Interactie tussen diverse aaltjessoorten en verticillium in suikerbieten

02/07/2012 - M. Pepping, E. Raaijmakers, B. Hanse, T. van Beers en L. Molendijk - IRS en PPO-agv

Waar gaat dit over?

Het doel van dit project was om te onderzoeken of de aantasting door verticillium (V. dahliae) in suikerbieten wordt bevorderd door diverse soorten aaltjes (bietencysteaaltjes, wortellesieaaltjes en wortelknobbelaaltjes).
Schade door verticillium wordt bevorderd door aaltjes, is de conclusie. Hoe meer aaltjes, hoe meer aantasting er zichtbaar was. Dit gold bij het voor verticillium gevoelige ras voor alle vier de aaltjessoorten (witte bietencysteaaltjes, gele bietencysteaaltjes, noordelijk wortelknobbelaaltjes en wortellesieaaltjes) en bij het tolerante ras alleen niet voor wortellesieaaltjes. Telers kunnen aantasting door verticillium reduceren door de hoeveelheden plantparasitaire aaltjes zo laag mogelijk te houden.

Inleiding

Op bietenpercelen in het zuidwesten van Nederland, maar ook in Flevoland en Noord-Holland kan de bodemschimmel verticillium (Verticillium dahliae) grote problemen veroorzaken. Verticillium dringt via de wortel de plant binnen. Typisch symptoom is vergeling tussen de bladnerven, vaak halfzijdig, dat overgaat in afsterven (necrose) en waarbij uiteindelijk het hele blad afsterft (afbeeldingen 1 en 2).

Afbeelding 1. Aantasting door verticillium in een perceel in Sluiskil (7 augustus 2007).


Afbeelding 2. Typische symptomen van verticillium. Het begint met vergeling van het blad tussen de bladnerven (chlorose) die vaak aan één kant van het blad optreedt. Uiteindelijk resulteert dit in het afsterven van het blad.

Deze symptomen zijn vanaf juli/augustus waarneembaar. Na het afsterven van aangetaste bladeren gaat de plant nieuwe bladeren vormen, die vervolgens ook door verticillium kunnen worden aangetast. Dit kost de plant veel energie, waardoor er minder energie beschikbaar is voor groei van de wortel en suikeropslag. Het resulteert in een lagere suikeropbrengst.
Doel van dit project was te onderzoeken of een aantasting door verticillium (V. dahliae) in suikerbieten wordt bevorderd door diverse soorten aaltjes (bietencysteaaltjes, wortellesieaaltjes en wortelknobbelaaltjes). Dit is onderzocht in een klimaatkamertoets waarin tevens werd gekeken of de hoeveelheid aaltjes die aanwezig was en het ras dat werd gebruikt een effect hadden op de mate van verticilliumaantasting.

Onderzoek

Er is een klimaatkamertoets uitgevoerd om na te gaan wat het effect is van de aanwezigheid van verschillende soorten aaltjes op de aantasting door verticillium. In de klimaatkamer zijn 36 verschillende objecten (in 24 herhalingen) getest.

Plastic potjes (180 ml) zijn gevuld met een mengsel van 90% gepasteuriseerd zand en 10% potgrond (w/w) met daaraan toegevoegd 1% havermeelcultuur, die wel of niet geënt was met verticillium afkomstig van suikerbieten (isolaat GN 07-148a1). Per potje zijn er drie zaadjes van een tolerant (I047) of gevoelig (I039) suikerbietenras gezaaid. De potjes zijn in de klimaatkamer opgesteld in een Latijns vierkant. De proef is uitgevoerd bij een dagtemperatuur van 27ºC (16 uur; lichtbron van 20.000 lux) en een nachttemperatuur van 22ºC (8 uur). Na twee weken werd het aantal planten per potje teruggebracht naar één.

Twintig dagen na het zaaien is elk potje afzonderlijk geïnfecteerd met één van de negen aaltjesbesmettingen. Naast de objecten met aaltjes was er ook een behandeling waarin geen aaltjes, maar alleen water (controle) aan een plant werd toegevoegd. Vier weken na het aanbrengen van de aaltjes zijn de potjes van bovenin de klimaatkamer naar onderin verplaatst en andersom, om eventuele effecten van de plaats tegen te gaan. Drie, vier, zes en tien weken na het infecteren met aaltjes is de aantasting van het blad gescoord (0 = gezond; 4 = dood). Na elf weken is het versgewicht van de wortels bepaald.

Resultaten

Bij aanwezigheid van veel aaltjes veroorzaakte verticillium meer bladaantasting in vergelijking met weinig of geen aaltjes. Wanneer er verticillium was toegevoegd aan een plant in combinatie met veel (830-1.050) aaltjes van het wortelknobbelaaltje (M. hapla), geel (H. betae) of wit bietencysteaaltje (H. schachtii), dan was de bladaantasting significant groter dan wanneer er weinig van deze aaltjes of geen aaltjes waren toegevoegd. Veel gele bietencysteaaltjes zorgden significant voor de meeste bladaantasting door verticillium. Voor het wortellesieaaltje (P. penetrans) lijkt het daarentegen niet op te gaan dat veel aaltjes de bladaantasting versterken, maar dit is een gemiddeld effect over het voor verticilliumgevoelige (I039) en tolerante (I047) ras. Verder blijkt dat voor het gevoelige ras er significant meer bladaantasting was als er veel wortellesieaaltjes waren toegevoegd, dan wanneer geen aaltjes waren toegevoegd.

Figuur. Het effect van besmetting met Verticillium dahliae en met verschillende hoeveelheden aaltjessoorten (weinig = 10-14, veel = 830-1.050) op de gemiddelde bladaantasting door verticillium na tien weken. Verschillende letters duiden significante verschillen aan (lsd* 5% = 0,3).

* lsd = least significant difference.

Veel aaltjes zorgden in combinatie met een verticilliumbesmetting tevens voor een lager wortelgewicht in vergelijking met weinig of geen aaltjes. De aanwezigheid van het wortellesieaaltje had geen bevorderend effect op de verlaging van het wortelgewicht door verticillium.

Uit de resultaten blijkt verder dat de gezondheid van de plant, uitgedrukt als meer bladaantasting of als verlaging van het wortelgewicht, significant slechter was wanneer er veel aaltjes waren toegevoegd, dan wanneer dit niet het geval was. Dit geldt alleen als er verticillium aanwezig was. Bij geen verticillium waren alle wortelgewichten gelijk ongeacht het aantal toegevoegde aaltjes per pot.

Beheersmaatregelen verticillium en aaltjes

Schade door verticillium wordt bevorderd als er veel aaltjes aanwezig zijn. Dit gold voor het wit bietencysteaaltje, het geel bietencysteaaltje, het noordelijk wortelknobbelaaltje en bij één bietenras ook het wortellesieaaltje. Naast het beheersen van verticillium is het om schade te beperken ook belangrijk om deze aaltjes te beheersen.
De gewasrotatie is zowel voor het beheersen van verticillium als aaltjes erg belangrijk. Voor aaltjesbeheersing bepaalt het soort aaltje welke gewassen het best op een perceel kunnen worden geteeld. In het aaltjeswaardplantschema staat voor ieder gewas aange¬geven wat het effect op de vermeerdering van aaltjes is. Voor het beheersen van verticillium is een bouwplan met voldoende granen en grassen erg belangrijk. Gewassen als aardappelen, vlinderbloemigen, vlas en spruiten kunnen juist voor een vermeerdering van verticillium zorgen.
Er moet dus eerst bekend zijn welke aaltjes op een perceel aanwezig zijn en in welke mate, voordat er maatregelen tegen kunnen worden genomen. Hiervoor is het belangrijk om aaltjesmonsters te nemen. In de brochure ‘Bemonsteren op aaltjes – doe het met regelmaat!’ staat wat het beste moment en de juiste methode is.
Naast gewassen kunnen onkruiden ook waardplanten van verticillium en aaltjes zijn. Een goede onkruidbeheersing is dus erg belangrijk.
Voor de beheersing van aaltjes in de herfst is er ook een mogelijkheid voor het telen van een groenbemester. Bij de juiste keuze van soort en ras kan er actieve afname van de aaltjes-populatie plaatsvinden. In het aaltjeswaardplantschema staan naast gewassen ook groenbemesters met hun effect op verschillende soorten aaltjes.
Voor de beheersing van zowel het geel als het wit bietencysteaaltje is het ook mogelijk om partieel resistente rassen te telen. Hiervoor dient te worden gekozen bij overschrijding van de schadedrempel van het wit bietencysteaaltje (150 tot 300 eieren en larven/100 ml grond). Op IRS-rassenproefvelden in 2010 en 2011 bleken de partieel resistente rassen al rendabel vanaf slechts 75 eieren en larven van het geel bietencysteaaltje per 100 ml grond.
Een slechte bodemstructuur of zuurstofgebrek zijn naast aaltjes versterkende factoren van een verticilliumaantasting. Zorg daarom altijd voor een goede bodemstructuur, zodat de bieten goed groeien en minder last hebben van een ziekteverwekker als verticillium.

Conclusie

Schade door Verticillium dahliae wordt bevorderd door aaltjes. Hoe meer aaltjes aanwezig waren, hoe meer aantasting er zichtbaar was. Dit gold bij het gevoelige ras voor alle vier de aaltjes (wit bietencysteaaltje, geel bietencysteaaltje, noordelijk wortelknobbelaaltje en wortellesieaaltje). Bij het tolerante ras gold het alleen voor het wit en het geel bietencysteaaltje en het noordelijk wortelknobbelaaltje. Telers kunnen aantasting door verticillium reduceren door de hoeveelheid plantparasitaire aaltjes zo laag mogelijk te houden.