Secondary menu

Inventarisatie en onderzoek eenduidige en transparante aaltjesadvisering

15/10/2006 - L. Vogelzang - Motivaxion

Waar gaat dit over?

Dit inventarisatie- en onderzoeksproject over eenduidige en transparante aaltjesadvisering is uitgevoerd in opdracht van het Hoofdproductschap Akkerbouw om een beter feitelijk beeld te krijgen van de aaltjesadvisering in Nederland.

Het inventarisatie- en onderzoeksproject over eenduidige en transparante aaltjesadvisering is uitgevoerd in opdracht van het Hoofdproductschap Akkerbouw om een beter feitelijk beeld te krijgen van de aaltjesadvisering in Nederland. De onderliggende aanname is dat de aaltjesadviezen nogal eens verschillend zijn op basis van dezelfde monsterresultaten. De leden van de Aaltjesadviescie hebben daarom besloten om een aantal interviews te laten plaatsvinden met een aantal deskundigen op het gebied van aaltjesadvisering. De onafhankelijke onderzoeker Lambertus Vogelzang heeft deze interviews in de periode mei-juli 2006 uitgevoerd.
Dit eindrapport bevat de weergave van de interviewresultaten, een analyse daarvan en eerste gedachten over mogelijke verbeteracties. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat de onderzoeker werd gevraagd om vertrouwelijk om te gaan met de gegeven informatie door geen directe bronnen in dit eindrapport op te nemen.

De belangrijkste resultaten van dit inventarisatie- en adviestraject zijn:

  • Aaltjes vormen voor de meeste telers en akkerbouwers geen hoofdaandachtspunt bij de teelt van hun gewassen;
  • Vragen over aaltjes komen op verschillende manieren aan de orde, waarbij soms akkerbouwers het initiatief nemen en andere keren doen adviseurs dat;
  • Het ontwikkelen en het geven van een advies is een redelijk individuele activiteit van een adviseur, waarbij hij vooral afgaat op eigen ervaring en eventueel een collega raadpleegt;
  • De aandacht voor aaltjesadvisering vormt een onderdeel van het adviespakket van een adviseur, maar vormt geen hoofdprioriteit en beslaat ook maar een gering deel van zijn tijdsbesteding;
  • Adviseurs denken nogal verschillend over de Nederlandse en eigen aaltjesadvisering variërend van ‘’het gaat goed met de aaltjesadvisering’’ tot ‘’er moet nog wel wat verbeteren bij telers, akkerbouwers en adviseurs’’;
  • Het belang van een eenduidiger aaltjesadvisering voor telers en akkerbouwers wordt vrij unaniem omschreven, waarbij ruimte voor de eigen adviesaanpak moet blijven bestaan;
  • Er is duidelijk een verschuiving opgetreden van een open kennisuitwisseling naar een meer commerciële advisering, waarbij partijen en personen huiveriger zijn om kennis te delen met anderen;
  • Er bestaat wel een duidelijke behoefte onder adviseurs om nader met elkaar ervaringen en inzichten te delen. In de vorm van kleine workshops bestaat daar ook zeker belangstelling voor, maar de vraag is wie dan het initiatief moet nemen;
  • De meeste adviseurs zijn zich duidelijk bewust van hun vaak hele specifieke kennis over aaltjes die waardevol is voor de gewassen en grondsoorten in hun adviesgebieden. Deze kennis moet echter nog wel eens ondersteund worden met het PPO-overzicht van schadedrempels;
  • De cases over advisering aan de hand van een drietal praktijksituaties leverden nogal verschil in antwoorden op over het wel/niet telen van een gewas, het voorgestelde bouwplan en aanpak.

Het blijkt dat het Actieplan Aaltjesbeheersing zeker een waardevolle bijdrage kan leveren aan het komen tot een eenduidiger en transparantere aaltjesadvisering. Deze advisering kan daarbij niet losgezien worden van ook een eenduidiger en transparantere aanpak bij de bemonstering en analyse. Het laatste hoofdstuk van dit eindrapport geeft een aantal suggesties die een bijdrage kunnen leveren aan de verdere ontwikkeling van de aaltjesadvisering in Nederland. Deze voorstellen richten zich vooral op de akkerbouwers en telers, adviseurs, onderzoekers, belangenbehartigers en andere betrokkenen bij de aaltjesadvisering.