Dieptewerking van natte grondontsmetting op kleigrond

27/08/2009 - E.G. Schepel en W.S. Veldman - HLB

Waar gaat dit over?

In deze samenvatting wordt kort ingegaan op de resultaten van onderzoek naar de dieptewerking van grondontsmetting op kleigronden.

In opdracht van het PA werden twee proeven uitgevoerd in de periode 2006-2008 op zware kleigrond (27-33% afslibbaar), waarbij de werking van een Imants- en een Farmax-spitinjecteur via de zogenaamde tuinkerstoets zijn getest. Op dezelfde grond werd beide jaren ook een proef aangelegd met de Imants-spitmachine waarbij aardappelcysteaaltjes (Globodera pallida) en vrijlevende aaltjes (o.a. Pratylenchus thornei) zijn bestreden met een natte grondontsmetting. Het middel Monam (Metam-natrium) is hierbij met een Imants-spitmachine 22 en 30 cm diep door de grond verdeeld, met een dosering van 300 en 400 l/ha. De proeven werden uitgevoerd op de noordelijke kleigrond in Westhoek en Sint Annaparochie.

Met beide spitinjecteurs was een bewerking van de grond tot 30 cm diep uitvoerbaar, maar liet de afdichting van de bovenlaag niet altijd het gewenste resultaat zien (zie afbeelding). In Sint Annaparochie waren de bodemomstandigheden niet optimaal en bleek 22 cm diep spitten een beter resultaat qua afdichting te geven dan 30 cm diep spitten. De grond was bij beide spitdieptes na het ontsmetten wel flink aangedrukt en erg stevig, maar vooral de ondergrond was taai en niet mooi verkruimeld. Voor een middel als Monam is een dergelijke situatie minder gunstig voor de verdeling van het gas.
In de tuinkerstoets, waar een gelijke hoeveelheid zaad gezaaid werd bij 22 en 30 cm spitdieptes, werd de verdunning van het aantal plantjes zichtbaar tussen de verschillende spitdieptes. Beide machines gaven, zowel in de diepte als in de breedte, een redelijke verdeling van het zaad.

Afbeelding. De afdichting van de toplaag was op deze zware kleigrond niet optimaal.

Op beide proeflocaties kwam van nature een hoge besmetting voor van vrijlevende aaltjes en aardappelcysteaaltjes. Naast de natuurlijke daling van het aantal vrijlevende aaltjes werd een matige tot goede werking van Monam geconstateerd. Er waren geen significante effecten in dosering of spitdiepte te zien. In Westhoek, waar veel Pratylenchus thornei voorkwam, was de werking in de laag 0-20 cm gemiddeld 65% tegen Pratylenchus thornei en gemiddeld 60% tegen alle vrijlevende aaltjes. In Sint Annaparochie kwam een vergelijkbare werking tegen vrijlevende aaltjes voor. Gemiddeld werd in de laag 0-40 cm 60% van de vrijlevende aaltjes bestreden. Ook de spitdiepte en dosering hebben hier geen invloed op de werking laten zien.
De bestrijding van de aardappelcysteaaltjes was in Westhoek alleen in de bovenste 0-20 cm bij 22 cm spitten hoog. In diepere lagen en bij 30 cm spitten is de bestrijding onvoldoende. In Sint Annaparochie werd in de laag 0-20 cm een goede bestrijding gemeten bij 22 cm diep spitten. Monam 400 l/ha leek hier iets sterker dan de 300 l/ha. Bij 30 cm diep spitten zijn geen effecten gevonden. In de diepere lagen werd ook in Sint Annaparochie geen doding van aardappelcysteaaltjes gevonden.