Bestrijding van Meloidogyne chitwoodi binnen de pootgoedteelt in de Wieringermeer

16/07/2010 - A.W.W. van Gastel-Topper, J.H.M. Visser & G.W. Korthals - PPO-agv

Waar gaat dit over?

Het maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi) is een quarantaine-organisme en mag daarom niet voorkomen in vermeerderingsmateriaal, zoals bijvoorbeeld aardappelpootgoed. Komt M. chitwoodi toch voor in pootgoed, dan wordt het bedrijf een uitgebreid controleregime opgelegd. Uiteindelijk kan dit gevolgen hebben voor de hele sector, doordat het imago van Nederland als hoogwaardig exporteur van vermeerderingsmateriaal in het geding komt.
Vanuit het Actieplan Aaltjesbeheersing werd het project "Bestrijding Meloidogyne" opgezet. Dit project werd gefinancierd door het Productschap Akkerbouw en het Productschap Tuinbouw. In het project werden bestrijdingsmethoden van M. chitwoodi onderzocht. Doel was het vinden van een saneringstechniek voor de bestrijding van M. chitwoodi op bedrijfsniveau, zodanig dat de economische gevolgen zo klein mogelijk blijven en het imago van de Nederlandse plant- en pootgoedsector niet wordt aangetast.

Uit dit onderzoek blijkt dat M. chitwoodi en zijn symptomen op aardappel met voldoende tijd en budget goed zijn te onderdrukken. De behandeling biologische grondontsmetting met graan en in mindere mate met gras bleek het meest effectief, zeker in combinatie met een extra jaar waarin een slechte waard (bijvoorbeeld bladrammenas of witlof) wordt geteeld.
Tot nu toe is het niet gelukt om dit aaltje volledig kwijt te raken, waardoor de teelt van pootgoed op met M. chitwoodi besmette percelen te risicovol blijft.

Inleiding

Het maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi) behoort tot de zogenaamde wortelknobbelaaltjes en geeft schade aan verschillende gewassen, zoals aardappel, suikerbieten, erwten en schorseneer. Deze schade kan zeer groot zijn en kan zowel opbrengst- als kwaliteitsderving geven. M. chitwoodi is een quarantaine-organisme en mag daarom niet aanwezig zijn in aardappelpootgoed. Als dit aaltje toch voorkomt, verliest de partij de pootgoedstatus en wordt het bedrijf een uitgebreid controleregime opgelegd. Vanwege de quarantainestatus van M. chitwoodi is dit echter onvoldoende voor de teelt van vermeerderingsmateriaal. Daarvoor geldt een absolute nultolerantie. Helaas zijn er op dit moment nog geen saneringsmogelijkheden. Om het saneren van M. chitwoodi mogelijk te maken heeft PPO-AGV eerder onderzoek gedaan. De resultaten van dit onderzoek zijn te lezen in de samenvatting van het project ‘Inventarisatie en beheersing van het quarantaineaaltje M. chitwoodi binnen de pootgoedteelt in de Wieringermeer’.

In 2006 is het vervolgonderzoek naar de bestrijding van M.chitwoodi gestart. Op een proefveld werden de drie meest belovende technieken van het onderzoek uit 2003 tot 2005 verder onderzocht. Dit zijn biologische grondontsmetting met gras, chitine en biologische grondontsmetting met graan. Deze technieken zijn vergeleken met drie referentietechnieken; chemische grondontsmetting, Italiaans raaigras en zwarte braak. In het tussenjaar 2007 werd op het proefveld een M. chitwoodi-resistente bladrammenas en een economisch interessant akkerbouwgewas geteeld die geen waardplant is voor M. chitwoodi. In 2008 werd een volggewas pootaardappelen geteeld. Het proefveld werd opgesplitst in twee gedeelten, in dit projectrapport 'proefveld 2006' en 'proefveld 2007' genoemd.

Onderzoek

Het onderzoek werd uitgevoerd in de Wieringermeer op een perceel met een natuurlijke besmetting met M. chitwoodi. Omdat het onderzoek is uitgevoerd op een proefveld verdeeld in twee proefgedeelten (proefveld 2006 en proefveld 2007) en in meerdere teeltjaren, is in tabel 1 een overzicht gegeven van de proefuitvoering.

Tabel 1. Overzicht proefuitvoering project Bestrijding Meloidogyne.
TeeltjaarProefveld 2006Proefveld 2007
2006Aanleg behandelingenTeelt Italiaans raaigras
2007Teelt tussengewas bladrammenas en witlofpennenAanleg behandelingen
2008Teelt pootaardappelenTeelt pootaardappelen

In 2006 zijn op proefveld 2006 vanaf week 28 t/m week 42 verschillende behandelingen uitgevoerd om M. chitwoodi te bestrijden. Op proefveld 2006 werden de behandeling in 8 herhalingen uitgevoerd (per blok elke behandeling in tweevoud). Op proefveld 2007 werd in 2006 het gewas Italiaans raaigras geteeld. Italiaans raaigras is een goede waardplant voor M. chitwoodi en is gekozen om de besmetting in de grond op te bouwen.
In 2007 zijn op proefveld 2006 twee tussengewassen geteeld. Als tussengewas is een keuze gemaakt voor de groenbemester bladrammenas en de teelt van witlofpennen. Op proefveld 2007 zijn vanaf week 25 t/m week 44 dezelfde behandelingen uitgevoerd als op proefveld 2006. Op proefveld 2007 werden de behandelingen in 4 herhalingen uitgevoerd (per blok elke behandeling in enkelvoud).
In 2008 werd op alle veldjes een nateelt uitgevoerd met het gewas aardappelen, ras Asterix.
De uitgevoerde behandelingen staan vermeld in tabel 2.

Tabel 2. Behandelingen toegepast in het project Bestrijding Meloidogyne.
BehandelingBeschrijvingHoeveelheid product per haHoeveelheid product per veldje
1BGO-gras; biologische grondontsmetting met het gewas raaigras41,5 ton150 kg
2BGO-graan; biologische grondontsmetting met het gewas zomertarwe37,5 ton135 kg
3Chitine; gemalen garnalen afval22 ton80 kg
4NGO; natte grondontsmetting met Monam300 ltr1,8 ltr
5Braak  
6Italiaans raaigras, ras Bartali25 kg90 gram
Afbeelding 1. Aanleg van één van de behandelingen, het opbrengen van chitine.
Afbeelding 2. Teelt van pootaardappelen, juli 2008.
veldproef-2

Resultaten

In tabel 3 wordt de M. chitwoodi-besmetting in relatie tot het tussengewas weergegeven.
Na statistische verwerking bleek dat de beginbesmetting (Pi; zomer 2006 van proefveld 2006) voor het toepassen van alle behandelingen gelijk was en zeer laag.

Tabel 3. M. chitwoodi-besmetting per behandeling voor uitvoering van behandelingen (Pi), voor de aardappelteelt (Pf1) en na de aardappelteelt (Pf2) op proefveld 2006 (aantallen aaltjes per 100 ml grond).

 

Pi; zomer 2006.
Voor uitvoering behandelingen
(11-07-2006)
Pf 1; voorjaar 2008.
Voor aardappelteelt
(29-04-2008)
Pf 2; najaar 2008.
Na aardappelteelt
(17-09-2008)
BehandelingBladrammenasWitlofBladrammenasWitlofBladrammenasWitlof
BGO-gras2.1a  b2.1a  b0.6a b . .4.2.  b c .10.8a .  .  .  .16.1a .  .  .  .
BGO-graan1.6a  b5.0a  b1.9a b c .1.6a b c .23.4a b .  .  .8.8a .  .  .  .
Chitine8.2.  b2.1a  b1.2a b . .1.9a b c .45.0a b c d .139.9. b c d  .
NGO1.2a  b1.8a  b0.6a b . .0.0a . . .37.8a b c .  .31.1a b .  .  .
Braak2.3a  b3.0a  b1.9a b c .2.4a b c .217.5. . c d e150.1. b c d  .
Italiaans raaigras4.8a  b0.4a   .20.4. . . d8.3. . c d1094.0 . . . . e276.4.  .  . d e

In tabel 4 staan de resultaten van de aaltjesbemonsteringen voor Meloidogyne spp. van proefveld 2007. Voor uitvoering van de behandelingen bleek na statistische verwerking de beginbesmetting van proefveld 2007 voor alle behandelingen gelijk te zijn. De aantallen M. chitwoodi-juvenielen zijn veel hoger dan bij proefveld 2006, wat het gevolg is van een andere voorvrucht, namelijk Italiaans raaigras.

Tabel 4. M. chitwoodi-besmetting voor uitvoering van behandelingen (Pi), voor de aardappelteelt (Pf1) en na de aardappelteelt (Pf 2) op proefveld 2007.
Aantallen M. chitwoodi per 100 ml grond

 

Pi; zomer 2007
Voor uitvoering behandelingen
(18-06-2007)
Pf 1; voorjaar 2008
Voor aardappelteelt
(29-04-2008)
Pf 2; najaar 2008
Na aardappelteelt
(17-09-2008)
BGO-gras
263.6
a
55.6
. b c .
1662
a b .

BGO-graan

253.4
a
25.3
. b . .
409
a . .

Chitine

377.2
a
34.3
. b c .
1635
a . .

NGO

465.3
a
4.6
a . . .
1383
a . .

Braak

369.7
a
100.4
. . c .
6992
. b c

Italiaans raaigras

579.5
a
900.6
. . . d
9656
. . c

In tabel 5 is voor proefveld 2006 de gemiddelde knolaantastingsindex (KAI) weergegeven.
Bij de inwendige knolaantasting (KAI-inwendig) werden de eipakketten onder de schil meegenomen en bij KAI-uitwendig niet. Omdat alleen bij KAI-inwendig significante verschillend werden gevonden, is in tabel 5 en 6 de KAI-uitwendig buiten beschouwing gehouden.
In tabel 5 wordt de gemiddelde kolaantasting per behandeling in relatie tot het tussengewas weergegeven. Bij alle behandelingen is inwendig knolaantasting waargenomen.

Tabel 5. Gemiddelde knolaantastingsindex (KAI inwendig) in relatie tot het tussengewas van proefveld 2006.
BehandelingBladrammenasWitlof
BGO-gras0.8    a .1.0    a .
BGO-graan0.8    a .1.0    a .
Chitine1.3    a .4.2    .  b
NGO1.6    a .1.5    a .
Braak1.4    a .1.8    a .
Italiaans raaigras4.0    . b1.7    a .

In tabel 6 is voor proefveld 2007 de gemiddelde knolaantastingsindex weergegeven (KAI-inwendig). De inwendige knolaantasting op de aardappelen van proefveld 2007 heeft voor alle behandelingen een hogere index dan proefveld 2006.

Tabel 6. Gemiddelde knolaantastingsindex ( KAI-inwendig) per behandeling van proefveld 2007.
BehandelingKAI – inwendig
BGO-gras7.2a b .
BGO-graan4.4a . .
Chitine8.1. b .
NGO9.2. b .
Braak13.5. . c
Italiaans raaigras15.5 . . c

Conclusies

Het gedeelte van het proefveld waar in 2006 de behandelingen zijn toegepast in 8 herhalingen (proefveld 2006), was vóór het toepassen van de behandelingen zeer laag en gelijkmatig besmet met M. chitwoodi. In het tussenjaar 2007 werd er op proefveld 2006 per behandeling in 4 herhalingen een resistente bladrammenas of witlofpennen geteeld. Voor de teelt van aardappelen in 2008 is de aaltjesbesmetting in de grond opnieuw gemeten. De toepassing van de behandelingen en de teelt van het tussengewas heeft bij alle behandelingen, op Italiaans raaigras na, tot afname geleid van het aantal M. chitwoodi juvenielen per 100 ml grond. In hetzelfde jaar na de teelt van de, voor M. chitwoodi goede waardplant, aardappelen (ras Asterix) is de aaltjesbesmetting bij alle behandelingen toegenomen. De aantallen M. chitwoodi-juvenielen in de behandelingen biologische grondontsmetting met gras en graan zijn significant lager dan de referenten zwarte braak en Italiaans raaigras. Natte grondontsmetting laat iets hogere aantallen achter dan bij beide biologische grondontsmettingstechnieken. Deze behandelingen worden gevolgd door chitine, die wat betreft vermeerdering van M. chitwoodi iets lagere aantallen gaf dan zwarte braak. Na Italiaans raaigras werden de hoogste aantallen gevonden.

In 2007 zijn de behandelingen herhaald. De besmetting met M. chitwoodi op proefveld 2007 was voor aanleg enkele honderden juvenielen per 100 ml grond. De beginbesmetting met M. chitwoodi was gemiddeld over alle behandelingen gelijkmatig. Voor de teelt van aardappelen in 2008 was de aaltjespopulatie in de grond door de behandeling natte grondontsmetting met Monam teruggebracht naar enkele juvenielen/100 ml grond. Deze behandeling gaf zonder tussenjaar het laagste aantal M. chitwoodi-aaltjes gevolgd door biologische grondontsmetting met graan en verschilde betrouwbaar van de referent zwarte braak. Biologische grondontsmetting met gras en chitine lieten een vergelijkbare mate van besmetting achter als na zwarte braak. De besmetting met M. chitwoodi was na de aardappelteelt voor alle behandeling weer flink toegenomen. De behandelingen chitine, biologische grondontsmetting met graan en natte grondontsmetting met Monam gaven een significant lager aantal M. chitwoodi-juvenielen dan zwarte braak. Biologische grondontsmetting met gras kwam relatief laag uit, maar als gevolg van de grote spreiding verschilde dit niet significant met de aantallen na zwarte braak. Italiaans raaigras gaf de hoogste vermeerdering, maar deze verschilde niet significant van de aantallen na zwarte braak.

De mate van knolaantasting tussen beide proefvelden was duidelijk verschillend. Van proefveld 2006 zijn de waarden zeer laag en werden alleen bij de KAI-inwendig enkele statistische verschillen gevonden. Biologische grondontsmetting met graan en gras hadden de laagste aantasting, maar verschilden niet betrouwbaar van de referenten zwarte braak en natte grondontsmetting met Monam. Alleen na Italiaans raaigras in combinatie met bladrammenas en chitine in combinatie met witlof was de KAI-inwendig significant hoger dan bij alle andere behandelingen.
Van proefveld 2007 kwamen de waarden hoger uit en zijn er tussen de behandelingen statistische verschillen. De laagste knolaantasting is waargenomen na de behandeling biologische grondontsmetting met graan en deze verschilde betrouwbaar met die van alle andere behandelingen, met uitzondering van de behandeling biologische grondontsmetting met gras. Het referentiegewas Italiaans raaigras gaf de hoogste knolaantasting.

In dit onderzoek blijkt dat M. chitwoodi en zijn symptomen op aardappel met voldoende tijd en budget goed zijn te onderdrukken. De behandeling biologische grondontsmetting met graan en in mindere mate met gras bleek het meest effectief, zeker in combinatie met een extra jaar waarin een slechte waard (bijvoorbeeld bladrammenas of witlof) wordt geteeld. Tot nu toe is het niet gelukt om dit aaltje volledig kwijt te raken, waardoor de teelt van pootgoed op M. chitwoodi besmette percelen te risicovol blijft.