een quarantaineorganisme betreft, moet al het vermeerderingsmateriaal, zoals pootaardappelen, bolgewassen, aardbeiplanten en vaste planten, vrij zijn van deze aaltjessoort.

AaltjesBeheersingsStrategie

Veel problemen met aaltjes en andere bodempathogenen kunnen beperkt of voorkomen worden door een goed doordachte vruchtwisseling, die afgestemd is op de besmettingssituatie. Een weloverwogen gewasvolgorde, het gebruik van resistente rassen en de keuze van de groenbemester zijn de spil van een effectieve AaltjesBeheersingsStrategie.
Het in het bouwplan opnemen van groenbemesters, die een slechte waardplant zijn voor M. chitwoodi, kan een gunstige bijdrage leveren aan de beheersing van dit aaltje.
De meeste gangbare bladrammenasrassen zijn een matige waard voor M. chitwoodi. Sinds een aantal jaren richt het veredelingswerk aan bladrammenas zich onder andere op de veredeling en selectie van rassen met een hoger niveau van resistentie tegen M. chitwoodi.

Het niveau van resistentie van bladrammenasrassen tegen M. chitwoodi kan op meerdere manieren worden bepaald. Om het resistentieniveau van rassen objectief vast te kunnen stellen, is een betrouwbare en door een onafhankelijke instantie uit te voeren toetsmethode noodzakelijk.

Ringtest

In 2006 zijn de Duitse en Nederlandse belangenorganisaties van plantenveredelaars, onderzoeksinstellingen (Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO-agv), Plant Research International (PRI), Biologische Bundesanstalt für Land- und Forstwirtschaft (sinds 1 januari 2008 Julius Kühn Institute; JKI en HZPC research) en een aantal veredelingsbedrijven een onderzoeksproject gestart, waarin verschillende methodieken om resistentieniveaus te bepalen met elkaar werden vergeleken. Uiteindelijke doel van het project was het vast stellen van de beste methode en criteria die kunnen dienen als Europese standaard voor het objectief meten van resistentieniveaus van bladrammenasrassen tegen M. chitwoodi.
Het project is gefinancierd door het Ministerie van LNV, het Productschap Akkerbouw en veredelingsbedrijven.

Onderzoek

In totaal zijn vier verschillende bladrammenas-genotypen, aangeleverd door de verschillende veredelingsbedrijven, en een referentieras (vatbaar bladrammenasras) getoetst in drie lab-/kasproeven en in een veldexperiment. De drie verschillende lab-/kasproeven, uitgevoerd met dezelfde bladrammenas-genotypen en M. chitwoodi-populatie als in het veldexperiment, zijn uitgevoerd door HZPC research, PRI en JKI (zie afbeelding 3).

Afbeelding 3. Kasproef.

De projectcoördinatie en het veldonderzoek zijn uitgevoerd door PPO-agv. Het tweejarige veldonderzoek heeft plaats gevonden op het M. chitwoodi-proefveld te Smakt (Noord-Limburg). Het eerste jaar zijn de verschillende bladrammenas-genotypen geteeld en is het effect op de M. chitwoodi-populaties bepaald (zie afbeelding 4).

Afbeelding 4. Overzicht veldproef.

Vervolgens zijn op het proefveld aardappelen geteeld om het effect op de volgteelt van een voor M. chitwoodi gevoelig gewas vast te stellen.

Resultaten

De resultaten van de verschillende lab-/kasproeven correleren sterk met elkaar en met de resultaten van het veldonderzoek. Dit betekent dat het effect van de bladrammenas-genotypen op de M. chitwoodi-populatie in de veldproef en de mate van knolaantasting in de nateelt aardappel zeer betrouwbaar te voorspellen zijn op basis van de resultaten (gemiddeld aantal ei-pakketten per plant) van de verschillende lab-/kasproeven.

Omdat de resultaten van de drie lab-/kasproeven vergelijkbaar zijn, hebben andere aspecten als kosten en praktische uitvoerbaarheid voor een belangrijk deel de keuze voor de meest geschikte toetsmethode bepaald.

Vervolg

Op basis van de resultaten uit dit project is vervolgonderzoek gestart. In 2009 vindt validatie van de meest geschikte toetsmethode plaats en zal een eerste (officiële) toetsing van een beperkt aantal (nieuwe) rassen worden uitgevoerd.
(Red.: Op basis van dit onderzoek wordt het labresistentieonderzoek nu uitgevoerd binnen het cultuur- en gebruikswaardeonderzoek voor groenbemesters. De eerste resistente bladrammenasrassen worden al voor voorjaars- of stoppeltoepassing aanbevolen.)